woensdag 24 juni 2020

Denken in beelden - spreken in cijfers

Ik heb nog een oud artikel uit de Viervoeter teruggevonden. Ik vermoed dat het dateert uit 1996. Het bouwde verder op de teksten die ik in de jaren '80 schreef maar hier toegepast op de Freinetpraktijk. De relevantie ervan kan wat gedateerd zijn, de tekst illustreert eerder waar we vandaan komen. Maar voor het Freinetonderwijs is de drukpers als pedagogisch instrument, zij het in een hedendaagse digitale versie, nog steeds even belangrijk.


Digitaal onderwijs


In de vorige jaargangen jaargangen van de Viervoeter zijn de moderne media meermaals aan bod gekomen. Vooral voor wat betreft het gebruik van de computer in de klas waren de standpunten nogal verdeeld. Enerzijds zou ik in de discussie enkele hardnekkige misvattingen willen uit de weg ruimen die we al meeslepen van in de begindagen van introductie van de computer in het onderwijs. Meteen gooi ik enkele bedenkingen op tafel die misschien een ander licht op de zaak kunnen werpen. Eigenlijk een poging om een brug te slaan tussen de pro en contra-standpunten. Anderzijds wil ik verder denken over computers in het onderwijs in de context van een bredere maatschappelijke discussie en dan in het bijzonder in relatie tot de beeldcultuur (waarover we voordien reeds wat gespreksstof aanbrachten), omdat die discussie de impact van al die nieuwe technologie toch in een ruimer en verhelderend perspectief plaatst. Die tweede doelstelling bewaar ik voornamelijk voor een volgend artikel.

1. Misverstanden uit het verleden
Moet de school kinderen leren omgaan met computers, computertaal en computerprogramma's? Moet de school in het curriculum ruimte vrijmaken om er een uur informatica in te schuiven? Deze vragen waren 10-15 jaar terug zeer wezenlijk. Ten eerste stond het vast dat de computer, die toen net aan zijn opmars in de scholen en in de huiskamers was begonnen, een belangrijke rol zou gaan spelen in het maatschappelijk gebeuren en in zowat elke arbeidssituatie. Het doembeeld was dat van de computer-ongeletterdheid: wie niet met de computer kon omgaan zou uitgesloten worden van de arbeidsmarkt. Ten tweede werd het computergebruik nog door een meerderheid ervaren als hocus-pocus-gedoe en de toenmalige interfaces (vnl. MS-DOS en aanverwante besturingssystemen) waren niet van aard om die drempel lager te maken. Ten derde was er nog een belangrijke economische drempel: computers waren nog weggelegd voor diegenen die het zich konden permitteren. Dit gold voor de computer thuis, maar evenzeer voor de computer op school. De schrik dat kansarme groepen hun achterstand weer eens zouden zien vergroten leek reëel.

Het paniekvoetbal dat resulteerde gaf aanleiding tot een hoop zeer uiteenlopende, veelal ongecoördineerde of niet begeleide initiatieven in afwachting dat de overheid met serieuze richtlijnen zou voor de dag komen en in de nodige logistieke steun zou voorzien. Zowel het eerste als het laatste lieten aanvankelijk op zich wachten. De vele experts voorzagen het beleid terzake van onderling verschillend advies. Voornamelijk de vraag of computeralfabetisering nu het leren programmeren (Basic, Logo) dan wel het gebruik van programma's (tekstverwerking, spreadsheet,...) inhield, zorgde voor heel wat polemiek. Daarnaast waren er ook zij die de computer eerder zagen als leerhulp en die dus vooral het ontwikkelen van educatieve software wilden gesteund zien. Ondertussen lijken die initiële discussies achterhaald door het nieuwste icoon van de informatiemaatschappij: het Internet. Inderdaad, de supersnelwegfans doen alsof de vragen rond de plaats van de computer in de klas al lang zijn opgelost, zoniet dan toch niet meer relevant zijn aangezien het informatietijdperk nu al bezit genomen heeft van ons economisch en sociaal leven. De enige pregnante kwestie nu is: "hoe brengen we Internet zo snel mogelijk in de klas en hoe brengen we de klas zo snel mogelijk op Internet?"
Natuurlijk wordt de discussie wel nog verder gevoerd aan de universiteiten. Maar weinig of niets daarvan sijpelt door tot op het niveau van de betrokkenen die het uiteindelijk zullen moeten waarmaken, de leerkrachten, laat staan dat een bredere (begeleide) maatschappelijke discussie zou gestimuleerd worden (het niveau van de ouders). Verder zal ik het over "de basis" hebben wanneer ik ouders en leerkrachten als groep bedoel.

Het is nochtans belangrijk dat leerkrachten zich met kennis van zaken zouden bezinnen over de plaats die deze nieuwe technologische middelen in de klas moeten innemen, dat ze die plaats voor zichzelf en hun leerlingen zo duidelijk mogelijk zouden weten af te bakenen. Zoniet zou het wel eens kunnen dat het magische scherm met de hele klas aan de haal gaat en ze achterlaat in een virtueel vacuum. De allereerste vraag die gesteld dient te worden is: "Waarom zouden we de computer in de klas moeten binnenhalen (of niet)?" Zelfs die primordiale vraag is nooit ernstig voorgelegd geweest aan de basis. Er is van bovenuit enkel gesteld dat we onherroepelijk de informatiemaatschappij binnentreden en we de kinderen daarop moeten voorbereiden, anders kweken we computeranalfabeten. De vraag is nochtans essentieel omdat de tijd dat het kind in de klas zit beperkt is en het curriculum erg uitgebreid. Om de vraag te beantwoorden zouden we de computer bijvoorbeeld kunnen bekijken als louter werkinstrument in het beroepsleven. Wel, om te beginnen zien we dat het bedienen van de machine niets geheimzinnigs meer heeft; dat het iets-afweten-van-programmatie voor het overgrote deel van de gebruikers geen enkele relevantie meer heeft, dat de interfaces van vandaag zo intuïtief werken dat je zelfs niet meer moet kunnen lezen om de machine binnen enkele minuten te leren bedienen. Zo het analfabetisme in ons land onuitroeibaar blijkt, computeranalfabeten zullen spoedig enkel nog op sterk water kunnen bezichtigd worden. De evolutie gaat bovendien zo snel dat het geen enkele zin heeft om kinderen op lager onderwijs-niveau computerinitiatie te geven bij wijze van voorbereiding op hun latere carrière. Specifieke toepassingen (stockbeheer, boekhouding, statistische analyse) komen slechts te pas bij specifieke opleidingen (hoger secundair technisch en hoger onderwijs) en vergen zo goed als geen enkele voorkennis op het gebied van computergebruik. Zelfs tekstverwerking kan je een kind in enkele minuten uitleggen. Je toont ze de startknop. Dan toon je ze de minimale tekststijlfuncties (corpsgrootte, vet, italic en onderlijnen) en de printfunctie. Dan laat je ze een half uur alleen achter met de computer en ze komen je een prachtige, netjes uitgeprinte tekst tonen. Een tekstverwerker kan op zich natuurlijk wel erg zinvol ingeschakeld worden in het kader van andere vaardigheden die wel dienen bijgebracht te worden vanaf de laagste klassen (we komen er op terug met het concrete voorbeeld van het drukken als freinettechniek), maar daarvoor hoef je geen uren computerinitiatie te voorzien.

Kortom, daar moet de school zich allemaal niet mee bezig houden! Zover waren de experts 10 jaar terug trouwens ook al. Alleen vind je vandaag nog steeds mensen aan de basis die denken dat het daar wel over gaat. en aangezien die kwestie in het verleden nooit is opgeklaard, krijg je nu mensen die in het volgende informatie-stadium stappen vanuit diezelfde opvatting: "Wij moeten onze kinderen leren surfen op het Internet, want daar ligt de toekomst. Internet-analfabeten komen binnenkort niet meer aan de bak". Nu ja, laten we niet vooruit lopen, want we moeten eerst nog een paar vragen oplossen.

2. Waarover het wel moet gaan.
Als de introductie van de computer in de klas van het basisonderwijs niet dient om te leren programmeren (ik ga ervan uit dat dit hier niet meer omstandig hoeft uitgelegd te worden), en ook niet om computervaardigheden te leren die vereist zouden worden voor het vinden van een job, waarvoor dan wel? 1


We hebben het al aangehaald: Computer Assisted Learning, de computer als leerhulp. Dit lijkt wel een interessant idee: de computer niet meer als onderwerp van de les maar als middel bij de les.  We kunnen er zelfs 2 richtingen mee uit: het verduidelijken van lesinhouden (de werking van hefbomen of sluizen demonstreren, door de leerling manipuleerbare schema's of modellen tonen, enz...); het inoefenen en testen van vaardigheden (grammatica, rekenen,...).

De eerste toepassingen zijn gewoon een aanvulling bij de klassieke demonstraties en proefjes uit onze tijd. Ze kunnen de lessen verlevendigen en de interesse van de leerlingen verscherpen, een moeilijk principe op aanschouwelijke wijze verduidelijken. De oefen- en test-programma's laten een zekere individualisering toe. Bij oordeelkundig gebruik (sic!) brengt de computer hier zeker een educatieve meerwaarde. De vraag stelt zich natuurlijk: wat is oordeelkundig gebruik? We komen er later op terug, maar hier is alvast nog een probleempje: in welke mate is individualisering van het leerproces wenselijk of staat het andere doelstellingen van het onderwijs in de weg?

In 1986 waarschuwde Martin Valcke van het Pedagogisch Laboratorium van de RUG reeds:

"Men vergeet dat je met zo'n ding in de klas ook heel wat problemen in huis haalt. Je haalt gewoon heel je structuur, heel je routine overhoop. Zo'n machine zet de normale verhoudingen in de klas op hun kop. (...) Een efficiënt en zinvol gebruik (...) veronderstelt een heel nieuwe onderwijsstrategie. Zonder de juiste begeleiding moest zo'n gang van zaken bijna slecht aflopen." Die gang van zaken was dat een aantal scholen op eigen houtje computers ging aanschaffen, leerkrachten liet experimenteren en - erger nog - de overheid die pilootprojecten lanceerde, leerkrachten een initiatiecursus gaf, maar achteraf naliet voor degelijke opvolging te zorgen (regelmatige in-service training) of toereikend materieel te verschaffen (zowel hardware als software). Gebrek aan totaalvisie en krappe budgettaire mogelijkheden (of althans prioriteiten die weinig  ruimte lieten) lagen hier aan de basis. Wanneer de overheid en de pedagogische begeleiding geen greep houden op de voortsnellende evolutie is het gevaar dat "de industrie gaat beslissen over de middelen en uiteindelijk dus over de inhoud van het (computer)onderwijs."2


Vandaag, méér dan tien jaar later, moeten we vaststellen dat het allemaal niet zo'n snelle vlucht heeft genomen als sommigen hadden gedacht of gewild. De computer in de klas is een evidentie geworden, maar de functionaliteit ervan is veelal miniem. Veel hangt af van de beschikbare middelen, maar ook nog steeds van het individueel initiatief van directies en leerkrachten. Het gebruik van educatieve software is zeker niet wijdverbreid. Misschien maar goed ook: in "The Cult of Information" merkt Theodore Roszak op dat in '84 slechts 200 van 10.000 onderzochte educatieve programma's enige waarde hadden. Daarenboven is veel educatieve software afgestemd op individueel gebruik en dat veronderstelt dus de aanwezigheid van meerdere machines per klas, wat ook weer problematisch is. Onder het motto 'liever geen computer dan een verkeerd gebruikte' kunnen we misschien nog best tevreden zijn met die vertraagde invoering van de informatica in het basisonderwijs. Een computer die niet alleen onze schaarse middelen, maar ook nog eens de kostbare leertijd van onze kinderen verkwist houden we liever buiten.

3. Maar hij komt! Klaas komt toch!

Heeft men zich ondertussen wel bezonnen over hoe het onderwijs moet voorbereiden op de informatiemaatschappij? Want wat er nu aankomt is toch wel weer van een heel andere orde. Het ziet er naar uit dat de zo bejubelde informatiesnelweg er heel wat minder lang over zal doen om het onderwijs te veroveren. Zo de computer een opdringerige machine was, kon je hem toch nog met een minimum aan gezond verstand in toom houden, je kon hem desnoods buiten spel zetten door hem in een hoek van de klas stof te laten vergaren (wat in veel gevallen ook gebeurd is). Maar deze keer zal het technische wonder zich niet zomaar laten afschepen, hij heeft zijn voet allang tussen de deur, want alle beslissingscentra hebben zich ten volle geëngageerd. Internet en de Supersnelweg zijn slechts de breekijzers waarmee de informatie-industrie greep krijgt op ons onderwijs (zoals ze ook de meest diverse aspecten van ons leven wil gaan beheersen). Meer dan ooit is het dringend dat we ons bezinnen over wat we met dat nieuwe technologisch vernuft willen gaan doen. Hebben we ons tot nog toe wel de juiste vragen gesteld? Moeten we om te beginnen niet terug de vraag stellen waarover het algemeen vormend onderwijs en dan in het bijzonder het basisonderwijs moet gaan? En hangt die vraag ook niet vast aan een algemene maatschappijvisie en de functie van het onderwijs daarin? Hier zitten we natuurlijk terug bij de basis van Freinet. Maar het zal inderdaad in dit licht zijn dat wij over Internet zullen moeten praten. We proberen in een volgende aflevering op sommige van die vragen antwoorden te verzinnen, meer bepaald hoe de computer en de oprukkende beeldcultuur ons denken beïnvloedt.

We willen hier eindigen met een concrete toepassing van de computer in onze Freinet-schooltjes.
Een zwaar onderschat en bijna nergens ten volle uitgebuit potentieel dat zich in de klascomputer schuil houdt is de tekstverwerking. Zeker in een Freinetklas, waar zoveel nadruk gelegd wordt op het zelf schrijven en presenteren van teksten (projectmappen, drukpers), biedt de computer mogelijkheden om die Freinettechniek nieuw leven in te blazen. Alleen mag men vooral niet denken dat het gebruik van de machine op zich voor enige verandering ten goede kan zorgen. Integendeel! Wat Freinet beoogde met het gebruik van de drukpers had vele facetten. In de eerste plaats vormt het  drukken een eindstadium in een heel proces dat door de leerlingen zelf wordt gecontroleerd en dat begint bij de praatrondes en vrije teksten; het is iets waar de leerlingen duidelijk naar toe werken. Dit wil dus zeggen dat ze een werk van langere adem leren voorbereiden en tot een goed einde brengen. Dit proces is daarenboven een groepswerk: samen teksten bespreken, kiezen welke zullen gedrukt worden en eventueel hoe ze samen moeten gebracht worden tot een klasbrochure. Men leert omgaan met de motiverende spanning tussen de eigen, individuele inbreng en het groepsresultaat. Tenslotte brengt het drukken een ambachtelijke precisie bij, de behoefte om een product te verzorgen in al zijn details. Inhoud en vorm dienen elkaar te versterken. Kinderen moeten aandacht hebben voor de opbouw van hun verhaal, voor de zinsconstructie en spelling. Maar ook de illustratie moet met evenveel zorg gemaakt worden. De bladschikking dient bij te dragen tot de leesbaarheid van de tekst. Kinderen leren het belang van dit totaalproces: hun verhaal zal beter ontvangen worden wanneer aan al die details de nodige aandacht werd geschonken. Hun verhaal zal aandachtiger gelezen worden en meer impact hebben op de lezer.

Wanneer men eraan denkt om de computer in de plaats van de oude drukpers te gaan gebruiken, moet men erover waken dat de doelstellingen van het hierboven geschetste totaalproces niet geschaad worden. De tekstverwerker en het lay-out programma hebben, door hun eenvoud in gebruik, de neiging om het presenteren van teksten te reduceren tot enkele relatief gemakkelijke handelingen via het klavier. De bedrieglijke eenvoud van de techniek leidt de aandacht af van de ambachtelijke concentratie die nodig is om de opdracht tot een goed einde te brengen. Wanneer die gevaren ten volle onderkend worden, is het hier wellicht mogelijk om de computer een zinvolle plaats in deze belangrijke Freinettechniek te geven. En eens we zover zijn, dan is het logisch om een volgende stap te zetten en aan het integreren van E-mail en Internet te denken in die andere belangrijke Freinet-techniek, de correspondentie.


1. Op het programmeren met LOGO, toch wel een geval apart, moeten we later misschien toch wel even terugkomen. Waar wordt het nog gebruikt? Heeft iemand daar ervaring mee? Reacties welkom!
2. Martin Valcke in De Morgen van 16 augustus 1986.


Patrick Cohen 
De Harp

 

zaterdag 30 mei 2020

Corona Cronyken deel 5: Amada

Avonturen bij Amada


Deze week las ik in De Morgen het dubbelinterview met Jan Van Duppen en Louis Van Dievel, twee oud-Amadezen van mijn generatie met een herkenbaar verhaal. Niet dat mijn ervaringen identiek zijn maar het bracht me toch terug naar mijn eigen prille passage in die ideologische bubbel. Gelukkig ben ik daar nogal ongeschonden uit gekomen… althans, vind ik zelf. Anderen hebben het toch wel wat lastiger gehad om zichzelf terug te vinden, getuige ook het verhaal in De Morgen.

woensdag 20 mei 2020

Corona Cronycken deel 4


Van Broeck vertrekt maar vat het eerst nog eens samen.

https://krant.demorgen.be/titles/demorgen/7927/publications/941/articles/1140280/8/2
Vraag aan politici die zich weer een beetje hitsig beginnen klaar te maken om deel uit te maken van het nieuwe beleidsvehikel dat rond september zou moeten geïnstalleerd worden. Wat gaan we doen jongens, terug naar het "normaal" van monsterfiles, ongebreideld verkwisten van alle vormen van energie en dan vooral de fossiele en kernvarianten, het verder uitputten van de grondwaterreserves, het verder vergiftigen van de lucht over gans ons grondgebied, mensen verder richting industriële geglobaliseerde voedselproductie duwen zodat we om de paar jaar weer kunnen uitpakken met alweer een nieuwe epidemie in de veeteelt of een sjoemelschandaal in de voederproductie? Gaan we terug naar het normaal van het redden van de economie en de werkgelegenheid, zoals een hoop onder jullie het zo graag voorstellen? Dit terwijl iedereen stilaan begint door te krijgen dat het eigenlijk draait om het redden van een nepeconomie, die universele spilzucht promoot ter vrijwaring van winsten en privileges van de kaste die zich graag de elite waant. Terug naar de op hol geslagen groei-economie met zo nu en dan een crisis, die de boel door elkaar schudt en dus gouden opportuniteiten levert voor de sterkste financiële spelers in de markt maar telkens betaald wordt door diegenen die het zo al moeilijk hebben? Of gaan we eindelijk werk maken van een echte economie: die van de mensen die de samenleving recht houden, dezelfde mensen die er ook nu weer voor zorgen dat we deze virale crisis doorkomen, de solidaire burgers. Al die mensen die zich nu inzetten om hun scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen en bedrijven draaiende te houden, die hun klanten blijven voorzien van het hoogstnoodzakelijke, maar ook iedereen die zich nu zoveel moet ontzeggen en dat ook plichtsbewust volhoudt. Al die mensen verdienen beter dan een terugkeer naar het nepnormaal. Laat nu eens de mensen waar het echt om draait beter uit deze crisis komen in plaats van altijd dezelfde opportunisten.

En ja, dit hangt allemaal vast aan het verhaal van Van Broeck. Echt waar.

zondag 10 mei 2020

Corona Cronycken deel 3


Back to normal!
De roep klinkt steeds luider. De meute staat te dringen. We houden het niet meer uit. Back to wat? Normaal? Wat bedoelen we met normaal ? Ja, ik heb wel vaagweg een idee van hoe een normale samenleving er zou moeten uitzien; van hoe normaal gedrag van volwassen, zelfdenkende, verantwoordelijke burgers –wat wij in een democratie toch allemaal pretenderen te zijn– hoe zulk gedrag er zou moeten uitzien. Is het dat wat we ons voorstellen bij een post-corona realiteit? Normaal, jawel, laten we veronderstellen dat het dat is wat we ermee bedoelen. Elk van ons heeft daar zo’n beetje zijn eigen versie van maar je zou denken dat er toch wel grote lijnen te trekken vallen waarover iedereen het eens is, althans iedereen die een democratische samenleving genegen is. Maar dan wordt dat normaal in één en dezelfde zin geplaatst na de woorden “terug naar”. In mijn hoofd slaat het tilt. Wat betekent dit? Dat de realiteit waarin we leefden tot zo’n 8 weken terug (als ik het goed geteld heb) inderdaad beantwoordde aan dat normaal zoals daarnet geduid? Wie gelooft dat?  Ik wil het niet eens over geopolitiek hebben want daar kan ik met de beste wil van de wereld niets over kwijt dat rijmt op normaal. En vandaag wil ik ook niet kankeren over deze disfunctionerende staatsstructuur die precies in deze crisisdagen de gevolgen van onze tribale identiteitsoorlogen pijnlijk bloot legt. Het absurde wij-zij denken dat er enkel op gericht is om burgers binnen eenzelfde land tegen elkaar op te zetten ten voordele van één bepaalde belangengroep, vertegenwoordigd door een cynische politieke kaste, verdeeld over verschillende partijen. Een wereld die dit normaal vindt is niet de mijne. 

Neen, ik kijk nu even naar ons eigen gedrag, hoe wij ons leven materieel invullen. Wijzelf als burger, als consument en als voogden of beheerders van het leven op deze planeet (want dit is de positie waarin wij ons willens nillens bevinden). Wat me daarin bezig houdt is het volgende. Je hebt aan de ene kant mensen die geen besef hebben, gewoon niet nadenken. Domheid, luiheid of gewoon al op voorhand schrik om met de realiteit geconfronteerd te worden en daar zelf beslissingen in te moeten nemen… “het leven is al gecompliceerd genoeg, laat dat maar aan anderen over.”  Anderzijds zijn er de “après nous le déluge”-cynici, zij die enkel hun eigen directe belangen behartigen zonder scrupules. Ja ze bestaan echt. Je vindt ze in de politiek (gelukkig deugen de meesten, toch ken ik er wel... vul zelf maar in). Ze bevinden zich vooral onder het bijzondere mensenras dat het normaal vindt om elke maand meer te verdienen dan wat de werknemers in hun bedrijf in een heel jaar verdienen. Er zijn de wetenschappers die zich laten omkopen om fakerapporten te produceren (voor de tabaklobby of de chemische en farmaindustrie),… Er zijn er van alle soorten.

Toch ga ik ervan uit dat dit ijskoude cynisme een eerder zeldzame vorm van psychopathie is.  Dat de overgrote meerderheid van onze medeburgers wel degelijk streeft naar een beter leven voor iedereen en daar zijn best voor wil doen. Wat doet ons dan dag aan dag gedragskeuzes maken die zeer duidelijk dat betere leven in de weg staan, meer zelfs, het leven zelf in gevaar brengen? Iedereen weet waarover het gaat. Onze mobiliteitsgewoontes, onze eetgewoontes, onze spilzucht,… Natuurlijk worden heel wat beslissingen met negatieve gevolgen door het beleid genomen zonder dat wij daar vat op hebben maar dat is geen reden om niet kritisch te kijken naar datgene wat we wel degelijk zelf beslissen. Waarom, bijvoorbeeld, gedragen wij ons zo makkelijk als kuddedieren, koopvee? Waarom vernieuwen wij elk seizoen onze garderobe terwijl we nauwelijks gedragen outfits naar de vodden verwijzen? Waarom stouwen wij onze huizen vol met prularia? Prullenjunks kan je toch bezwaarlijk geëmancipeerde burgers noemen. Wat scheelt er met ons? Hoe komt het dat wij vandaag nog altijd keuzes maken die ons totaal afhankelijk maken van het meest rampzalige vervoersysteem dat we hadden kunnen kiezen: de individuele auto? Waarom moeten wij persé vakantie houden op duizenden kilometer van huis en hebben we zelfs niet meer genoeg aan één trektocht per jaar? Zijn onze hoofden zo leeg dat ze zo makkelijk opgevuld kunnen worden door de pushers van de reclame? Kunnen wij echt zelf niet meer uitmaken wat belangrijk is in het leven, wat onze behoeften zijn en laten wij dit dus liever bepalen door de kwasten van het verleidingscirkus die enkel aan winst en macht denken en het echt niet goed voor hebben met ons? Is dit het normaal waar we terug naartoe willen? Als zombies terug naar de Meir, de Nieuwstraat, de Veldstraat,… als zombies trekkend van étalage naar étalage om toch maar te ontdekken wat we ons nu weer kunnen laten opsolferen. 

Het zijn allemaal geen nieuwe vragen. Velen onder ons stellen ze al decennialang. En op veel van die vragen kennen we natuurlijk ook het antwoord. De enige vraag die dan overblijft en die er nu meer dan ooit toe doet is: waarom houdt dit niet op, nu, direct, sofort? Corona heeft alles lamgelegd. Gaan we ons nu weer laten opjutten om de heilige economie “te redden”? Het is niet de economie die moet gered worden, die redt zichzelf wel. Wat ons nu in de strot zal geduwd worden is het redden van de top down gecontroleerde markt die heet vrij te zijn maar dat natuurlijk niet is. Een echt vrije markt kan alleen bestaan als die functioneert volgens regels die niet de sterkste maar de zwakste beschermt, die niet door de grootste spelers bepaald worden maar door de overheid, regels die erop gericht zijn de kloof tussen arm en rijk te dempen, die ervoor zorgen dat iedereen de kans krijgt om aan zijn trekken te komen, ongeacht kleur, gender, waar je geboren bent of wie je ouders zijn. De opportuniteit van Corona, never waste a good crisis,… Zou het kunnen dat we kiezen voor een nieuw normaal? Niet het normaal van de terugkeer dat achter ons ligt maar het normaal dat we ons kunnen verbeelden en waar we al gaande kunnen naartoe werken.
Wel?

woensdag 29 april 2020

Corona Cronycken deel 2


Mijn mailbox wordt nog steeds en doorlopend bestookt met vernietigende commentaren op de manier waarop de overheid de huidige crisis beheert. Dat is ook wel te begrijpen. Wanneer mij zulke oprispingen tijdens burengesprekjes geventileerd worden lijken die me volledig logisch. Mensen krijgen vaak tegengestelde boodschappen of kunnen aangekondigde maatregelen niet meteen plaatsen in hun eigen ervaring en praktijk. Er is ook het snakken naar herstel van normaal. Telkens worden ze teleurgesteld in hun hoop op spoedige terugkeer daar naar toe. 

Natuurlijk dat alle frustratie daarover gericht wordt naar de actoren die geacht worden de zaak aan te pakken en ons te verlossen uit onze sociale isolatie, de voortdurende onzichtbare dreiging voor onszelf en onze geliefden en vooral uit onze knagende onzekerheid. In tijden dat hij geen vat meer heeft op zijn eigen leven verlangt de burger leiderschap en in eenzelfde gedachtegang gaat hij er dan maar van uit dat diegenen die aan het stuur zitten een feilloos parcours rijden; liefst in overeenstemming met hoe hij het zelf zouden aanpakken en in ieder geval kordaat, rechtlijnig, consistent zonder aarzelen. Dat onze verkozenen eigenlijk evenzeer in onzekerheid leven als wijzelf is blijkbaar moeilijk te bevatten en al zeker niet te aanvaarden. De complexiteit van de de beslissingen die moeten genomen worden, rekening houdend met de gevolgen voor de volksgezondheid (op zich al een onoverzichtelijk kluwen van erg verschillende risicogroepen, zorgverstrekkers en –instellingen), de economie en het onderwijs bij elke stap die gezet wordt; dit terwijl er nog altijd een zeer gebrekkige  kennis is van de vijand die ons belaagt. Zijn de genomen maatregelen de veiligste, meest efficiënte, best mogelijke? Wellicht niet, maar we kunnen dat niet weten, zoals de beleidsmakers dat ook niet kunnen weten. The proof of the pudding is in the eating. Het blijft voor een stuk natte vinger werk, niet uit onwil maar de kennis is, zoals gezegd, beperkt. We kunnen maar hopen dat ze altijd gehandeld hebben in eer en geweten. Voor de versoepelingen die nu aangekondigd worden geldt precies hetzelfde. Natuurlijk weet iedereen het beter, alleen weet iedereen het anders beter. Dat schiet niet op. Dat is zo bij de man/vrouw in de straat maar dat is ook zo bij de experten. Toch stel ook ik me vragen bij, om maar iets te noemen, Fase 2 van de exit laten ingaan op 11 mei terwijl alle experten erop hadden gedrukt dat ze 2 weken nodig hadden om fase 1 de volgende stap niet voor 18 mei kon gezet worden. En wat met de stemmen van de mensen op de werkvloer – onderwijs, woon-zorg, geestelijke gezondheidszorg – die de cockpit niet lijken te bereiken?

Speelt een (partij)-politieke, ideologische agenda mee, zoals her en der geroepen wordt? We kunnen dat niet helemaal uitsluiten maar door het aantal mensen dat mee aan tafel zit en elkaar op de vingers kijkt, lijkt het me aannemelijk dat de neiging de crisis te misbruiken om de eigen agenda door te drukken enigszins getemperd wordt. Als alles voorbij is zullen alle politieke beslissingen en hun gevolgen moeten geëvalueerd worden ter lering voor toekomstige situaties. Maar er zal ook gekeken worden wie wat waarom beslist heeft, niet zozeer om individuen op een beklaagdenbankje te zetten dan wel om opportunistische beleidsvoering politiek af te straffen. In de praktijk wordt dat een lastige oefening want tot nu toe houdt iedereen zich gedeisd op dat gebied. Het is vooral de onzichtbare hand van het dominante wereldbeeld over samenleving, arbeid, economie, welzijn dat alles mee stuurt. Wie ga je daarop aanspreken? 
Historische grove nalatigheden, daarentegen, zijn makkelijker aantoonbaar. Het vernietigen van de strategische stock mondmaskers zonder in vervanging te voorzien is anekdotisch maar staat voor de besparingstrend die jarenlang de gezondheidszorg heeft beheerst, vooral op kap van de personeelsomkadering. De fusioneringsdwang in naam van kostenefficiëntie is daar ook een uiting van met als gevolg onoverzichtelijke mastodontbedrijven waarbinnen personeel jaar na jaar onder grotere werkdruk moest functioneren en de zorgbehoevenden terechtkwamen in de aliënerende onpersoonlijke zorgfabriek. Eenzelfde verhalen vallen te rapen in andere “onproductieve” sectoren zoals onderwijs of gevangeniswezen. Ook hier gaan we echter geen schuldigen kunnen aanwijzen omdat alle partijen die de laatste decennia de dienst uitgemaakt hebben in diverse regeringen boter op hun hoofd hebben.  

Tezelfdertijd blijf ik ongerust over de wijze waarop wij met zijn allen richting “normaal” zullen geduwd worden. Eén van de centrale vragen is bijvoorbeeld hoeveel we nog willen opofferen om de zogenaamde vrije markt ter wille te zijn. En dat gaat over zowat alle aspecten van ons leven. Onze aandacht zal onder meer moeten uitgaan naar consumptie, mobiliteit, sociale zekerheid, gezondheid (ook geestelijke gezondheid), voeding en milieu. Complex alweer. Vooral: het gaat om belangen. Objectieve en subjectieve, individuele en universele of maatschappelijke, materiële en psychische, actuele versus lange termijn, mens tegenover andere soorten of natuur. Al die belangen moeten mee in de post corona onderhandelingen. Gaan we dat overlaten aan het beleid van ’t moment of gaan we dat op een universeler niveau aanpakken? Denk je dat die onderhandelingen er zomaar gaan komen? Natuurlijk niet. Dat is wel het laatste wat de heersende machten zullen toelaten. Dan hebben we het in de eerste plaats over de grote geopolitieke spelers: de grootmachten en de multinationals om het simpel te houden. Maar ook het mondiale marktdenken dat zich als heersende overkoepelende religie heeft vastgebetoneerd. De heilige groei. Hoe gaan we dat openbreken? Te complex dus al was het maar omdat diegenen die dat zouden willen, onderling totaal verdeeld zijn.

donderdag 23 april 2020

Corona Cronycken deel 1


Bedenksels vanuit de lock-down
 
Corona lock-down of Covid-19 maatregelen, het doet rare dingen met mensen. Natuurlijk, ons sociaal leven overhoop, ons werkritme totaal ontregeld of gewoon: stekker uit, virusfobie, consumptiehonger, vakantieplannen naar de vaantjes en mensen dichtbij of verderaf die effectief moeten vechten tegen deze verwoestende indringer. ‘t Is allemaal niet van aard om gelukkiger van te worden.
Zelf heb ik daar allemaal weinig last van. In normale tijden zit ik meestal thuis (van kleins af aan heb ik geleerd om mij braaf alleen in stilte bezig te houden). Enige verschil: mijn partner telewerkt nu een dagje meer dan voordien. Ik doe nog altijd dagelijks een wandelingetje in de stad, boodschapjes doen, fotootje maken maar, helaas, zonder koffietje onderweg. Dat laatste maak ik dan thuis wel goed. Gisteren vertelde ik een kennis in de wachtrij voor de slager hoe ik geniet van het herwonnen gevoel dat Gent van ons is. Heel de jaren ’70 en nog een stuk daarna was dat ook echt zo -we owned this city. En hoe heerlijk weinig volk er ook nog rondloopt in Gent, ik ontmoet meer bekenden dan ooit. Meteen interfereerde een derde geïrriteerd vanop anderhalve meter dat ze zot werd van de stilte: “Ik heb volk en drukte nodig,” Ik heb me snel uit de voeten gemaakt want daar kan ik niet tegen op.
Ik heb natuurlijk mooi praten. Voor mensen die nu alle zeilen moeten bijzetten om de boel waar mogelijk draaiende te houden – zorg en onderwijs in de eerste plaats – is het een heel ander verhaal. En voor diegenen die de zeilen noodgedwongen hebben moeten strijken, vooral zij die daarbij niet kunnen terugvallen op een vervangingsinkomen, beleven donkere tijden. Ik ben zelf niet zo’n groepsmens maar de talrijke initiatieven die ontstaan, ook op kleine schaal in mijn omgeving, om mensen een hart onder de riem te steken of om zij die het moeilijk hebben te helpen, zijn hartverwarmend. Een woord dat terecht populair is dezer dagen. 

Ik zit dat zo allemaal vanuit mijn ophokplicht gade te slaan. Ik lees de krant en volg de Radio1 corona-uitzendingen, soms wel een stukje Afspraak op TV 1 en ik maak me nog evenveel kwaad als in business-as-usual-tijden; met wel dit belangrijk verschil: mijn ergernis richt zich veel minder tot de beleidsmakers dan wel tegen zij die daar commentaar op geven. Dat is inderdaad eens wat anders. “Geef toe, wij leven toch in een apenland,” concludeerde een buurvrouw vanochtend, een beetje moedeloos van alles wat fout loopt de laatste tijd. Tja, eerlijk gezegd, ik vind dat we het in de gegeven omstandigheden niet zo slecht doen. En ik zie het in andere landen toch ook niet allemaal zo vlotjes opgelost worden.  Zo was er deze week die Instagramuitschuiver van een muzikant (sic, iedereen mag een mening hebben en deze uiten) die commentaar gaf op het conflict tussen Ben Weyts en de onderwijsvakbonden. Er was door de minister een ballonnetje opgelaten om de kinderen eventueel tot in de laatste week van juni nog wat gemiste leerstof bij te brengen. Het was een denkpiste die leerkrachten vanuit hun praktijk in overweging konden nemen. Omdat de muzikant in kwestie "B.V." voor zijn naam staan heeft werd het geval opgepikt door o.a. Het Nieuwsblad. Door ongelukkige formulering of te snel conclusies trekken werd de indruk gegeven dat net het leger onderwijsmensen, die in de frontlinie het beste van zichzelf geven, hun vakantierechten belangrijker vonden dan hun kinderen. Twee keer nadenken voor je iets opschrijft kan helpen, natuurlijk, maar daar is instatwitter niet voor gemaakt. Het overgrote deel van het leraarskorps heeft de laatste weken ruimschoots bewezen bereid te zijn om te doen wat nodig is voor hun leerlingen, ook als dit alweer uitzonderlijke inspanningen vergt. De vraag of die extra week les ook veel aarde aan de dijk zet, zullen zij zelf best kunnen inschatten. De hele controverse is dus terug te brengen tot de vakbonden die hier de kans gemist hebben om zich even terughoudend op stellen en de reactie op de werkvloer af te wachten. Het no passaran, waarmee ze furieus als een gebeten hond reageerden, helpt niet om de solidariteit te bevorderen waarmee we deze crisis allemaal samen proberen door te komen. Profileringsdrang is een kwalijke ziekte die nogal eens toeslaat bij relevantietwijfel. En wie ’t schoentje past trekke het nog altijd aan.

Ja, ik maak me dus wel eens boos wat niet wegneemt dat ik een positivo in hart en nieren ben en me bijgevolg zelden druk maak. Ik zei het al: ik bekijk dat allemaal zo vanop een afstandje vanachter een mijn zelfgebrouwen kopje Mokabon... van op de zijlijn, zeg maar.
Wat mij vooral bezig houdt is hoe nu al overal koortsachtig gemanoeuvreerd wordt om de miserie waar zovelen onder lijden te gelde te maken. In een aantal gevallen mag je dat letterlijk nemen, maar ik denk in eerste instantie aan the usual suspects uit het cynisch politiek-industrieel complex. Zij die koste wat kost deze opportuniteit om ons te bezinnen over hoe we met deze wereld en met elkaar omgaan en daar nieuwe, duurzamere en rechtvaardiger keuzes in te maken, de kop willen indrukken. Ook hier is het no passaran! Hakken stevig in de grond. Ze  beseffen heel goed dat deze tijden mensen dichter bij elkaar brengen en de oude stammentwisten uitvlakken. Het bijzondere, opbouwende publieke debat van de dag en de solidariteit die de gezamenlijke strijd doet opleven zijn een slechte voedingsbodem voor diegenen die garen spinnen uit onvrede, afgunst en broedertwist. 

Ach, public relations-gewijs en om de volkswoede te ontmijnen zullen er wel wat cosmetische gedoogzaamheden worden afgekondigd. Wat extra investeringen in openbaar vervoer hier en een fietsparking daar, misschien nog een stadsbosje bij en vooral ietwat meer zorg voor de zorgsector, als ze maar niet overdrijven. Maar fundamenteel? Een ander, duurzaam consumptiepatroon? Transitie? Het zal niet gebeuren. Wil je onze economie de genadeslag toebrengen misschien, ons terug katapulteren naar de middeleeuwen? Het is nu ’t moment om alles in te zetten op de relance, onze concurrentiepositie herwinnen en onze oceaandiepe crisisputten te delgen. Andere mobiliteit? Maar dan raak je aan de ruggengraat van onze economie: de auto- en brandstoffenindustrie. Vliegreizen rantsoeneren? Dan gaat ons nationaal luchtvaartsysteem inclusief SN Brussels en Brussels Airport naar de haaien en zijn wij geen speler meer op de wereldmarkt. Duurzame landbouw? Wereldvreemde bioboeren kunnen nooit iedereen voeden en al zeker niet de honger uit de wereld helpen. De argumenten tegen zullen dezelfde blijven, aangevuld met wat gemanipuleer van het psychologisch klimaat dat zich nu ontwikkelt. Wij moeten er ons bewust van zijn dat we nu echt in een wereldwijd sociologisch labo leven en dat die charels (nog altijd dezelfde) dat heel goed aan ’t bekijken zijn om te zien hoe ver ze met de bevolking kunnen gaan. Hoeveel zijn wij bereid te slikken in ruil voor wat meer zekerheid en een paar lekstokken. Trump, Johnson, Erdogan, Orbán lijken schertsfiguren uit een andere wereld, ver van de onze. Maar in een vingerknip kan het onze realiteit worden. Ze staan klaar en crisissen zoals we nu beleven, zijn opportuniteiten die de zaak kunnen doen kantelen in deze of gene richting. Ze staan klaar, we moeten meer dan ooit alert zijn.
En dan de bedrijven die het nu even zwaar te verduren krijgen, zij het dan onder de paraplu van publieke middelen (terecht!). Ik hoor Gwendolyn Rutten strijdvaardig benadrukken dat wij een land van KMO’s zijn die de sterkte van ons land verzekeren. De grote bedrijven overleven dit wel en weten dat ze straks nog eens langs de kassa passeren. Onder de kleintjes wordt het een bloedbad. Precies dat bloedbad is voor de grote spelers dan weer de opportuniteit om ook dat deel van de markt in te pikken. Je zult het zien: schaalvergroting, groei is nu eenmaal de logica van het kapitalistisch systeem. Als mevrouw Rutten het meent dat haar partij die van de kleine en middelgrote ondernemingen is, dat ze daar maar eens tegenin gaat. Benieuwd.

vrijdag 6 december 2019

Auto als moordwapen


Gerelateerde afbeelding


Heb zelf ooit wel eens met zulke idioten te maken gehad die mij blijkbaar als fietser een lesje wouden leren. Da's lang geleden maar 2 weken terug nog net, zag ik een chauffeur uit mijn straat in volle vaart met brullende motor optrekken om 2 fietsende tegenliggers rakelings schrik aan te jagen. Reden? Ze fietsten niet helemaal rechts op de kasseien maar in het midden op een strook asfalt aangezien er daar toch nog ruim voldoende plaats is voor tegenliggers. Doe ik ook soms want de kasseien liggen hier echt wel oneffen. Onmiddellijk na het passeren van de fietsers moest de wagen heel snel afremmen want hij parkeerde amper 25 meter verder in de straat. Dit is wat je krijgt als je de wereld indeelt in "wij" en "zij", zoals hier: dé fietsers versus dé automobilisten.
Ik herinner me nog levendig wie die polarisatie voedde in de aanloop naar het mobiliteitsplan voor Gent en tijdens de verkiezingscampagne die daarop volgde. Je mag 1 keer raden.
Hieronder de column van Saskia de Coster in De Morgen vandemorgen.
En o ja, die razende automobilist was mijn gebuur, die verder anoniem blijft.