vrijdag 5 juni 2015

Kleurkes

Ik zal ze missen: de kleurkes. Maar anderzijds. Kunt ge het u al voorstellen, de historische Rabottorentjes over pakweg... tja, hoelang eigenlijk? Gelijk of da ze bezig zijn weet ik het niet. Allee, volgend jaar zeg maar. Ik kijk er dus ook wel echt naar uit.


zondag 9 december 2012

De economie van het leerproces


Nog een artikel dat in de jaren '90 in De Viervoeter, het tijdschrift van de Gentse Freinetscholen, verscheen. 

De samenleving heeft de neiging alle te taxeren aan de hand van twee eenvoudige vragen: Wat kost het? Wat brengt het op?
Ook het onderwijs moet zich tegenwoordig op deze kinderlijk naïeve wijze legitimeren en het staat goed zulks niet in vraag te stellen want uiteindelijk is de economie de motor van onze samenleving. Ik ga hier dan ook niet in op de economisering van het onderwijs.
De overweging "Wat kost het en wat brengt het op?" met betrekking tot het leerproces is op zich zo gek nog niet.
Uiteindelijk is dit precies de overweging die het kind van in de eerste graad al dan niet bewust maakt.

Wat kost het?

Die vraag lijkt me, wat het kind betreft, tamelijk eenvoudig te beantwoorden. Het kind moet in de loop van het leerproces een aantal inspanningen leveren die te maken hebben met discipline (opletten, luisteren, de serene leersfeer respecteren), doelgericht bezig zijn (tekenen, lezen, rekenen, ...), het functioneren in groep (klassenraad, groepswerk, opnemen van verantwoordelijkheden, ...). Die inspanningen worden samen met de bijbehorende vrijheidsberoving aangevoeld als de kostprijs van het leerproces.

Wat brengt het op?

Tja,... Wàt eigenlijk? Toen ik op de schoolbanken zat, waren er twee strekkingen. De ene stelde botweg dat het erom ging later veel geld te verdienen. De andere wou het ietwat filosofischer voorstellen maar bedoelde min of meer hetzelfde: "opdat je later iemand zou worden" (alsof leerlingen nog niemand zijn). Hoe dan ook werd in beide gevallen "een goed werk" (een vaste en zo mogelijk goed betaalde job) als kern van echt menselijk geluk voorgesteld en dit kon enkel bereikt worden door zegge en schrijve twintig jaar onafgebroken "je best doen" en "hard werken". 20 Jaar!!!
Kunt u zich nog voor de geest halen welke voorstelling u zich bij het horen van dergelijke grootheid maakte? 3 jaar, dat ging nog net: dan kwam je zowat ter hoogte van de planeet Pluto uit. Maar twintig jaar... Het uitspreken alleen had al iets van een bijna-religieuze ervaring. Toch dachten verstandige grote mensen - ouders en leerkrachten - dat ze de kleine Karel wel van het belang van de school zouden kunnen overtuigen door hem "een goed werk" bij wijze van wortel voor de neus te hangen in ruil voor de mooiste jaren van zijn leven.
Da's pas zen!
En naarmate in de loop der jaren steeds duidelijker werd dat de in het vooruitzicht gestelde beloning noch inhoudelijk (een goeie job...?) en helemaal al niet qua timing tot de verbeelding van ons pientere Kareltje sprak, probeerden zijn ouders de motivatie wat op te krikken door etappeprijzen te introduceren (een walkman of een nieuwe fiets voor een goed rapport). Hiermee versterkten ze de overtuiging dat al dat leren en de zogenaamde intellectuele beloning eigenlijk geen fluit intrinsieke waarde hebben. De materiële beloning is wat telt!
Ter vergelijking: Koen Raes ¹ stelt "(...) wie bepaalde activiteiten nog slechts omwille van hun economische (ruil)waarde nastreeft, ontwaardt daardoor de eventuele verdienstelijkheid van zijn handelen, juist omdat hij ze slechts nastreeft omwille van standaarden die extern zijn aan de praktijken waaruit noties van verdienstelijkheid en uitmuntendheid hun betekenis putten."

De wereld verbreden in ruimte en tijd.

U kan denken dat het verhaaltje hierboven karikaturaal bedoeld is, maar ik vrees dat ook vandaag nog een groot deel van de kinderen met waanzinnige argumenten tot leren "verleid" worden. De groteske dimensie komt pas goed tot uiting wanneer geplaatst naast het uitgangspunt dat elk kind eigenlijk zijn eigen motivatiesysteem in zich draagt en dat het volstaat dit te voeden. Richard Anthone en Freddy Mortier ² zeggen hierover: "De opheffing van vervreemding kan alleen worden opgevangen door een intrinsieke motivatie, een motivatie die uit de aandrang van het kind zelf voortkomt en niet van buitenaf is opgelegd in de vorm van dwang. Ervaringen van zinvolheid kan men nu eenmaal niet afdwingen, net zoals men door verkrachting geen liefde kan krijgen".
Daarom vertrekt Freinetonderwijs vanuit de eigen belevingswereld van het kind. Enerzijds omdat de leerinhouden concreter, betekenisvoller worden voor het kind. Maar vooral omdat de ontwikkeling van het kind een proces is dat start met het kind dat de wereld bevraagt vanuit zijn natuurlijke nieuwsgierigheid; de wereld antwoordt en vervolgens treedt bij het kind een gevoel van bevrediging op, wat het dan weer aanzet om nog meer vragen te stellen. In het begin levert dit proces bijna instant resultaten op. De opbrengst is dus onmiddellijk zichtbaar (de materiële of ideële producten van zijn inzet) en vooral voelbaar (de opwinding, de roes, de kick van de intellectuele bevrediging). Naarmate de ontwikkeling vordert wordt alles ingewikkelder en dus het proces (de cyclus) langer. Op die manier leert het kind omgaan met uitstel van behoeftebevrediging van een langer volgehouden inspanning, waarbij de ontlading en het gevoel van bevrediging intenser worden. Zo leert het individu de wereld begrijpen, wordt zijn wereld ruimtelijk groter en kan hij meestal ook grotere tijdsspannes beheersen. Hij leert op natuurlijk wijze lange-termijn-denken - iets waartoe vele volwassenen op dit ogenblik nauwelijks in staat zijn.
Patrick Cohen

¹ Koen Raes "Het Moeilijke Ontmoeten, verhalen van alledaagse zedelijkheid", VUBPRESS 1997.
² Richard Anthone en Freddy Mortier "Socrates Op De Speelplaats, filosoferen met kinderen in de praktijk", ACCO 1997.

zondag 26 november 2006

De school als voorbeeld

Dit artikel verscheen in maart 1998 in De Viervoeter, het tijdschrift van de Gentse Freinetscholen. De Harp is één van die Gentse Freinetscholen waarin ouders zich toen actief bemoeiden met de interne keuken. De aanleiding kan nu anecdotisch lijken, de kern van de probleemstelling -coherentie en consistentie van het beleid op alle niveaus- is nog even actueel.



Naar aanleiding van een discussie in de ouderraad van de Harp over het al dan niet bannen van melkbriks ten voordele van hervulbare glazen flessen (en eventueel kiezen voor niet-industrieel geproduceerde melk) kwamen we tot een verbreding van het thema, namelijk: "welke verantwoordelijkheid draagt de school in het consumptiegedrag van de kinderen en in welke mate is de dagelijkse praktijk consequent met de houding die het onderwijs bij de leerlingen wil overbrengen?"

We stelden bijvoorbeeld de vraag of de school mag tussenkomen in wat ouders in de boekentas van hun kinderen stoppen bij wijze van tien- vier- en soms heel wat andere uurtjes.
Voor de inconsequente praktijk van de school werd gewezen op de jaren aanslepende klacht over de wijze waarop de school verwarmd wordt: de centrale ketel draait op volle toeren omdat sommige lokalen moeilijk te verwarmen zijn. De verouderde radiatoren kunnen niet individueel bijgeregeld of uitgedraaid worden zodat de klassen op de verdiepingen en de grote zaal opwarmen tot saunatemperatuur. De standaardremedie bestaat er sinds jaar en dag in om in de klassen les te geven met open ramen en kokende radiatoren. Alle deuren die uitgeven op de speelplaats en de tussendeuren die een sas vormen worden doorlopend wijdopen vastgezet.
Vooral uit woede over deze laatste gang van zaken maakte ik, bij wijze van inleiding tot de discussie volgende bedenkingen:

Uitgangspunten

  1. De wijze waarop wij nog steeds omgaan met de eindige en schaarse grondstoffen, de levensnoodzakelijke voorraad drinkwater en zuivere lucht leidt vandaag tot zware problemen en morgen tot catastrofes. Daarover zijn alle ernstige wetenschappers het eens.
  2. Het probleem ligt niet bij de anderen, bij de zogenaamde grote vervuilers (fabrieken, multinationals) of de Amerikanen (die per hoofd veel meer verspillen dan wij) of de Russen (die veel onveiliger en vervuilender produceren). Het probleem zijn wijzelf bij elke kans die we laten liggen om onze consumptiedrang in te tomen; in de mate dat we nalaten zorgzaam om te gaan met onze omgeving. Want ons consumptiegedrag is hun vrijgeleide. "Hun" kunt u naar believen invullen met vertegenwoordigers en verdedigers van het Wetenschappelijk - Technologisch - Kapitalistisch produktiemodel.1
  3. De problemen worden mondiaal erkend door duizenden organisaties, regeringen en hun administraties. Ze worden van uit de politiek vertaald in doelstellingen - te ambitieus voor de enen, totaal ontoereikend voor de anderen - met name de Rio Conferentie voor Duurzame Ontwikkeling en Lokale Agenda 21.
  4. Ook onze regering heeft zich geëngageerd voor een duurzaam ontwikkelingsbeleid. Daarenboven krijgt België een aantal verplichtingen opgelegd vanuit de Europese Commissie (o.a. voor het halen van emissiereductie-quota inzake pcb's, zware metalen en dioxines en voor het nemen van maatregelen inzake afvalpreventie en -verwerking).
  5. Zowat alle studies wijzen op het belang van beleidsondersteunende maatregelen in de vorm van educatie en sensibilisering. Zowel Lokale Agenda 21, de Europese Unie als "Leren om te Keren" (de gedetailleerde milieu-analyse annex beleidsplan van de Vlaamse Regering onder redactie van Aviel Verbruggen) wijzen erop dat de actieve betrokkenheid van burgers/consumenten bij het omschakelen naar een duurzame economie onontbeerlijk is. Terzelfdertijd wordt het belang onderstreept van een eenduidig, consistent en duidelijk beleid om het vertrouwen en de medewerking van de bevolking te krijgen. Belangrijk is hierbij de voorbeeldfunctie van de verschillende overheden en hun administraties.
  6. Ook wordt in voornoemde studies steeds gewezen op de belangrijke en evidente rol die de scholen spelen in zowel educatie als sensibilisering. Dit wordt o.a. ook gereflecteerd door het opnemen van die verantwoordelijkheid van het onderwijs in de eindtermen.2
  7. Gezien de maatschappijvisie van waaruit het Freinet-onderwijs vertrekt, waarin kritisch en verantwoordelijk omgaan met de leefomgeving centraal staat, heeft onze school, meer nog dan andere scholen, een verantwoordelijkheid op te nemen.

De school moet een coherente boodschap brengen
Dit betekent dat de wijze waarop ze functioneert consequent moet zijn met de houding die ze de leerlingen probeert bij te brengen.

Het tegenargument luidt dat in het echte leven ook een grote discrepantie heerst tussen voorgehouden ideaal en beleefde werkelijkheid; dat men kinderen maar best zo vlug mogelijk confronteert met die onvolkomen relatie tussen theorie en praktijk. De boodschap die men aldus impliciet naar de kinderen toe brengt is die van het onvoorwaardelijk pragmatisme. Dit is de beste garantie dat de volgende generatie de oude manier van omgaan met waarden en normen zal verder zetten; uiteindelijk dus het bestendigen in de toekomst van de oude politieke cultuur. Dit is waarmee men dan bezig is.
Zijn normen en waarden dan absoluut? Neen we kunnen de kinderen gerust duidelijk maken dat ze cultureel bepaald zijn en dus voortdurend aan kritische evaluatie onderworpen zijn maar terzelfdertijd moeten we ze erbij vertellen dat die evaluatie inhoudt dat je de waarden ernstig neemt, dat ze nooit gratuit zijn en dus waard om voor op te komen. En wie ze uit opportunistische overwegingen opzij schuift, moet ter verantwoording geroepen worden.
Tot in den treure wordt gezegd dat Freinet opvoedt tot kritische, verantwoordelijke en mondige burgers. Dat wil zeggen dat die kinderen precies in staat moeten zijn om zich verantwoordelijk te voelen voor de wereld waarin ze leven, in staat zijn om maatschappelijke situaties te analyseren en te evalueren, eventueel fouten of verkeerde keuzen kunnen detecteren en zich gesterkt voelen om zelf te handelen om situaties in hun eigen leven of in hun wijdere leefwereld in de hand te nemen.
De pragmatische boodschap van hierboven, die daartegenover staat, leidt enkel tot nabootsing van de opportunistische houding of tot nihilisme tout court.
Mocht blijken dat het Freinet-onderwijs in Gent daar niet over gaat, dan zal ik moeten erkennen dat ik me van school vergist heb. En dan kunnen we nu praten over melkbriks versus flessen, gezonde voeding op school en snoepgewoontes in de klas, verantwoord energiegebruik, mobiliteitsgedrag van ouders en teamleden... u zegt het maar.
Een eerste resultaat van de discussie die hierop volgde: er vertrok meteen een door iedereen ondertekende brief om de verwarmingsproblemen van de school toe te lichten aan mevrouw Moerman, onze onderwijsschepen.

pc


(1) Cfr. "De Ogen van de Panda", Etienne Vermeersch. 1988, Uitgeverij Marc Van de Wiele, ISBN 90-6966-034-2.
(2) De Dienst Leefmilieu van de Stad Gent is ter vervanging van de ietwat voorbijgestreefde Kroonkurken-actie, begonnen met het opstarten van ecoteams in de scholen. De scholen die hiervoor inschrijven worden logistiek gesteund met lesmateriaal, meetinstrumenten, werkbladen om meetresultaten bij te houden en andere materialen (bv. gratis compostvaten). Dit eerste jaar wordt specifiek gewerkt rond water en afval. Het aanbod sluit aan bij de eindtermen. Voor meer inlichtingen kan u terecht op het secretariaat van uw school of bij Sabine Van Lancker van de Dienst Leefmilieu op nummer 239.43.11



Copyright © De Viervoeter maart 1998.

dinsdag 21 november 2006

De Post-publieke Postenquête

Ik stam nog uit de tijd dat verantwoord ouderschap betekende dat je daags na de geboorte van een nieuw gezinslid op naam van de kleine een spaarboekje opende bij de Algemene Spaar- en LijfrenteKas, de ASLK. Bij ons heette dat “het spaarboekske van de Post”, een belangrijke perifrase omdat ze ons vertrouwen in dat instituut uitdrukte. Elke frank die op het spaarboekje werd gezet was een solide investering in de toekomst van het kind want de spaarkas van de post was van de staat –van ons dus. Het gaf dan wel geen bijzonder hoge rente, het bood wel zekerheid; de toekomst van een peuter gooide je niet zomaar te grabbel aan de willekeur van de privé. Bij mijn generatie is de woede om de lepe (want in schuifkes) uitverkoop van de ASLK aan Fortis dan ook nog niet helemaal bekoeld. Dat de socialisten hiervoor verantwoordelijk waren (neen, dat hebben we niet vergeten) is niet van aard de bitterheid daarover te verzachten.
Nu goed, wij zijn geen achteromkijkers en dus willen we best datgene koesteren wat we wel nog hebben, want daarop bouwen we nog altijd onze toekomst en (vooral) die van onze kinderen. De Post, dus.
Als bij ons thuis een omslag van Citybank binnenkomt, wat veel te vaak gebeurt, dan wordt die doorgaans ongelezen voorgesorteerd in de papierdoos. Als de postbode enkele dagen terug een grote bruine omslag met het logo van De Post (onze Post !) in de bus duwt, dan overvalt ons –het is sterker dan onszelf–­­­­ een gevoel van voornaamheid. Post van de Post ! De Post denkt aan ons. Naïef als we zijn merken wij de hoofding “Select Post” niet op en voelen dus geen nattigheid.
Wij openen de omslag omzichtig en halen een pak papier tevoorschijn om u tegen te zeggen. Vooraan de begeleidende brief met als grote titel: “Selecteer zelf de post die u wilt”. Onderaan, naast het logo van De Post op een rood vlak: “Uw medewerking is belangrijk.” De tekst van de brief zelf leest ook al veel belovend: “Mevrouw, mijnheer, Heerlijk is het om post te krijgen, maar dan wel brieven die u echt wilt, met informatie waar u wat aan heeft en zonder overbodige papieren…” De nieuwe dienst van De Post, Select Post, is er blijkbaar enkel en alleen om mij te helpen rommel uit mijn brievenbus te houden, begrijp ik, en alles wat nodig is om dit te bewerkstelligen is bijgaande vragenlijst in te vullen.
Gretig (ik sla de rest van de brief over… ’t mag wel vooruit gaan!) neem ik onmiddellijk die vragenlijst ter hand: 12 bladzijden! Twaalf bladzijden lijkt me wel wat veel om me van alle opdringerige postverkopers te verlossen, maar voor wat hoort wat en, vooral, ik wordt aangemoedigd door het opvallende moto van de lijst (groot wit op rood vlak): “Help ons u te helpen”. Zo kennen we de post, niettegenstaande alle doemberichten over herstructureringen en privatisering is onze post er toch nog voor ons, de burger. Daarenboven verzekeren de instructies me: “het invullen van deze vragenlijst zal niet meer dan enkele minuten van uw tijd innemen en zal u de mogelijkheid geven om uw stem te laten horen.” Dat klinkt als een regelrechte uitoefening van mijn democratische rechten. Maar dan herinnert een detail ons alsnog dat die gedeeltelijke privatisering goed onderweg is: onder diezelfde rubriek Instructies lezen we:
“Select Post is een initiatief van De Post NV van Publiek Recht. De woord- en beeldmerken “De Post” die op de vragenlijst verschijnen zijn beschermde merken die eigendom zijn van De Post NV van Publiek Recht.”
Dat weten we al 6 jaar, hou ik me voor, dus gaan we verder. Op bladzijde 2 alweer een aanmoedigingsbrief. Is dat niet een beetje veel van het goede? Stéphanie Dubois, die ook al de begeleidende brief ondertekende, wil mij zelf “persoonlijk bedanken voor de belangstelling die u betoont voor Select Post. Dit innovatieve project kan immers enkel slagen indien we onze krachten bundelen.” Ik begin echt een akelig gevoel te krijgen: ik heb helemaal geen belangstelling betoond, toch niet tov mevrouw Dubois. Dergelijk geslijm ken ik natuurlijk van de meest ergerlijke direct mail brieven maar een brief van De Post die me daar precies wil van verlossen… Een gedegen publieke instelling hoeft niet zo te slijmen.
Ik negeer mijn voorgevoel en begin aan het eerste invulhoofdstuk: A. Voor welke soort post heeft u interesse? Vreemd, waarom had ik verwacht dat de eerste vraag zou zijn: Wil u in de toekomst nog publicitaire post ontvangen ?
Toch begin ik met volle moed de lijst in te vullen. Een 80-tal items worden me in 7 rubrieken voorgesteld. Onder diensten in de nabijheid van uw woonplaats vind ik onder meer: autoverhuur, discotheek, fastfood en taalcursussen. De rubriek voor kinderen bevat o.m.: boeken, computerspelletjes, sportactiviteiten en stages. De andere rubrieken zijn: woning, kledij/accessoires, verzamelingen, boeken en liefdadigheidswerken.
Elk van de items kruis ik geduldig aan in de neen-kolom. Ik begin te vrezen voor die enkele minuten van mijn tijd, maar stap dapper over naar de veelbelovend betitelde rubriek B. Uw Mening. Hier gaan we eens duidelijk maken wat ik van direct mailing denk!
Aan de hand van uw antwoorden op de volgende vragen leren de klantbedrijven van Select Post u beter kennen en krijgen ze een inzicht in uw aankoopgewoontes…
Op slag ben ik ontnuchterd. Ik herken deze formulering: dit is platte survey-taal. Woede maakt zich van mij meester. Ik voel me opgelicht. Toch lees ik verder en, jawel hoor, hier wordt me gevraagd mijn hele privéleven, voor zover dit enigszins in consumptiegedrag kan vertaald worden, prijs te geven. Dat slijmerig familiare toontje van mevrouw Dubois had geen ander doel dan mij en mijn gezin (het staat er letterlijk, rood geaccentueerd: “Gelieve voor het hele gezin te antwoorden”) te transformeren in een stuk statistiek en dan weer te personaliseren in gerichte huisvredebreuk, gelegitimeerd door achterbaks verkregen toestemming, .
U gelooft het niet? Ik overdrijf? Zal ik nog even citeren? Natuurlijk, u vraagt er naar!
We zitten nog altijd in de rubriek uw mening, de stellingen zijn telkens te beantwoorden met: helemaal akkoord, akkoord, geen mening, niet akkoord of helemaal niet akkoord (zelf ben ik hier wel gestopt met invullen). Een greep, hier gaan we:
♦ ik kom vaak thuis met producten waarvan ik niet de intentie had ze te kopen
♦ ik wil best meer betalen voor milieuvriendelijke producten
♦ ik heb over het algemeen geld over op het einde van de maand
♦ ik heb er geen moeite mee om zaken waarin ik nu zin in heb op krediet te kopen
♦ ik loop liever het risico schade, diefstal of verlies te lijden dan te veel te betalen voor een verzekering die ik misschien nooit nodig heb
♦ ik heb voldoende geld opzij gezet om te kunnen genieten van een comfortabel pensioen
♦ ik vind het belangrijk dat ik steeds gekleed ben volgens de laatste nieuwe mode
♦ ik koop vooral gezonde producten, ik lees de etiketten
Ons huis van vertrouwen -jawel dit is nog steeds- De Post, is hiermee goed op dreef en wil vervolgens mijn vrijetijdsbesteding doorgronden. Welke zijn mijn hobby’s, welke sporten beoefen ik, wat zijn mijn muzikale interesses, welke video’s/dvd’s interesseren me, hoe vaak doe ik/mijn partner aan sporten, films huren of zakenreizen maken.
Reizen en vakanties vormen dan nog eens een aparte rubriek. Hoe vaak per jaar ga ik op vakantie en wanneer ? Hoe ? Hoeveel besteed ik per reis en waar gaat mijn volgende vakantie heen?
Daarmee zitten we nog maar aan blz. 4… nog 8 te gaan!
Het verbaast me al niet meer: de volgende rubriek kopt: “E. Uw welzijn en schoonheid”. Of toch, het verwondert me dat er niet staat “Wellness & Beauty”. Aromatherapie, feng shui, make-over (lichaamsverbouwingen, begrijp ik), make-up, vermageringsdiëten,… het hele gamma passeert de revue. Ook of ik een poging wil doen om te stoppen met roken wil onze Post van me weten, welk assortiment cosmeticaproducten ik gebruik (droge, gemengde, gevoelige of vette huid) en of ik regelmatig mijn tijd verdoe in gym- en fitnesszalen, kapsalons, schoonheidsinstituten of zonnebankcentra.
Ik begin het stilaan op te vatten als grap. En het houdt niet op: we belanden bij de rubriek verplaatsingen. “Na uw woning, nemen uw wagen en uw verplaatsingen een groot deel van uw uitgaven in beslag,…”, wordt ik ingeleid. Tja, als mevrouw Dubois het zegt. De eerste vraag luidt dan ook “met welke wagen rijdt u?” en niet “heeft u een wagen?”. En dan moet ik een hoop details over mijn eerste én over mijn tweede wagen geven. Mijn derde wagen interesseert ze dan weer niet meer. Vanuit het absurde ben ik ei zo na gecharmeerd door de 10de vraag: “Zou u bereid zijn om alternatieve oplossingen te overwegen voor uw verplaatsingen?”
Ik ga er wat sneller overheen. Na grondig over mijn mediagebruik ondervraagd te zijn wordt ik op mijn aankoopgedrag geturfd en daarbij gaat het in de eerste plaats weer over welke wagen ik eventueel overweeg te kopen. Daarna volgen mijn interesse in leningen (hypotheek, persoonlijk, auto, andere), voor de aankoop van een woning, overweeg ik een renovatie (tuin, terras, badkamer, behangen, garagedeur,…). Veel belang wordt ook gehecht aan mijn favoriete winkels. Het begint specifiek te worden want ik krijg een hele lijst ketenwinkels voorgeschoteld om aan te kruisen. Vreemd: nergens wordt verondersteld dat ik wel eens klant bij de onafhankelijke winkelier zou kunnen zijn (tja, dat zijn dan ook geen grote direct-mailing klanten). Er wordt gevraagd naar mijn kredietkaarten, mijn lopende kredieten en hoe ik bankier. Tussendoor, mine de rien: “Hoe vaak komt u in een Postkantoor?”
Met het hoofdstukje postorderverkoop zitten ze dan helemaal op eigen terrein. Hoeveel keer, wat, bij wie… Aansluitend mag ik aankruisen welke promoties ik in mijn brievenbus wens te ontvangen (reizen, vrije tijd, geld en beleggingen, financiële diensten,…). Volgen dan nog vragen over mijn woning, mijn abonnementen (EGW, telefoon, internet) en hoeveel bedragen mijn maandelijkse facturen.
Op pagina 10 wordt me naar mijn gezinssituatie gevraagd, moet ik volledige gegevens (naam, geboortedatum) van mijn partner en kinder(en) geven, mijn beroepssituatie, mijn studieniveau, mijn emailadres. En daarmee is het survey-gedeelte afgerond. De laatste twee bladzijden zijn dan voorbehouden aan een 15-tal bedrijfsadvertenties, dat zijn partners in deze mailing waaraan je rechtstreeks zelf om mailings kunt vragen.
Een ongevraagde mail zenden om de burger er op slinkse wijze van te overtuigen zijn brievenbus open te zetten voor ongevraagde mailings… Nee, erger nog, hem op bedrieglijke wijze zelf ongewenste mail laten aanvragen, dat is toch wel de omgekeerde wereld en zeker een huis van vertrouwen niet waardig. En dan heb ik het nog niet eens over de schending van de privacy via vragen die schaamteloos diep in de privésfeer graven.
De verbolgen burger kan natuurlijk op meerdere wijzen reageren. Ofwel trekt hij de conclusie dat de post inderdaad verkocht is en een plat-commercieel bedrijf als elk ander is geworden. En dus maakt het ook niet meer uit wat er verder mee gebeurt: “laat ze maar verder uitverkopen aan de Deense post of wie dan ook, ’t zal ons een rotzorg zijn.“
Anderzijds biedt de post tot op vandaag nog steeds een unieke dienstverlening die een kernfunctie speelt in het onderhoud van wat wij het sociaal weefsel noemen. Voor vele mensen is het corresponderen per brief nog steeds een belangrijk communicatiemiddel. Voor vele ouderen is het persoonlijk contact met de postbode een belangrijk focusmoment in hun beperkt sociaal verkeer. In een tijd dat het dagelijks gebruik van giraal geld bijna onvermijdelijk is geworden, vormen de stijgende kosten die met het houden en het gebruik van een bankrekening gepaard gaan, een (zoveelste) handicap voor de zwakste groepen.
Die unieke rol die de Post in het goed functioneren van onze samenleving speelt is cruciaal en kan niet worden vermarkt. Delen van die dienstverlening zijn niet rendabel en zijn dat steeds minder want de nieuwe communicatiemiddelen hebben het volume van de traditionele postactiviteiten (vooral de brievenpost) fel aangetast, wat de kostprijs natuurlijk de hoogte injaagt. De niet rendabele niches die de post dient te bedienen, kunnen slechts verzekerd worden mits financiering via meer winstgevende activiteiten en precies dat wordt politiek steeds moeilijker gemaakt om louter ideologische redenen (het openbreken van de markt waarin de post actief is). Naarmate de Post de winstgevende activiteiten uit handen moet geven in de ongelijke strijd met de privé-ondernemingen, wordt het een hele heksentoer om nog voldoende fondsen te genereren om zijn opdrachten te vervullen. De liberalisering van de Europese postdiensten in 2009 beloven op dit gebied de totale afbraak.
Bovenstaand direct mailing-verhaal is blijkbaar een gevolg van het creatieve denken van de in het nauw gedreven Post om nieuwe winstgevende activiteiten te genereren. Creatief denken? Paniekdenken! Kromdenken, ja! Burgers oplichten om ze beter te bedienen is zo contradictorisch dat het de levensvatbaarheid van het instituut enkel verder in gevaar brengt. Want zonder vertrouwen van de burger geen Post!
Red de Post! Laat hen weten wat je van dit soort praktijken denkt!
Steek de Post een hart onder de riem. Laat de overheid weten dat de Post niet verder mag uitgeleverd worden aan de wilde concurrentie van neoliberaal Europa want anders zal het creatief kromdenken verder escaleren.
Patrick Cohen


Wil je geen junkmail meer in je bus? Registreer je dan op de Robinsonlijst die in de mailing van Select Post onopvallend aan het eind van de begeleidende folder vermeld wordt (zover lezen de meeste mensen uiteraard niet). Of dit systeem waterdicht is zal nog moeten blijken, maar het kan helpen en is stukken transparanter en makkelijker dan het doorworstelen van de enquête.

dinsdag 14 juni 2005

Genetisch Gewijzigde Organismen (GGO’s) een ideologisch standpunt

Discussietekst Attac Vlaanderen in een poging het GGO-standpunt zoals het in het 8‑puntenprogramma staat te motiveren.

Uitgangspunt voor deze tekst is een poging om vooral op de economische en politieke rol te wijzen die ggo’s spelen. De milieu- en gezondheidsaspecten worden al voldoende door andere groepen belicht (greenpeace, foe, wervel,…) en dit leidt niet zelden tot believers en non-believers-debatten waar het publiek weinig aan heeft. De leek houdt er, zoals zo vaak, enkel de indruk aan over dat wetenschappers het onderling grondig oneens zijn, dat er dus geen zinnige keuzes kunnen gemaakt worden. Het lijkt wel alsof er op louter emotionele basis kamp gekozen wordt. In deze situatie kan het verhelderend werken om te wijzen op de context waarin de ontwikkelingen plaatsgrijpen en welke belangen ze sturen.

Deze tekst moet ook gelezen worden in relatie tot onze kritiek op productivistische landbouw (zie een vorig artikel: Boeren en Globalisering) en moet een vervolg krijgen met een principiële stellingname over patentrechten op levende organismen. Tezelfdertijd wil ik voldoende elementen inbrengen om verwijten te ontkrachten als zouden we tegen de vooruitgang zijn of een dogmatisch anti-multinationalstandpunt aanhouden. Uiteindelijk moet duidelijk worden dat we voor elk onderzoek zijn, maar tegen onverantwoorde commercialisering onder druk van het hegemonisch vrijemarktprincipe.

Patrick Cohen

 

De controverse over GGO’s is zo oud als het onderzoek naar de mogelijkheid om rechtstreeks in te grijpen in de genetische codering van planten en dieren zelf. Dit onderzoek wordt gevoerd hetzij om interessante eigenschappen in te brengen, hetzij om bepaalde “defecten” te elimineren of nog om de productie van vervangstukken voor het menselijk lichaam te faciliteren.

Argumenten die de verdere ontwikkelingen in dit onderzoek aanmoedigen en eventueel aansturen op het snel aanwenden van deze technologie voor praktische toepassingen zijn zowel van economische, medische, ethische als ecologische aard. De contra-indicaties beroepen zich op argumenten binnen precies dezelfde categorieën. Eigenlijk zou je een balansstaat kunnen opmaken op basis van deze rubricering met links alle pro- en rechts alle contra-argumenten: het geheel zou er, met wat goede wil, erg evenwichtig kunnen uitzien –althans voor wat de kwantiteit betreft. Wanneer het erop aankomt echte afwegingen te maken, dan blijkt algauw dat de scheidingslijn bepaald wordt door prioriteiten die sterk ideologisch gestuurd worden. Dit wil zeggen dat de keuzes in de eerste plaats afhangen van de vraag naar het soort samenleving waarin we willen leven en in de tweede plaats de vraag naar de wijze waarop we dergelijke samenleving kunnen organiseren – ethische en politieke keuzes, zeg maar. 

Deze vaststelling wordt door minstens één partij in de discussie in alle toonaarden ontkend: de tandem wetenschap/industrie die er alle belang bij heeft om het onderzoek ongehinderd tot snelle valorisatie te brengen. Zij beweren bij hoog en bij laag dat de maatschappelijke discussie van hun kant neutraal, zuiver wetenschappelijk wordt gevoerd, dat hun commerciële belangen steeds aan ethische en wetenschappelijke regels worden getoetst. Wie echter kijkt naar de wijze waarop het spel gespeeld wordt, ziet dat de realiteit heel anders oogt.

Een beetje genetica

Het argument dat genetische manipulatie niets anders is dan het doelgericht nabootsen van wat de natuur al miljoenen jaren zelf doet lekt alvast aan alle kanten en is een ronduit demagogische truc van een industrie en de daaraan gelieerde wetenschappers die hun winsten, resp. sponsoring willen veilig stellen.

Uiteraard ligt genetische modificatie aan de basis van de evolutie van organismen naar steeds complexere en/of beter aangepaste soorten en variëteiten. Deze wijzigingen in de genetische codering ontstaat door foutjes bij het kopiëren van de eiwitstrengen waaruit de genen zijn opgebouwd. Het is waar dat dergelijke fouten zich aan de lopende band voordoen. Heel wat van deze fouten zijn fataal voor de ontwikkeling van het organisme en verdwijnen dus vanzelf; andere leiden tot een op zich levensvatbare mutatie maar bieden deze geen comparatief voordeel in de competitie van soorten in een bepaalde omgeving en verdwijnen ook. Nog andere weten zich eveneens te bestendigen in volgende generaties, maar komen wegens recessiviteit niet tot expressie. Uiteindelijk is een succesvolle mutatie een relatief hoogst uitzonderlijke gebeurtenis.

Toch leidt het succes van een nieuwe soort of variant niet zelden tot een ramp, denk maar aan virale en bacteriële epidemies of aan insectenplagen. Omdat de natuur echter rekent met grote getallen en over zeer lange tijdsspannen, evolueren gedestabiliseerde systemen uiteindelijk toch weer naar nieuwe evenwichten. Dit is de zelfherstellende kracht van een natuurlijk systeem. Kunstmatig aangebrachte genetische modificatie is echter van een heel andere orde. Daar waar een mutant, alvorens zich te kunnen bestendigen en een plaats te veroveren in een bepaalde biotoop, door de omgeving voortdurend aan overlevingstesten wordt onderworpen, neemt de mens die testrol van de natuur over en verhindert dat de mutant vanzelf verdwijnt. Men laat niet zomaar een specimen los in de natuur om te zien of het zich verder weet te ontwikkelen, maar gaat de nieuwe variant massaal produceren. Het gevolg is dat, wanneer de introductie van een nieuwe bacterie of plant aanleiding geeft tot ongewenste neveneffecten of zelfs schadelijke kettingreacties het erg moeilijk wordt –misschien onmogelijk– om deze effecten onder controle te houden.

Waarin verschilt deze situatie van de klassieke gewasveredeling waarbij hybride zaden bekomen worden door selectie van de beste specimen binnen een soort en het kruisen van kweekvariëteiten met bijvoorbeeld wilde om tot economisch interessante eigenschappen te komen? Wel, de klassieke methode wordt beperkt door de wetten van de natuur: er kan slechts genenuitwisseling gebeuren tussen kruisbare variëteiten. Natuurlijk kunnen ook daar problemen ontstaan, maar men blijft op bekend terrein want het genetisch materiaal is nagenoeg identiek met het origineel. Eigenlijk stuurt en versnelt men een ontwikkeling die in theorie ook zou kunnen plaatsgrijpen in de vrije natuur.

Genetic engineering introduceert soortvreemd genenmateriaal om nieuwe eigenschappen aan planten toe te voegen. De effecten van dergelijke ingreep kunnen problematischer zijn.

Het schisma in de wetenschap

Aangezien één enkel gen kan coderen voor verschillende eigenschappen en één eigenschap slechts tot expressie kan gebracht worden door een gecombineerde aanwezigheid van verschillende genen, wijzen wetenschappers op gevaren van het, samen met gewenste eigenschappen, introduceren van ongewenste of zelfs schadelijke eigenschappen. Wanneer gevaarlijke eigenschappen tot uiting komen in de labofase van de ontwikkeling is er geen probleem: de productie kan stilgelegd worden. Maar problematische eigenschappen kunnen een verborgen leven leiden en slechts tot uiting komen bij zeer specifieke omgevingsfactoren. Op dat moment kan de verspreiding al zo massaal plaatsgevonden hebben dat rampen niet uitgesloten zijn.

Andere gevaren die door wetenschappers worden genoemd zijn de mogelijke contaminatie van wilde variëteiten in de vrije natuur of van niet-GG gewassen op naburige velden. Zulke effecten worden nu reeds regelmatig vastgesteld. Volgens GGO-kritische wetenschappers kan dergelijke contaminatie zich bestendigen bij reproductie van de aangetaste planten. GGO-verdedigers beweren dat de gecontamineerde planten in de vrije natuur sowieso al weinig kans maken om deze genetische wijziging te overleven omdat de gemodificeerde plant werd ontworpen om te gedijen in een zeer specifieke, gecontroleerde omgeving. Wanneer ze toch overleven, verdwijnt de eigenschap in ieder geval bij een volgende generatie.

Dit leidt dan weer tot de vraag naar de verschraling van de biodiversiteit als gevolg van de introductie van steeds meer natuurvreemde genen in de vrije natuur. Indien de sceptici gelijk hebben en bepaalde mutaties gaan een “wild leven” leiden, zou het dan niet kunnen dat er superplanten ontstaan die andere planten verdringen en met hen een hele biotoop van planten en dieren? Maar zelfs als wetenschapsoptimisten gelijk hebben en dergelijke verspreiding met verstrekkende gevolgen zeer onwaarschijnlijk is, dan nog krijg je in de wereldlandbouwproductie een drastische verschraling van beschikbare gewassen voor onze voeding. Daarover verder meer.

Ook over de mogelijke toxische eigenschappen voor mens en dier zijn de wetenschappers het allesbehalve eens.

Het is dus voor iedereen duidelijk dat bij de toepassing van dergelijke ingrijpende technieken uiterste voorzichtigheid geboden is. Dit is ook de reden waarom nationale en internationale overheden de ontwikkeling ervan aan strenge regels onderwerpt. Ook de bedrijven die in de GGO-sector opereren kunnen moeilijk anders dan zich bij deze gang van zaken neerleggen, alleen zullen zij natuurlijk altijd vinden dat de opgelegde regels veel te streng zijn. Logisch ook, gezien de gigantische belangen die met onderzoek en ontwikkeling van GGO-technieken gepaard gaan. Maar voor we op die belangen ingaan, laten we eerst even terugblikken op de oorsprong van de genetische manipulatie.

De pioniers

Het genetisch onderzoek zoals wij dat nu kennen vangt aan op het moment dat onderzoekers Francis Crick en James Watson in 1953 in het tijdschrift Nature hun dubbele helixmodel van DNA publiceren. Met hun ontdekking (en dat van hun collega’s) komt de ontrafeling van de codering van het leven zelf binnen bereik van het wetenschappelijk onderzoek, 10 jaar later zouden ze er trouwens de Nobelprijs voor krijgen. Algauw start een soort wedstrijd voor de decodering van bepaalde eiwitstrengen tot specifieke eigenschappen, een wedloop die vooral in de jaren ’80 en ’90 op volle toeren draait en uiteindelijk zal leiden tot het in kaart brengen van het menselijk genoom.

Al van bij het begin droomden visionaire wetenschappers van de mogelijkheid om doelgericht in te grijpen in de genetische sequenties. Als praktische toepassing dacht men uiteraard al snel aan het herstellen van defecte genen die verantwoordelijk zijn voor een aantal erfelijke ziektes bij de mens. Maar ook de veredeling van gewassen en fokdieren via genmanipulatie kwam spoedig in beeld.

Twee van die visionaire wetenschappers waren Marc Van Montagu en Jeff Schell van het laboratorium voor Algemene Genetica aan de Universiteit Gent, die zich in de jaren ’70 op dit onderzoek hadden gestort: de start van een ongekend succesverhaal. Van Montagu en Schell slaagden er begin jaren ‘80 in een techniek te ontwikkelen om, middels agrobacteria, de celstructuur van planten te wijzigen. In het Vlaanderen dat toen zijn “Derde Industriële Revolutie”-euforie beleefde, was de tijd rijp voor verzelfstandiging buiten de universiteit van het onderzoek: Plant Genetic Systems bracht Van Montagus succes naar de markt.

Het zetten van deze stap is logisch en heeft op zich niets oneerbaars. Bedoeling is het op gang brengen van een proces waarbij het onderzoek leidt tot de ontwikkeling van commercialiseerbare technologie waarvan de opbrengsten het onderzoek verder kunnen financieren. Het resultaat bij het sluiten van de cirkel is versnelde technologische ontwikkeling en economische groei. Wanneer we er zeker zouden van zijn dat het voorzorgsprincipe[1] altijd zou gelden, dat over het in productie nemen van een genetisch gewijzigd gewas (GGG) in laatste instantie zou beslist worden door een onafhankelijk agentschap onder de vleugels van de VN (UNESCO?), dat zou garanderen dat alle mogelijke gevaren op ecologisch en medisch gebied grondig onderzocht worden en dat het product enkel een fiat krijgt wanneer het aan een reeks eco-sociale normen beantwoordt, zouden we hiermee kunnen leven.

De realiteit ziet er echter heel anders uit want de geopolitieke en economische context waarin deze ontwikkelingen plaatsvinden geven aanleiding tot grote bezorgdheid bij een groot deel van de burgers overal ter wereld, zelfs bij velen die het GGO-onderzoek op zich niet ongenegen zijn. Om deze bezorgdheid te begrijpen moeten we even kijken welke belangen  op het debat wegen.

Wie zijn de spelers?

Zoals reeds gesuggereerd wordt het genetisch onderzoek volledig gedomineerd door de agro-industrie. Zelf spreken ze in verband met hun ggo-activiteiten liever van “life-sciences”. Monsanto, DuPont, Hoechst, Novartis, Zeneca, Bayer zijn de bedrijven die algauw het potentieel van Genetic Engineering inzagen.

De bewering dat de GGO-techniek onze enige hoop is om de honger uit de wereld te helpen berust volledig op de mythe van het hongerprobleem als te bestrijden natuurfenomeen. Ontwikkelingsorganisaties wijzen al jaren op het feit dat het overgrote deel van de wereldbevolking zich nog steeds voedt met producten uit familiale landbouw en dat deze productiewijze perfect in staat is om aan alle behoeften te voldoen. Honger in de wereld is het gevolg van de oneerlijke verdeling van de wereldvoedselproductie, het inpalmen van vruchtbare landbouwgronden die oorspronkelijk de lokale bevolkingen voedden voor de productie van cashcrops voor de internationale markten, de vernietiging van de traditionele landbouwgemeenschappen door de agro-industrie. Laten we het uitroepen tot ze er horendol van worden: “Honger is een keuze!”, niet van de slachtoffers, maar van diegenen die honger in de wereld nodig hebben om hun systeem in stand te houden. Honger is de keuze voor winst boven het welzijn van mensen. Voor deze perverse mechanismen blijft de GGO-lobby doof en ze wil al zeker niet erkennen dat de GGG’s een rol spelen in de verovering van de wereldvoedselproductie door de agro-industrie. Ook zogenaamd kritische wetenschappers die het onethische gedrag van de agro- en voedings-multinationals veroordelen, blijven wijzen op de neutraliteit van de technologie an sich. De theorie is dat de problemen van de globalisering samenhangen met het kapitalisme en dat de ontwikkeling van ggo-technieken daar niets aan verandert.

In de praktijk zien we echter dat het precies de hoofdspelers van de agro-industrie zijn die massaal investeren in de ontwikkeling en het snel in productie brengen van nieuwe GGG’s. Zij zorgen enerzijds voor de ontwikkeling van de technologie, maar willen uiteraard een snelle ”return on investment”, wat hen ertoe aanzet testfases tot een minimum te beperken en negatieve effecten met klem te ontkennen. Hun genetisch onderzoek stelt hen in staat om patenten te nemen op gewassen, boeren te verbieden zaad te winnen uit eigen productie, boeren te verplichten bepaalde insectenverdelgers te gebruiken door koppelverkoop (zie het Roundup-verhaal), enz. Deze strategie vergroot hun greep op de landbouwmarkten en versnelt de uitstoot van familiale landbouw ten voordele van industriële productie.

In dit licht stellen we vast dat de GGO-techniek er enkel toe dient om de kaarten op de wereldmarkt te herschudden en definitief te beslechten wie in de toekomst de lakens zal uitdelen en de winsten van de wereldvoedselproductie zal opstrijken. GGO’s zijn de getrukeerde kaarten in de handen van de meesteroplichter.

Binnen de context van een vrije markteconomie is zulks ook perfect logisch: de concurrentie is moordend, de investeringen torenhoog en wie ethische regels laat primeren op commerciële haalt de eindmeet niet, dat is de harde wet van de vrije markt.

Naar een gefundeerd standpunt

De voornaamste reden waarom Attac de verdere commercialisering van GGO-gewassen radicaal afwijst is dat deze, in de huidige stand van zaken, enkel dienen om het debacle van de productivistische landbouw te remediëren, deze productiewijze te bestendigen en verder als uniek systeem te verankeren in het landschap van de wereldvoedselproductie. Het allerergste is dat de bestaande alternatieve opties, zoals boerenlandbouw of biologische landbouw daarbij worden uitgeroeid. GGO-landbouw is in de huidige context een imperialistische keuze want ze sluit alle andere opties uit en elimineert dus de vrije keuze van consument en producent.

Het zou daarom de geloofwaardigheid van dhr. Van Montagu ten goede komen mocht hij streng en ondubbelzinnig de huidige productie van insecticide-resistente planten veroordelen, want dit is één van de perfide manieren waarop de agro-chemie boeren in haar greep krijgt. Als we echter kijken naar het palmares van Van Montagu zien we staan:

construction of transgenic crops (tobacco, rape seeds, corn) resistent to insect pest and tolerant to novel herbicides (hoechst). (Curriculum Vitae Marc Van Montagu, Website van de Accademia Nazionale delle Scienze detta dei XL)

He developed plant molecular genetics, in particular molecular mechanisms for cell proliferation and differentiation and response to abiotic stresses (high light, ozone, cold, salt and drought) and constructed transgenic crops (tobacco, rape seed, corn) resistant to insect pest and tolerant to novel herbicides.

Biografie Marc van Montagu op de website van het Instituut voor Plantenbiotechnologie voor Ontwikkelingslanden

We hoeven ons dus geen illusies te maken, de Gentse Pioniers hebben met hun onderzoek wel degelijk in de kaart gespeeld van de meedogenloze marktstrategie van de agrochemie, ook al ziet Van Montagu zichzelf niet graag in die rol en houdt deze techniek ook de belofte in van een verminderd gebruik van pesticiden. De uiteindelijke keuzes worden in dit verband gemaakt door de belangenafweging van de agro-chemiebedrijven die er bovenop beschikken over disproportionele financiële en politieke macht. Het gaat er bij deze vaststelling niet om deze bedrijven af te schilderen als baarlijke duivels; in een ongecontroleerde marktsituatie hebben zij ook geen andere keuze: aan de ene kant staan de investeerders te roepen om dividenden, aan de andere kant moet de moordende concurrentiestrijd geleverd worden. In deze situatie is de industrie geen betrouwbare partner om mee te beslissen over technologische keuzes die dergelijke impact hebben op de levens van alle volkeren ter wereld en, bij uitbreiding, op het uitzicht van onze planeet.

Ons gaat het er niet om het onderzoek naar potentieel veelbelovende technologieën onmogelijk te maken, maar van ze te houden daar waar ze thuis hoort: aan de universiteiten. Dit onderzoek moet bevrijd worden van de druk om op korte termijn te renderen en mag zeker niet ondergeschikt gemaakt worden aan de wetten van de vrije markt. Alleen dan kan de wereldgemeenschap op termijn uitkijken naar een echt interessantere gewassen die de boeren en consumenten ten goede komen en eventueel kunnen ingezet worden voor een eerlijker verdeling van de opbrengsten van de aarde.

zaterdag 19 oktober 2002

Boeren en Globalisering

Attac is zo’n 5 jaar terug in Frankrijk ontstaan ten tijde van de grote werklozenmanifestaties. Wij weten hoe dat de laatste decennia gaat met sociale onrust: als die ál te zichtbaar en dus politiek gevoelig wordt, worden er snel enkele sussende maatregelen getroffen om de zaak te bekoelen, eventueel gekoppeld aan een P.R.-stunt met het oog op de volgende verkiezingen. Fundamenteel verandert er echter weinig: de armsten, de uitgeslotenen blijven in hun miserie zitten. Aan de oorzaken van armoede en uitsluiting wordt niet geraakt.

Onze politici steken hulpeloos de armen in de hoogte: “”Wij kunnen en mogen daar niets aan doen en daarenboven: onze arbeidskosten zijn nu al hoger dan in de ons omringende landen. Wij zijn niet concurrentieel genoeg.”  Voor een deel hebben ze nog gelijk ook. Het Internationaal Muntfonds (IMF) legt strenge begrotingsregels op. De Wereldhandelsorganisatie (WHO) verbiedt beschermingsmaatregelen die kunnen geïnterpreteerd worden als concurrentievervalsing. Via honderden, duizenden verdragen, reglementen, wetten legt de virtuele wereldregering van de vrije markt –verheven boven alle democratische structuren– zijn wil op aan de naties van de wereld.

De grote werklozenbeweging was dus gedoemd om met een sisser af te lopen en een dynamische massa terug te storten in ontgoocheling, verbittering, apathie.

 

In dezelfde periode kenden we ook het debacle van de Aziatische markten. Het Barings Bank-schandaal en de ineenstorting van de Zuid-Oostaziatische economie doorprikte de goednieuwsshow van de vrije markt. De spectaculaire opgang van de “Aziatische tijgers”, die het universele weldadige karakter van het kapitalistisch systeem en het “einde van de geschiedenis” moest bewijzen, werd in één haal neergemaaid en stortte miljoenen Indonesiërs in de economische afgrond. Het kan geen toeval zijn dat Al Qaeda er vandaag vruchtbare grond vindt. Het maakte plots, voor het oog van de wereld, de relatie tussen de casinospeculatie op de financiële markten en het lot van miljoenen duidelijk. Het verband met de stijgende werkloosheid in onze eigen contreien was gauw gelegd. Men zag dat de oorzaken dezelfde waren, nl.: de speculatie die de winstverwachtingen van investeerders de hoogte injaagt; deze laatsten gaan ongeremder dan ooit aandringen op het drukken van de productiekosten en dan vooral de arbeidskosten. Onze arbeidskracht wordt dus in een wereldwijde concurrentieslag geworpen. De gevolgen kennen we: rationalisering, delocalisering…

 

Dit soort analyses maakte de redactie van Le Monde Diplomatique al jaren op een schitterende wijze, maar nu was de tijd rijp om al die verhalen te bundelen en om te zetten in een langetermijnactie tegen het casinokapitalisme. Dat was de oproep die de hoofdredacteur van de krant, Ignacio Ramonet, toen lanceerde en waaruit ATTAC ontstond. De naam werd niet alleen omwille van de welluidendheid en strijdbare connotatie gekozen, hij staat ook voor de eerste concrete actie waarrond werd gemobiliseerd: de Tobintaks als eerste aanval op de speculatiemarkt; een poging om “de markten te ontwapenen”.

 

Wie geïnteresseerd is in het volledig programma van ATTAC vindt brochures en folders aan een Attacstand of kan teksten afhalen op de website. Hier is het belangrijk om te wijzen op het uitgangspunt van Attac, nl.: zoeken naar datgene wat ons bindt en die band in de actie tastbaar maken. Met “ons” bedoel ik:

-                  alle volkeren die door de neoliberale “Wild West”-economie in miserie en armoede gedumpt worden; alle NGO’s die actief zijn op het gebied van Noord-Zuidverhoudingen en milieu;

-                  alle sociale bewegingen, ook de kleinste lokale verenigingen die het opnemen voor de zwaksten in eigen buurt;

-                  alle vakbonden die doorheen heel de geschiedenis van het industriële kapitalisme de strijd voor arbeidersrechten hebben geleid maar sinds enkele decennia zijn teruggedrongen in een meer defensieve positie;

-                  de vredesbeweging;

-                  alle individuen die in hun dagelijks leven te lijden hebben van sociale onzekerheid, uitsluiting dor afbraak van sociaal weefsel, toenemende voedselonveiligheid en andere gezondheidsrisico’s die samenhangen met Wetenschappelijk-Industrieel-Technologisch complex dat niet te dienste staat van mensen maar van winsten.

Wij moeten allemaal onze krachten bundelen om terug greep te krijgen op deze wereld in plaats van ieder op ons eigen eilandje –misschien nuttig maar zeker impotent– links en rechts pogen de ergste schade te herstellen. Daarom gaat Attac op zoek naar partners.

 

In het onvolledige rijtje dat ik zonet opsomde ontbraken oa de boeren. Zij zijn het nochtans die het langst de slachtingen van de kapitalistische economie aan den lijve ondervinden, zoals uit de bijdrage van Koen Dhoore zal blijken. De vruchten van hun arbeid hebben altijd een centrale rol gespeeld in ontstaan en ontwikkeling van de globale economie. Die vruchten zijn vandaag de munitie waarmee vandaag de grote handelsoorlogen worden uitgevochten. Het zijn de overschotten die onze boeren moéten produceren, die gedumpt worden op de wereldmarkten in Oost en Zuid en daarmee de lokale boeren ginder de nek omwringen.

Het zijn de kennis en de innovaties van diezelfde boeren die aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan en de spectaculaire ontwikkeling van de (agro-)chemische industrie. Diezelfde chemische industrie, die hen vandaag zo genadeloos berooft, controleert vandaag grote delen van de landbouwproductie omdat ze de zaadveredeling van de boeren heeft afgepakt en gepatenteerd, omdat ze hun bemestingstechnieken heeft gekopieerd, “verbeterd” en… gepatenteerd, omdat ze grote delen van de verwerking van hun producten controleert.

Maar ook in de strijd om een leefbaar milieu kan de wereld niet zonder de boeren. Zij zijn sinds mensenheugenis de hoeders van de natuur. Wanneer de landbouw optreedt als verarmer en vernietiger van de natuur, dan is dat door toedoen van de agro-industrie. Als de boer zijn land en de omgeving vergiftigt, dan is dat enkel omdat hij daartoe gedwongen wordt door de filiaire van veevoederbedrijven, zaadproducenten, de agro-chemie, de banken, de Boerenbond, de verwerkers en distributeurs. Wie in de Raden van Beheer en de lijsten met grote aandeelhouders van al die spelers gaat kijken, komt steeds dezelfde gezichten tegen.

Van in het begin heeft Attac het belang van de boerenstrijd ingezien en al snel zijn in Frankrijk samenwerkingsverbanden opgezet met de militante boerenvakbond Confédération Paysanne. Deze onafhankelijke vakbond heeft middels haar spectaculaire acties tegen McDonalds en tegen de GGO-velden een grote rol gespeeld in de internationale sensibilisering voor de globale landbouwproblematiek. Zij drukte, mede dank zij haar mediagenieke woordvoerder, José Bové, haar stempel op het verloop en mislukken van de Seattle Conferentie van 1999. Vandaag is de voorman lid van de stichtende ledenraad van Attac.

Ook Attac Vlaanderen wil op zoek gaan naar haar aanknopingspunten met de boerenstrijd. Als het over strijd gaat, is het VAC onze natuurlijke partner. Zij behartigen al jaren de belangen van onafhankelijke boeren. Ze helpen bij de dagelijkse beslommeringen –hen op weg zetten met de boekhouding, sociale zekerheid, belastingsaangiftes, enz.– en staan hen bij tegen de aanvallen van de agro-industrie. Onafhankelijke boeren moeten hun onafhankelijkheid kunnen behouden, geketende boeren moeten zich van die ketens ontdoen, dat is waarvoor VAC werkt. Die strijd is essentieel willen wij de doldraaiende economie die meer slachtoffers maakt dan welke oorlog ooit gedaan heeft, terug onder controle brengen van democratische structuren.

Als wij terug vat willen krijgen op ons eigen leven, op de kwaliteit van onze voeding, op drinkwater, op gezonde lucht, op een leefbaar milieu, als wij onze kinderen en kleinkinderen kansen willen bieden op een leven dat het leven waard is, dan zullen we de handen in elkaar moeten slaan. Dan zullen we moeten op zoek gaan naar datgene wat ons bindt. En eigenlijk is dat niet moeilijk. Wie we ook zijn –bandwerker in de fabriek, boer op het land, paperassenvuller op kantoor of wetenschapper in het labo, of wij nu gebruiksgoederen, voeding of ideeën voortbrengen, wij zijn allen producenten. Waar we ook leven –in het rijke Noorden, in het arme Zuiden, in de stad of op het land– wij zijn allen consumenten. In elk van deze hoedanigheden zijn wij gelijken en nog belangrijker: hebben wij macht! Als de producent niet meer produceert stopt de economische machine en dan is er voor de speculanten niets meer om op te parasiteren. Als de consument niet meer koopt, stort de markt –vrij of niet– in elkaar. Als wij ons organiseren als producenten, en dit is de taak van de vakbonden, kunnen we terug een tegenmacht opbouwen. Maar dat kan alleen als we ons tegelijk en in solidariteit ook organiseren als consument. Deze nieuwe organisatievormen en samenwerkingsverbanden zijn nog jong en zullen dus slechts geleidelijk aan resultaten opleveren, maar ondertussen kunnen en moeten we als consument ook nu al nadenken over datgene wat we kopen of verbruiken en nieuwe keuzes maken. Wij hoeven onze kinderen niet in gevaar te brengen met minderwaardige producten uit de voedingsindustrie, overal duiken initiatieven op die ons rechtstreeks toegang verschaffen tot échte voeding van echte boeren en eerlijke verwerkers. Welk vertekend beeld we door de media ook hebben over de boeren: we zullen terug moeten beseffen dat de boer en zijn voortbrengst een onmisbaar fundament is van het goede leven dat wij allemaal voor onszelf en voor onze kinderen nastreven. Het is met de boer dat we hand in hand zullen moeten strijden!

Patrick Cohen

 

donderdag 1 maart 2001

Beste meneer Gabriëls

Beste meneer Gabriëls,

Het is met genoegen dat ik hoor dat u weer alles onder controle hebt. Ik kan weer op mijn twee oren slapen. Mond en klauwzeer, BSE,… ‘t is allemaal gewoon een kwestie van de gepaste maatregelen nemen en, als iedereen goed meewerkt, schijnt ook morgen de zon weer. Ach ja, hoe Europa telkens die vergoedingen voor de boeren zal kunnen blijven betalen moet nog wel even uitgezocht worden. Maar daar passen we -mits de nodige aanmoediging van enkele honderden tractoren op Schuman- wel een mouw aan. Enkele fondsen die op heel bescheiden wijze het sociaal Europa moeten helpen uitbouwen kunnen, precies vanwege dat bescheiden karakter, evengoed nog wel één, twee, pakweg vijf jaar in de koelkast gezet worden- er moet daar naast die vleesberg toch nog wel een klein plaatsje voor te vinden zijn, denkt u niet, meneer Gabriëls?
Meneer Gabriëls! Wie houdt wie hier nu voor de gek ? Weet u wat ik denk, meneer Gabriëls ? Dat u helemaal niets onder controle heeft. Jawel: u hebt een brandje omsingeld en met een beetje geluk kunnen de gensters die over de hoofden van de spuitgasten richting hooischuur waaien -u weet hoe dat gaat met brandjes- ook tijdig onderschept worden. De prijs ? ‘t Valt nog mee: vernietigen van een 1.000-tal dieren om te beginnen -áls er zich nergens lekken voordoen. Op Europese schaal worden dat er tienduizenden en… doe er in de pronostiek voor alle zekerheid maar een nulletje bij tegen dat heel die epidemie echt voorbij is.

Echt voorbij ?
Mijnheer Gabriëls, u weet toch net zo goed als ik (om nog maar van meneer Devisch te zwijgen) dat het nooit voorbij zal zijn; dat het alleen maar erger wordt.
Ik hoor dat u zich niet al te best voelt bij het zien van een brandstapel met een paar honderd karkassen. U als boerenzoon, dat moet zeer doen. Daar voel ik echt in mee, meneer Gabriëls. Eigenlijk zou het moeten verboden worden… dat te filmen, bedoel ik. Het is toch niet proper om gevoelige zielen zoals u en ik daarmee te confronteren. Ze zouden die verbranding beter wegsteken onder de grond, in een hermetisch afgesloten bunker met rookgaswassing. Beter voor ‘t milieu, beter voor ‘t gemoed van de consumenten én dus beter voor de afzet van koteletjes en biefstukken. En de aanvoer van al die karkassen kan met een beetje goede wil georganiseerd worden met gesloten vrachtwagens die rechtstreeks de bunker binnenrijden. Te duur ? Denkt u eens aan: zo’n investering met participatie van de Vlaamse overheid, de vleessector en Rendac moet, met de huidige vooruitzichten toch een goudmijn worden.

Sorry, meneer Gabriëls dat ik u daar zo persoonlijk over aanspreek. Het is niet zo bedoeld. U kan er ook niet veel aan verhelpen. ‘t Zijn die Engelsen, die hun zaakjes niet in de hand hebben; en nu zitten wij -nee, zit u vooral- met de gebakken peren. U mag het weer gaan uitleggen.
Maar precies daar, mijnheer Gabriëls, doet u het even slecht als al uw collega’s in onze buurlanden en als al uw voorgangers trouwens. Wanneer gaan we eens klare wijn schenken ? Wanneer gaan we eindelijk eens te horen krijgen dat industriële landbouw en monsterepidemies samengaan als paard en kar, zoals papa Sinatra ons al 50 jaar terug bezong ?  Het zijn gewoon 2 kanten van dezelfde medaille; of laat ik liever van dezelfde dobbelsteen zeggen, want er zijn nog enkele onafscheidelijke kantjes aan. De reeds genoemde preventieve vernietiging, bijvoorbeeld. Ik zal het nog eens zeggen, zodat u het goed kan proeven: p-r-e-v-e-n-t-i-e-v-e  v-e-r-n-i-e-t-i-g-i-n-g. Alsof het om een neutrale hygiënische ingreep gaat. Het klinkt zelfs een beetje als: ach, we halen ze even door de papierversnipperaar.
Hebt u al eens becijferd hoeveel van onze trouwe viervoeters -die ons toch het beste van zichzelf geven, als ik het zo mag uitdrukken- preventief zijn vernietigd ? U voelt zich daar een beetje niet goed bij, meneer Gabriëls. Ik zou daar niet meer van slapen, moest ik in uw schoenen staan! En ik zou geen hap vlees meer door mijn strot krijgen! Maar u zal dat worst wezen, want u hebt allang gekozen voor het Europa van de voedingsindustrie en samen met dat Europa hebt u de boerderijdieren verdingd. Koeien, varkens, kippen, lammeren,… dat zijn geen levende wezens voor u maar marchandise. En wat doe je met marchandise ? Dat zeul je van de ene plek naar de andere om daar weer nieuwe marchandise van te maken, die op haar beurt wordt versleept naar alweer een nieuwe bestemming, bij de afwerker zeg maar. U kent die circuits beter dan ik.

Ja die circuits… die worden, als je even niet kijkt, algauw caroussels… BTW- en subsidiecaroussels. En dan zou ik het ook nog kunnen hebben over hormonen, antibiotica, mest, giftig veevoer, genetische manipulatie… moet ik heel die lange rij nog eens aflopen ? Onze dobbelsteen heeft allang geen kanten genoeg meer! Het hoort allemaal onverbrekelijk bij het soort landbouw waar u samen met Europa voor kiest. En het is nog maar een begin, het wordt allemaal nog véél erger.

Maar, wat hoor ik daar ?  Het lijkt wel… warempel: woedend gehuil en gebrul vanuit het diepe Vlaanderen -la Flandre profonde. De boeren zijn woest omdat ik hun stiel voor de zoveelste keer in een kwaad daglicht stel. Gelijk hebben ze, natuurlijk. Ik zou nog veel woester zijn, denk ik. De manier waarop Europa én de WTO én de Boerenbond met die mensen gesold heeft… Ook zij zijn verdingd. Voor die organisaties zijn dat geen mensen maar productieslaven die netjes mogen maken wat Europa voor hen beslist heeft. Boeren mogen nog één keuze zelf maken: volgen of uittreden. Hoewel, zelfs dat is niet meer waar. Met de schulden die ze hebben opgebouwd, kunnen ze zelfs die beslissing niet vrij nemen. Ze zullen doorgaan of stoppen naargelang en wanneer de Boerenbond of de bank daar zo over beslist. Want grote organisaties houden niet van kleine boeren: daar kunt ge u toch niet mee bezig houden, nietwaar.
Weet u, meneer Gabriëls, moest u evenveel inzitten met de boeren als u voorgeeft en moest Europa echt iets voor boeren en consumenten willen doen, dan zouden jullie mijn goede belastinggeld niet vergooien aan eindeloze vergoedingen voor vernietiging van ziek of giftig vee, misdadige uitstapregelingen voor boeren die toevallig te klein zijn of de verkeerde  marchandise voortbrengen. Ook zouden jullie mijn zuurverdiende centjes niet in de opbouw en dan weer vernietiging van melkplassen, boter- en vleesbergen steken, om nog maar van de gewassen en het fruit te zwijgen. Neen, meneer Gabriëls, mochten u en uw Europese vrienden het hart op de juiste plaats dragen dan  zou u investeren in het vrijkopen van al die loonslaven. Hen de kans geven om terug echt met landbouw bezig te zijn in de plaats van zich een onbeduidend radertje in een industriële machine ter voortbrengst van nepvoeding te voelen. U zou ervoor zorgen dat boeren terug leren hoe ze een eerlijk product kunnen voortbrengen, ze de fierheid teruggeven die hen de laatste halve eeuw is afgenomen.
De grote organisaties hebben de boerenstiel vermoord en daarmee ook vele boeren, letterlijk! Zelfmoordcijfers onder boeren al eens onder ogen gekregen? De slachtingen die zijn aangericht kunnen nooit meer ongedaan gemaakt worden. U en uw collega’s kunnen die slachtingen wel een halt toeroepen. Maar daarvoor moet eerst klare taal gesproken worden, moeten boeren en consumenten au serieux genomen worden. Wij zijn allemaal burgers en hebben het recht te weten waar de echte oorzaken van het falende land­bouwbeleid liggen, wat de echte risico’s zijn van datgene wat we op ons bord krijgen en van de manier waarop dat geproduceerd wordt. Vooral hebben wij het recht te weten welke belangen echt gediend worden. Zo kunnen boeren en consumenten eindelijk duidelijke keuzes maken.
Meneer Gabriëls, laat het niet aan uw hart komen. Het kan nog allemaal goed komen tussen ons. Een blijk van goede intenties zou ons bijvoorbeeld al iets milder kunnen stemmen. Maar streng zullen we blijven oordelen!
Patrick Cohen
1 maart 2001