dinsdag 8 september 2020

Corona Cronycken deel 9

 

Vanochtend lees ik op de voorpagina van mijn favoriete krant: “Vervuiling doodt 1 op 8 Europeanen”. Een miliseconde denk ik “Voilà, weer eens dezelfde open deur ingetrapt, dat weet iedereen al jaren,” om dan onmiddellijk de ontmoedigende discrepantie te zien tussen de verhitte angst- en woedereacties, waaraan wij ons in de huidige gezondheidscrisis al maandenlang overgeven en de gelatenheid waarmee bovenstaand bericht passeert.

Vandaag aanvaarden wij dat men ons onschuldig veroordeelt tot huisarrest dan wel verplicht om gemaskerd de straat op te gaan ook wanneer elke gefundeerde reden daartoe ontbreekt (lege straten). Dat ons de toegang tot het woonzorgcentrum waar onze ouders of grootouders opgesloten zitten vinden we lastig maar helaas nodig. Tezelfdertijd laten wij ons gewillig verschepen in overvolle bussen en trams en sturen we onze kinderen weer de scholen in, ook al weten we dat dit oncontroleerbare haarden van infectie zijn. Doodsbang zijn we voor de in de loop van ons relatief korte leven nog ongekende pandemische dreiging. Onze “captains of industry” (ik vind het uiterst moeilijk om bij horen of gebruiken van dit opgeblazen ego-begrip een ironisch/meewarige glimlach te onderdrukken) gaan zelfs mee in beslissingen die heel onze economie dreigen te ontwrichten. De grote jongens weten natuurlijk ook wel dat een nieuwe crisis een mooie opkuis van de zwakkere broertjes kan betekenen wiens marktaandeel meteen wordt ingelijfd, maar dit geheel terzijde.

Zal ik even cijfers citeren?

Tot op heden 183 306 Coronadoden in Europa sinds de uitbraak begin dit jaar tegenover 630.000 doden door vervuiling élk jaar (!). Ik weet niet hoe het u vergaat maar mij stemmen die cijfers tot nadenken. Worden de oorzaken van die vervuiling aangepakt? Wel… euh, ja we doen ons best. Maar dan wel met de billen in stijf gesloten kramp. Wellicht zijn er mensen die al veel langer kennis hebben van de desastreuze gevolgen van ons kapitalistisch industrieel vervuilingspatroon. Maar ik zal voor mezelf spreken: ik heb daar al meer dan 50 jaar weet van (Club van Rome vanaf 1968) en probeer daar in mijn eigen praktijk (ik geef toe: met wisselend succes) zo weinig mogelijk toe bij te dragen. Als ik het weet dan moeten die slimmeriken die aan het roer staan van naties en van multinationals het zeker weten: hoe het anders moet. Maar wat je te horen krijgt is dat we het industriële productie- en winstmodel niet teveel mogen hinderen want die zorgen voor de zo noodzakelijke economische groei, voor onze welvaart. En dan komt een vicieuze cirkelredenering de magische deus ex machina om het behoud van het huidige systeem veilig te stellen. Als we onze economie in gevaar brengen is er geen geld om de vervuiling aan te pakken, laat staan om onze gezondheidszorg te financieren. Ziezo, dat hebben we weer mooi voor elkaar: kop in ’t zand.

Laat ik toch meegeven over welke gezondheidsdreigingen we het hebben. De belangrijkste ziektes die Europeanen oplopen door omgevingsfactoren zijn kankers, hartziektes, chronische longziektes, beroertes, neurologische ziektes zoals alzheimer en diabetes. Maar mijn gazet vertelt mij ook dat het eigenlijk allemaal zo erg niet is… voor wie in betere buurten woont en genoeg geld heeft om zich tegen de negatieve impact van milieurisico’s te beschermen.

Tiens, waaraan doet dit me denken? O ja, Corona houdt vooral huis in verzorgingsinstellingen waarin bewoners zo al tot risicogroep behoren en het personeel minder dan gemiddeld betaald worden. Goedbetaalde kantoorjobs verlopen de laatste maanden grotendeels van thuis uit en er wordt veilig zoomvergaderd. Kassiersters in den Aldi en buschauffeurs kunnen zich niet onttrekken aan massale risicocontacten. Tja, spijtig maar helaas, zo is ’t leven.

Mijn vraag bij dit alles: gaan we onze selectieve perceptie van wat (de kwaliteit van) ons leven bedreigt eens bijstellen? Gaan we de cijfers eens bijstellen? Gaan we ons perspectief eindelijk eens verplaatsen naar een zicht op wat er werkelijk toe doet in plaats van het ons te laten opdringen? ’t Zijn maar een paar vragen maar aan de antwoordzijde zal het wel weer oorverdovend stil blijven. En toch weiger ik mijn positivo kijk op een mogelijke toekomst op te geven, op straffe van voor naïeve onnozelaar versleten te worden. Un autre monde est possible!

zaterdag 1 augustus 2020

Corona Cronycken, deel 8

Wat moest gebeuren is geschied: we zitten middenin de tweede coronagolf. Iedereen wist dat dit er aan kwam, we zagen het van ver. We wisten precies wat we moesten doen om er sneller in te duiken en dat deden met volle overgave.

We? Neen, natuurlijk zijn we niet allemáál als lemmingen in de afgrond gedoken, opgezweept door de praatjesverkopers die zich voordoen als de behoeders van ons welzijn en ons tezelfdertijd een wortelstok voorhouden met al het lekkers waar we allemaal naar snakken. De ritselaars die dachten te kunnen trichen zonder dat Covid 19 het merkt, puur gokgedrag, casinospel. Zo zijn de lakeien van de neoliberale ideologie nu eenmaal getraind: opportuniteitjes jagen, risico’s nemen en als het mis gaat de schade afwentelen op het gepeupel, dat geen andere keuze heeft dan de bittere pil te slikken. Après nous le déluge.

Ja ik ben kwaad. Dat gebeurt wel vaker. En dan geef ik wel eens de indruk dat ik de moeilijke positie van de beleidsverantwoordelijken –politici en ambtenaren- niet begrijp. Het tegendeel is waar. Daarom ook dat ik 5 maanden terug, toen het allemaal begon, de verdediging van het beleid opnam tegenover mijn vrienden die alles meteen te veel, te weinig of in ieder geval incoherent vonden. Geduld, geef ze tijd, we zitten nu eenmaal met een totaal uitzonderlijke, nooit geziene situatie. Onbekende, onzichtbare, onberekenbare vijand… Niemand wist het echt, wij niet en ook zij niet. Maar nu weten we meer. Nog lang niet alles maar meer dan genoeg om een duidelijk, coherent beleid te voeren. Laat dit nu precies zijn wat we niet gezien hebben.

Jawel, de spreidstand is een zeer lastige: zorgen voor de directe covid slachtoffers, extra middelen in de gezondheidszorg, ondersteunen van economisch kwetsbare sectoren, opvangen van al dan niet tijdelijke werkloosheid… allemaal veel om te behappen en dan ook nog zorgen dat de economie niet helemaal ontwricht geraakt. Maar hoe lastig ook, het valt allemaal wel te ordenen in prioriteiten en die zijn duidelijk: helemaal bovenaan staat de verspreiding van het virus onder controle krijgen én houden! Alles wat daar tegen in gaat moet wachten for the time being. Massa evenementen horen niet thuis in een verantwoord coronabeleid, of het nu om sport, spel of kunst gaat, spijtig maar helaas voor de getroffen sectoren. Shoppen lijk zot is geen optie, ook niet in zogenaamd groen gekleurde gemeentes want anders duw je die binnen de kortste keren terug in ’t oranje of rood. Gratuit reizen naar massaoorden is dom en laat je als oprecht bezorgde overheid niet toe, punt. Onze economische machine ten allen koste draaiende houden? Nu eventjes niet, graag. First things first! Lobbygroepen content stellen? Kijk, die moeten wel kunnen gehoord worden, iedereen mag zijn belangen verdedigen in het publieke forum. Toch: een echte overheid laat zich niet onder druk zetten door een sterke lobby maar voert eerst het beleid dat nodig is in het algemeen belang. Bijkomend moet collaterale schade zoveel mogelijk beperkt worden en moeten kwetsbare groepen bijgestaan worden. Da’s allemaal helder te communiceren. Als je daarbij nog de omkaderende voorzorgsmaatregelen handhaaft –afstand, hygiëne, mondmasker waar nodig, bubbelbeperking- en die niet om de haverklap naar boven of naar beneden laat jojoën, kan echt nog heel wat… genoeg om toch nog een redelijk aangenaam sociaal leven te leiden. ’t Is aanpassen maar niet onleefbaar.

Als je mensen au sérieux neemt en een coherente, begrijpelijke boodschap brengt, gaat het overgrote deel van de bevolking zich verantwoord gedragen en zorgen voor voldoende sociale  controle tegenover wie dat niet doet. En dan kan je ook op diezelfde bevolking rekenen om de daarnet genoemde kwetsbare groepen solidair bij te staan. Maar steeds meer mensen voelen zich helemaal niet au sérieux genomen. Politici lijken elkaar de loef te willen afsteken door als eerste, als strafste of als permissiefste te communiceren zodat iedereen zich afvraagt: waarover gaat dit nog? Het broodnodige vertrouwen in het beleid dat de bevolking solidair en gemotiveerd hield in de gezamenlijke strijd, verpulvert zienderogen. Zonder vertrouwen geen gezag, de basis geraakt gedemotiveerd. Mensen zijn moe, sommigen steken al een middenvinger op. Het cliché wil dat de bevolking de politici krijgt die ze verdient maar in dezen zijn het de politici die de bevolking krijgen die ze zelf creëren. Ik probeer niet te denken dat dit net de bedoeling is: tweedracht, angst en chaos zaaien om later de gedesoriënteerde bevolking terug te verzamelen rond een sterk leiderschap dat zekerheid biedt. Ik ben weinig vatbaar voor complot theorieën maar begrijp de argwaan die ik hier en daar hoor uitspreken. Laat in ieder geval Jambon, De Block, Beke et les autres eens nadenken over wat ze aanrichten in de hoofden van de mensen.

En laat ik duidelijk onderlijnen dat ik niemand individueel met de vinger wijs. Ik heb groot respect voor het werk dat experts verrichten en de inspanningen die vele ambtenaren en ook een aantal politici leveren om het goed te doen. Alleen lukt het niet op een deftige manier. Waarom? Dat is voldoende bekend, iedereen ziet het: verdeeldheid in beleid, verdeeldheid van bevoegdheden, de greep van de particratie, ideologisch autisme. Toen ik nog een onschuldige schooljongen was zag ik al affiches met “België Barst!” Toen al werden de geesten vergiftigd met het idee dat wij ons moesten bevrijden van het franskiljonse juk en dus van de Walen. De ware tegenstellingen -die tussen arbeid en kapitaal, om het nu ook even simplistisch te stellen- werden op die manier gemaskeerd. De vele staatshervormingen hebben ons sindsdien niet bevrijd van de wereldwijde onderdrukkende politieke orde. Wel hebben die de slagkracht van onze (laten we wel wezen) democratische rechtstaat ondergraven en, zoals nu blijkt, totaal vleugellam gemaakt. Cynisch is dat vanuit rechtse hoek gesteld wordt dat de oorzaak voor de huidige chaos ligt in te weinig autonome macht in Vlaanderen. Daarenboven zijn er ook krachten die de geesten klaar maken voor een sterke hand die ons uit de crisis zal halen. Laten we met zijn allen niet alleen alert blijven voor dat verdomde virus maar vooral ook onze democratische vrijheden die we (of onze voorgangers) ooit zo fel bevochten hebben, niet laten afpakken!

Toch wil ik positief afsluiten want ik reserveer mijn frustraties enkel voor deze Corona Cronyckjes. Voor de rest maak ik me graag vrolijk over de strapatsen van het beleid (blijven lachen is blijven leven) en hoop ik steeds dat het morgen beter wordt. Deze 2de golf zou er bijvoorbeeld voor kunnen zorgen dat de nevel optrekt, de geesten uiteindelijk verlicht worden en dat het bakkeleien over een echte te installeren regering plaats maakt voor handelen in het belang van ons allemaal. Jawel: morgen geen gezaag meer over Corona, falend beleid, incoherenties maar een pluim voor zij die de moed vonden om hun ideologische starheid te doorbreken. Hoera!

dinsdag 21 juli 2020

Verzinnen

Fantasie is grenzeloos,

mogelijkheden zijn oneindig,

combinaties talloos.

Alles kan, alles mag.


Maar eens je het verzint, gaat een stuk vrijheid verloren want zinnen werken volgens regels, de regels van de taal. Taal geeft betekenis en sluit andere uit. Als we het (be)tekenen leggen we het al vast. Die beschränkung installeert zich en de meester is van huis. Zin is richting en sluit andere uit.


Toch is verzinnen deel van wat we zijn. Omdat als we onze fantasie niet verzinnen ze niet bestaat. Omdat we zelf slechts bestaan voor zover we het kunnen delen met een ander en in zoverre een ander ons laat bestaan in wat we delen. Als we niet meer verzinnen verschrompelen we, dor en vruchteloos.


De kunst is: in de verzinning van onze wilde fantasie de wijdsheid, roekeloosheid, jezelfheid behouden, niet toe te geven aan de sirenezang van pleasen en conformeren.


De wereld is verzinsel en toch echt. Het leven is verzonnen en toch echt. Ik hou van echt en veracht de rest. Verzinnen zonder fantasie is niet echt en verzinnen zonder echt is vals en waardeloos. Onze verbeelding heeft de wereld geschapen. Door onze fantasie hebben wij geleerd wie we zijn. Fantasie heeft god gemaakt... en ook overbodig.


Wij zijn echte verzinsels en die moeten we koesteren door onze echtheid.

zondag 5 juli 2020

Corona Cronycken deel 7 - over consumptieplicht en inclusieve globalisering

Wij komen stilaan uit onze milde lockdown gekropen. Of juister: we worden er uit geduwd en dit niet eens zachthandig. Eigenlijk zit ik met het ongemakkelijk gevoel dat we er net niet uitgeranseld worden, right back richting hersenloze compulsieve consumptiedwang. Dwangneurose? Ja, ’t heeft er weg van maar is natuurlijk meer. De dwang komt ook van buitenaf als uiting van de consumptieplicht waartoe elke burger zich (weliswaar ongeschreven en onbewust) contractueel verplicht. Hieraan verzaken is een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid en wordt bestraft met uitsluiting. Heel ons economisch model staat of valt met het bestendigen van de nooit eindigende groei en daarom worden de burger van nagenoeg bij de geboorte aan de intraveneuze koopbaxter gelegd.

Je moet maar eens zien hoe beleidsverantwoordelijken reageren op elke suggestie van het (op lange termijn) uitfaseren van individueel autobezit, het aan banden leggen (middels bijvoorbeeld kerosinetaks) van excessief recreatief vliegverkeer of het inperken van wereldwijd transport voor de voedingsindustrie (zowel veevoeders als verwerkte voeding).

En nochtans… In tegenstelling tot datgene waarvan ik veelal verdacht wordt ben ik helemaal geen vijand van de vrije markt. Alleen betekent vrij voor mij in de eerste plaats fair want: hoe vrij is een markt die totaal gedomineerd wordt door (veelal multinationale) vrijbuiters die de regels naar hun hand weten te zetten en die nog altijd hun winsten belastingvrij kunnen oppotten in de Kaaimaneilanden? Een vrije markt is een markt waarop iedereen met gelijke kansen zijn activiteiten kan ontwikkelen. Op een vrije markt gelden dus dezelfde regels voor iedereen, of je nu als ondernemer groot, middelgroot of klein bent.

In tegenstelling tot datgene waarvan ik soms beschuldigd word ben ik helemaal niet tegen mondialisering. Integendeel, mondialisering is de richting waarin de mens al gaat van in zijn prille dagen op aarde. Zo hebben beschavingen zich ontwikkeld, zo zijn wij er in geslaagd om de huidige technologisch hoogstaande samenleving uit de grond te stampen: door wederzijdse bevruchting via handel met andere culturen. Globalisering? Ja: globalisering van de voorwaarden voor een rechtvaardige mondiale samenleving en globalisering van de verantwoordelijkheid voor het welzijn van onze planeet. Globalisering van mensenrechten, globalisering van respect en betrokkenheid. Iedereen mag meedoen. Inclusieve globalisering dus.

Kijk, nu we het er toch over hebben moet ik het toch kwijt. Ik hou er niet van om over concrete figuren te beginnen omdat ik niet de indruk wil wekken dat het probleem opgelost is als we hen aanpakken. Hier toch weer een klein citaat dat een bescheiden reactie behoeft. Joren Vermeersch op schoot bij Joël De Ceulaer in de Morgen van 4 juli j.l.:

"Mensen kunnen maar spontane solidariteit opbrengen met leden van hun gemeenschap in wie ze zich kunnen herkennen."

Vermeersch heeft helemaal gelijk natuurlijk. Het verschil met bijvoorbeeld mij is dat ik me vaker verwant voel met mensen die een andere nationaliteit hebben, een andere kleur of een andere cultuur. Als ik rondom me kijk in die kleine cultuurbubbel die Vlaanderen heet, heb ik moeite om mezelf te herkennen in de lokale fauna. Dat wil niet zeggen dat het elders persé beter is, maar mijn wereld stopt niet aan de taal- of landgrenzen. Geestesverwanten vindt je overal, op elk continent en in oneindig veel hoedanigheden. Ja gemeenschappen zijn belangrijk, maar ik behoor tot vele.
Kwestie van het een beetje te situeren: het interview waaruit bovenstaand citaat ging onder de titel "Wij leven onder de dictatuur van het goede". Mijnheer Vermeersch is de nieuwe ideoloog van N-VA. Dat belooft.

Heel even koesterden we de illusie dat die hele pandemische episode ons wijzer zou maken, dat we deze off-tijd zouden gebruiken om onze raison d’ être eens grondig te overzien. Zo konden we misschien tot de conclusie komen dat het moment gekomen is om ons gekaapte ideeëngoed, wereldbeeld, identiteit te heroveren en daar bewust terug een eigen inhoud aan te geven. Helaas dus. Wij hadden het te druk met Facebook, Twitter, onze dagelijkse applaussessies voor het zorgpersoneel en de dagelijkse coronasoap op De Afspraak en het radionieuws.

donderdag 2 juli 2020

Corona Cronycken deel 6

Mijn vrienden kennen me. Ik probeer elke situatie, van de meest banale tot de meest ingrijpende, van bovenaf te bekijken of desnoods van onderuit om de absurde kanten ervan te ontdekken. Kwestie van er zelf niet door verzwolgen te worden, denk ik. Geen moeilijke oefening trouwens want geef toe: dit leven kan je toch onmogelijk au serieux nemen. Ik heb het over de totale willekeur die dit ondermaanse lijkt te bestieren. Ooit dacht ik dat wij als soort begiftigd waren met de bijzondere gave om kennis te vergaren en daaruit strategieën voor een beter leven te ontwikkelen. Een beter leven voor iedereen en ter in stand houding van de soort. Wij kunnen reflecteren over de wereld en over onszelf, over verleden, heden en toekomst. Dat zou toch moeten resulteren in iets wat lijkt op door rede gestuurd gedrag. Toch geen absurde gedachte? Toch wel. Ik kijk rondom me en ik zie.

Neen, ik heb het niet persé over dadaïstisch België, absurdistan regeert wereldwijd. Maar nu u het er toch over hebt. Vanochtend hoor ik dat Zaventem gisteren werd overspoeld door 10.000 reizigers. Mijn favoriete radio dreunt al heel de week elke ochtend ellenlange filelijsten op. Blijkbaar is iedereen weer content in zijn vertrouwde autootje, hehe,  met een muziekje gezellig urenlang aanschuiven. Eindelijk back to normal dus. Oef!

Dit allemaal terwijl we worden gewaarschuwd voor een mogelijke nieuwe uitbraak… terecht, én men ons tracht te brainwashen om het algemeen verplichten van mondmaskers acceptabel te maken. Hierbij tracht men de concrete situatie totaal irrelevant te maken. "Men", dat is niet de Veiligheidsraad of niet de GEES. Maar blijkbaar zijn er een aantal politici en zelfs enkele experten die niet in staat zijn om genuanceerd met maatregelen om te gaan. Het is alles of niets en nu wordt de druk om er alles van te maken met de dag groter. Ik zal het nog één keer zeggen: verplicht mondmaskers daar waar nodig. Mondmaskers zijn een zeer effectief preventiemiddel om zich en de anderen te beschermen in situaties waar men geen of moeilijk afstand kan houden, vooral in gesloten ruimtes. Warenhuizen en grote winkelketens bijvoorbeeld, daar zie ik toch soms meer volk naar binnen gaan dan redelijkerwijs gezond kan genoemd worden en ik hoor van mensen dat er veelal geen looprichting gerespecteerd wordt en klanten zomaar goederen betasten. Ik begrijp dat erg goed: je kan nu eenmaal geen controleur naast elke klant laten meelopen. Maar net daar een mondmasker verplichten zou al helpen. Afstand betekent anderhalve tot 2 armlengtes en gaat dan over langdurige contacten, niet over bijvoorbeeld iemand kruisen op straat op pakweg slechts 1 meter afstand. Dit zeg ik niet, dit zeggen de virologen. Ik hoorde er trouwens één zeggen dat het algemeen verplichten van mondmaskers in alle winkels niet zozeer gaat om de effectiviteit ervan in alle omstandigheden maar om het psychologisch klimaat: mensen er voortdurend aan herinneren dat ze moeten opletten, om ze alert te houden. Plak iedereen dan een gele ster op, dat werkt ook; mijn familie heeft daar ervaring mee.

Waarom ik me daar druk over maak? Omdat ik ook al mensen hoor die gechockeerd zijn dat zo weinig mensen mondmaskers dragen op straat. Dit is dus de volgende stap. En dat doet me terug denken aan de eerste jaren van de AIDS-epidemie. Toen was ik getuige van een heel ernstige discussie of je besmette mensen niet verplicht op het voorhoofd zou moeten tatoeëren met een waarschuwend teken. Ja, zo gek kan je mensen krijgen als je paniek zaait.

De weinige winkels waar ik kom (ja, slechts enkele, ik ben nu eenmaal geen shopper) hanteren tot nog toe een maximum van 2 klanten, de rest wacht buiten, voor de drempel van een open deur. Bijna niemand draagt daar een mondmasker, noch achter de toog, noch ervoor want er staat een plexi scherm, iedereen let op. Lijkt me redelijk veilig en dat wil ik voorlopig liefst zo blijven zien. Dát is respect tonen. Om alert te blijven heb je geen mondmasker nodig maar verstand. Het is het één of het ander.

Coherent beleid

Wel, nu komt het ander. De vriendin van mijn zoon is, na 4 maanden vast gezeten te hebben in Maleisië, eindelijk terug naar huis kunnen vliegen. Dit gebeurde dan wel middels een 18u lange vlucht in een overvol toestel… niks te social distancing. Daar is blijkbaar geen probleem mee. Ze heeft zich dan maar, samen met mijn zoon, vrijwillig in een veertiendaagse quarantaine gezet. Het wordt tijd dat we met zijn allen een iet of wat coherent beleid afdwingen. En dan voel ik het weer opkomen. Het is niet omdat ik alles met een ironische blik observeer dat ik hier niet kwaad om word. Willen de mensen die beleid voeren of invloed hebben op het beleid eindelijk eens duidelijk maken wat ze willen: verantwoordelijke mensen die in staat zijn zelfstandig na te denken en dan ook navenant handelen, of kuddedieren die naar willekeur kunnen gemanipuleerd worden – consumptievee, zeg maar.

Ik weet het: ik heb enkele maanden terug zelf begrip gevraagd voor het beleid ten aanzien van deze nooit geziene virale aanval. Niemand wist toen wat ons te wachten stond en iedereen deed naar best vermogen, goed beseffende dat fouten maken onvermijdelijk part of the game was. Ik vind het te gemakkelijk om mee te huilen met de wolven op Facebook of Twitter. Eerst beleidsmakers in erg moeilijke omstandigheden de kans geven om goed te doen. Maar nu hebben we toch wel een duidelijker beeld van hoe het virus zich gedraagt en wat onze eigen rol is in het verspreiden ervan. De op hol geslagen wereldwijde mobiliteit is met grote voorsprong de belangrijkste oorzaak. Dat overheden het weer op gang trekken van dat gevoyageer faciliteren en zelfs met belastinggeld ondersteunen is misdadig. En dat gaat zowel over personen als goederen. Echt waar: een andere economische orde is mogelijk!

Laat ik, voor ik onbeleefd begin te worden, afsluiten met een quote van een heel intelligent mens waarmee ik het verre van altijd eens ben. Hij zal hier net iets anders bedoeld hebben dan mijn interpretatie van dit citaat, maar toch...

Van de Cloot: “Inderdaad, relancebeleid moet verandering faciliteren – terwijl we nu vaak de status quo faciliteren. Niet veranderen is geen optie meer. We moeten geen middelen pompen in het uitstellen van de aanpassing naar het onvermijdelijke, hoe on-Belgisch dat ook is.”

 Komt uit het dubbelinterview Ive Marx en Ivan Van de Cloot in De Morgen van vandaag.

woensdag 24 juni 2020

Denken in beelden - spreken in cijfers

Ik heb nog een oud artikel uit de Viervoeter teruggevonden. Ik vermoed dat het dateert uit 1996. Het bouwde verder op de teksten die ik in de jaren '80 schreef maar hier toegepast op de Freinetpraktijk. De relevantie ervan kan wat gedateerd zijn, de tekst illustreert eerder waar we vandaan komen. Maar voor het Freinetonderwijs is de drukpers als pedagogisch instrument, zij het in een hedendaagse digitale versie, nog steeds even belangrijk.


Digitaal onderwijs


In de vorige jaargangen jaargangen van de Viervoeter zijn de moderne media meermaals aan bod gekomen. Vooral voor wat betreft het gebruik van de computer in de klas waren de standpunten nogal verdeeld. Enerzijds zou ik in de discussie enkele hardnekkige misvattingen willen uit de weg ruimen die we al meeslepen van in de begindagen van introductie van de computer in het onderwijs. Meteen gooi ik enkele bedenkingen op tafel die misschien een ander licht op de zaak kunnen werpen. Eigenlijk een poging om een brug te slaan tussen de pro en contra-standpunten. Anderzijds wil ik verder denken over computers in het onderwijs in de context van een bredere maatschappelijke discussie en dan in het bijzonder in relatie tot de beeldcultuur (waarover we voordien reeds wat gespreksstof aanbrachten), omdat die discussie de impact van al die nieuwe technologie toch in een ruimer en verhelderend perspectief plaatst. Die tweede doelstelling bewaar ik voornamelijk voor een volgend artikel.

1. Misverstanden uit het verleden
Moet de school kinderen leren omgaan met computers, computertaal en computerprogramma's? Moet de school in het curriculum ruimte vrijmaken om er een uur informatica in te schuiven? Deze vragen waren 10-15 jaar terug zeer wezenlijk. Ten eerste stond het vast dat de computer, die toen net aan zijn opmars in de scholen en in de huiskamers was begonnen, een belangrijke rol zou gaan spelen in het maatschappelijk gebeuren en in zowat elke arbeidssituatie. Het doembeeld was dat van de computer-ongeletterdheid: wie niet met de computer kon omgaan zou uitgesloten worden van de arbeidsmarkt. Ten tweede werd het computergebruik nog door een meerderheid ervaren als hocus-pocus-gedoe en de toenmalige interfaces (vnl. MS-DOS en aanverwante besturingssystemen) waren niet van aard om die drempel lager te maken. Ten derde was er nog een belangrijke economische drempel: computers waren nog weggelegd voor diegenen die het zich konden permitteren. Dit gold voor de computer thuis, maar evenzeer voor de computer op school. De schrik dat kansarme groepen hun achterstand weer eens zouden zien vergroten leek reëel.

Het paniekvoetbal dat resulteerde gaf aanleiding tot een hoop zeer uiteenlopende, veelal ongecoördineerde of niet begeleide initiatieven in afwachting dat de overheid met serieuze richtlijnen zou voor de dag komen en in de nodige logistieke steun zou voorzien. Zowel het eerste als het laatste lieten aanvankelijk op zich wachten. De vele experts voorzagen het beleid terzake van onderling verschillend advies. Voornamelijk de vraag of computeralfabetisering nu het leren programmeren (Basic, Logo) dan wel het gebruik van programma's (tekstverwerking, spreadsheet,...) inhield, zorgde voor heel wat polemiek. Daarnaast waren er ook zij die de computer eerder zagen als leerhulp en die dus vooral het ontwikkelen van educatieve software wilden gesteund zien. Ondertussen lijken die initiële discussies achterhaald door het nieuwste icoon van de informatiemaatschappij: het Internet. Inderdaad, de supersnelwegfans doen alsof de vragen rond de plaats van de computer in de klas al lang zijn opgelost, zoniet dan toch niet meer relevant zijn aangezien het informatietijdperk nu al bezit genomen heeft van ons economisch en sociaal leven. De enige pregnante kwestie nu is: "hoe brengen we Internet zo snel mogelijk in de klas en hoe brengen we de klas zo snel mogelijk op Internet?"
Natuurlijk wordt de discussie wel nog verder gevoerd aan de universiteiten. Maar weinig of niets daarvan sijpelt door tot op het niveau van de betrokkenen die het uiteindelijk zullen moeten waarmaken, de leerkrachten, laat staan dat een bredere (begeleide) maatschappelijke discussie zou gestimuleerd worden (het niveau van de ouders). Verder zal ik het over "de basis" hebben wanneer ik ouders en leerkrachten als groep bedoel.

Het is nochtans belangrijk dat leerkrachten zich met kennis van zaken zouden bezinnen over de plaats die deze nieuwe technologische middelen in de klas moeten innemen, dat ze die plaats voor zichzelf en hun leerlingen zo duidelijk mogelijk zouden weten af te bakenen. Zoniet zou het wel eens kunnen dat het magische scherm met de hele klas aan de haal gaat en ze achterlaat in een virtueel vacuum. De allereerste vraag die gesteld dient te worden is: "Waarom zouden we de computer in de klas moeten binnenhalen (of niet)?" Zelfs die primordiale vraag is nooit ernstig voorgelegd geweest aan de basis. Er is van bovenuit enkel gesteld dat we onherroepelijk de informatiemaatschappij binnentreden en we de kinderen daarop moeten voorbereiden, anders kweken we computeranalfabeten. De vraag is nochtans essentieel omdat de tijd dat het kind in de klas zit beperkt is en het curriculum erg uitgebreid. Om de vraag te beantwoorden zouden we de computer bijvoorbeeld kunnen bekijken als louter werkinstrument in het beroepsleven. Wel, om te beginnen zien we dat het bedienen van de machine niets geheimzinnigs meer heeft; dat het iets-afweten-van-programmatie voor het overgrote deel van de gebruikers geen enkele relevantie meer heeft, dat de interfaces van vandaag zo intuïtief werken dat je zelfs niet meer moet kunnen lezen om de machine binnen enkele minuten te leren bedienen. Zo het analfabetisme in ons land onuitroeibaar blijkt, computeranalfabeten zullen spoedig enkel nog op sterk water kunnen bezichtigd worden. De evolutie gaat bovendien zo snel dat het geen enkele zin heeft om kinderen op lager onderwijs-niveau computerinitiatie te geven bij wijze van voorbereiding op hun latere carrière. Specifieke toepassingen (stockbeheer, boekhouding, statistische analyse) komen slechts te pas bij specifieke opleidingen (hoger secundair technisch en hoger onderwijs) en vergen zo goed als geen enkele voorkennis op het gebied van computergebruik. Zelfs tekstverwerking kan je een kind in enkele minuten uitleggen. Je toont ze de startknop. Dan toon je ze de minimale tekststijlfuncties (corpsgrootte, vet, italic en onderlijnen) en de printfunctie. Dan laat je ze een half uur alleen achter met de computer en ze komen je een prachtige, netjes uitgeprinte tekst tonen. Een tekstverwerker kan op zich natuurlijk wel erg zinvol ingeschakeld worden in het kader van andere vaardigheden die wel dienen bijgebracht te worden vanaf de laagste klassen (we komen er op terug met het concrete voorbeeld van het drukken als freinettechniek), maar daarvoor hoef je geen uren computerinitiatie te voorzien.

Kortom, daar moet de school zich allemaal niet mee bezig houden! Zover waren de experts 10 jaar terug trouwens ook al. Alleen vind je vandaag nog steeds mensen aan de basis die denken dat het daar wel over gaat. en aangezien die kwestie in het verleden nooit is opgeklaard, krijg je nu mensen die in het volgende informatie-stadium stappen vanuit diezelfde opvatting: "Wij moeten onze kinderen leren surfen op het Internet, want daar ligt de toekomst. Internet-analfabeten komen binnenkort niet meer aan de bak". Nu ja, laten we niet vooruit lopen, want we moeten eerst nog een paar vragen oplossen.

2. Waarover het wel moet gaan.
Als de introductie van de computer in de klas van het basisonderwijs niet dient om te leren programmeren (ik ga ervan uit dat dit hier niet meer omstandig hoeft uitgelegd te worden), en ook niet om computervaardigheden te leren die vereist zouden worden voor het vinden van een job, waarvoor dan wel? 1


We hebben het al aangehaald: Computer Assisted Learning, de computer als leerhulp. Dit lijkt wel een interessant idee: de computer niet meer als onderwerp van de les maar als middel bij de les.  We kunnen er zelfs 2 richtingen mee uit: het verduidelijken van lesinhouden (de werking van hefbomen of sluizen demonstreren, door de leerling manipuleerbare schema's of modellen tonen, enz...); het inoefenen en testen van vaardigheden (grammatica, rekenen,...).

De eerste toepassingen zijn gewoon een aanvulling bij de klassieke demonstraties en proefjes uit onze tijd. Ze kunnen de lessen verlevendigen en de interesse van de leerlingen verscherpen, een moeilijk principe op aanschouwelijke wijze verduidelijken. De oefen- en test-programma's laten een zekere individualisering toe. Bij oordeelkundig gebruik (sic!) brengt de computer hier zeker een educatieve meerwaarde. De vraag stelt zich natuurlijk: wat is oordeelkundig gebruik? We komen er later op terug, maar hier is alvast nog een probleempje: in welke mate is individualisering van het leerproces wenselijk of staat het andere doelstellingen van het onderwijs in de weg?

In 1986 waarschuwde Martin Valcke van het Pedagogisch Laboratorium van de RUG reeds:

"Men vergeet dat je met zo'n ding in de klas ook heel wat problemen in huis haalt. Je haalt gewoon heel je structuur, heel je routine overhoop. Zo'n machine zet de normale verhoudingen in de klas op hun kop. (...) Een efficiënt en zinvol gebruik (...) veronderstelt een heel nieuwe onderwijsstrategie. Zonder de juiste begeleiding moest zo'n gang van zaken bijna slecht aflopen." Die gang van zaken was dat een aantal scholen op eigen houtje computers ging aanschaffen, leerkrachten liet experimenteren en - erger nog - de overheid die pilootprojecten lanceerde, leerkrachten een initiatiecursus gaf, maar achteraf naliet voor degelijke opvolging te zorgen (regelmatige in-service training) of toereikend materieel te verschaffen (zowel hardware als software). Gebrek aan totaalvisie en krappe budgettaire mogelijkheden (of althans prioriteiten die weinig  ruimte lieten) lagen hier aan de basis. Wanneer de overheid en de pedagogische begeleiding geen greep houden op de voortsnellende evolutie is het gevaar dat "de industrie gaat beslissen over de middelen en uiteindelijk dus over de inhoud van het (computer)onderwijs."2


Vandaag, méér dan tien jaar later, moeten we vaststellen dat het allemaal niet zo'n snelle vlucht heeft genomen als sommigen hadden gedacht of gewild. De computer in de klas is een evidentie geworden, maar de functionaliteit ervan is veelal miniem. Veel hangt af van de beschikbare middelen, maar ook nog steeds van het individueel initiatief van directies en leerkrachten. Het gebruik van educatieve software is zeker niet wijdverbreid. Misschien maar goed ook: in "The Cult of Information" merkt Theodore Roszak op dat in '84 slechts 200 van 10.000 onderzochte educatieve programma's enige waarde hadden. Daarenboven is veel educatieve software afgestemd op individueel gebruik en dat veronderstelt dus de aanwezigheid van meerdere machines per klas, wat ook weer problematisch is. Onder het motto 'liever geen computer dan een verkeerd gebruikte' kunnen we misschien nog best tevreden zijn met die vertraagde invoering van de informatica in het basisonderwijs. Een computer die niet alleen onze schaarse middelen, maar ook nog eens de kostbare leertijd van onze kinderen verkwist houden we liever buiten.

3. Maar hij komt! Klaas komt toch!

Heeft men zich ondertussen wel bezonnen over hoe het onderwijs moet voorbereiden op de informatiemaatschappij? Want wat er nu aankomt is toch wel weer van een heel andere orde. Het ziet er naar uit dat de zo bejubelde informatiesnelweg er heel wat minder lang over zal doen om het onderwijs te veroveren. Zo de computer een opdringerige machine was, kon je hem toch nog met een minimum aan gezond verstand in toom houden, je kon hem desnoods buiten spel zetten door hem in een hoek van de klas stof te laten vergaren (wat in veel gevallen ook gebeurd is). Maar deze keer zal het technische wonder zich niet zomaar laten afschepen, hij heeft zijn voet allang tussen de deur, want alle beslissingscentra hebben zich ten volle geëngageerd. Internet en de Supersnelweg zijn slechts de breekijzers waarmee de informatie-industrie greep krijgt op ons onderwijs (zoals ze ook de meest diverse aspecten van ons leven wil gaan beheersen). Meer dan ooit is het dringend dat we ons bezinnen over wat we met dat nieuwe technologisch vernuft willen gaan doen. Hebben we ons tot nog toe wel de juiste vragen gesteld? Moeten we om te beginnen niet terug de vraag stellen waarover het algemeen vormend onderwijs en dan in het bijzonder het basisonderwijs moet gaan? En hangt die vraag ook niet vast aan een algemene maatschappijvisie en de functie van het onderwijs daarin? Hier zitten we natuurlijk terug bij de basis van Freinet. Maar het zal inderdaad in dit licht zijn dat wij over Internet zullen moeten praten. We proberen in een volgende aflevering op sommige van die vragen antwoorden te verzinnen, meer bepaald hoe de computer en de oprukkende beeldcultuur ons denken beïnvloedt.

We willen hier eindigen met een concrete toepassing van de computer in onze Freinet-schooltjes.
Een zwaar onderschat en bijna nergens ten volle uitgebuit potentieel dat zich in de klascomputer schuil houdt is de tekstverwerking. Zeker in een Freinetklas, waar zoveel nadruk gelegd wordt op het zelf schrijven en presenteren van teksten (projectmappen, drukpers), biedt de computer mogelijkheden om die Freinettechniek nieuw leven in te blazen. Alleen mag men vooral niet denken dat het gebruik van de machine op zich voor enige verandering ten goede kan zorgen. Integendeel! Wat Freinet beoogde met het gebruik van de drukpers had vele facetten. In de eerste plaats vormt het  drukken een eindstadium in een heel proces dat door de leerlingen zelf wordt gecontroleerd en dat begint bij de praatrondes en vrije teksten; het is iets waar de leerlingen duidelijk naar toe werken. Dit wil dus zeggen dat ze een werk van langere adem leren voorbereiden en tot een goed einde brengen. Dit proces is daarenboven een groepswerk: samen teksten bespreken, kiezen welke zullen gedrukt worden en eventueel hoe ze samen moeten gebracht worden tot een klasbrochure. Men leert omgaan met de motiverende spanning tussen de eigen, individuele inbreng en het groepsresultaat. Tenslotte brengt het drukken een ambachtelijke precisie bij, de behoefte om een product te verzorgen in al zijn details. Inhoud en vorm dienen elkaar te versterken. Kinderen moeten aandacht hebben voor de opbouw van hun verhaal, voor de zinsconstructie en spelling. Maar ook de illustratie moet met evenveel zorg gemaakt worden. De bladschikking dient bij te dragen tot de leesbaarheid van de tekst. Kinderen leren het belang van dit totaalproces: hun verhaal zal beter ontvangen worden wanneer aan al die details de nodige aandacht werd geschonken. Hun verhaal zal aandachtiger gelezen worden en meer impact hebben op de lezer.

Wanneer men eraan denkt om de computer in de plaats van de oude drukpers te gaan gebruiken, moet men erover waken dat de doelstellingen van het hierboven geschetste totaalproces niet geschaad worden. De tekstverwerker en het lay-out programma hebben, door hun eenvoud in gebruik, de neiging om het presenteren van teksten te reduceren tot enkele relatief gemakkelijke handelingen via het klavier. De bedrieglijke eenvoud van de techniek leidt de aandacht af van de ambachtelijke concentratie die nodig is om de opdracht tot een goed einde te brengen. Wanneer die gevaren ten volle onderkend worden, is het hier wellicht mogelijk om de computer een zinvolle plaats in deze belangrijke Freinettechniek te geven. En eens we zover zijn, dan is het logisch om een volgende stap te zetten en aan het integreren van E-mail en Internet te denken in die andere belangrijke Freinet-techniek, de correspondentie.


1. Op het programmeren met LOGO, toch wel een geval apart, moeten we later misschien toch wel even terugkomen. Waar wordt het nog gebruikt? Heeft iemand daar ervaring mee? Reacties welkom!
2. Martin Valcke in De Morgen van 16 augustus 1986.


Patrick Cohen 
De Harp

 

zaterdag 30 mei 2020

Corona Cronyken deel 5: Amada

Avonturen bij Amada


Deze week las ik in De Morgen het dubbelinterview met Jan Van Duppen en Louis Van Dievel, twee oud-Amadezen van mijn generatie met een herkenbaar verhaal. Niet dat mijn ervaringen identiek zijn maar het bracht me toch terug naar mijn eigen prille passage in die ideologische bubbel. Gelukkig ben ik daar nogal ongeschonden uit gekomen… althans, vind ik zelf. Anderen hebben het toch wel wat lastiger gehad om zichzelf terug te vinden, getuige ook het verhaal in De Morgen.