Posts tonen met het label duurzame ontwikkeling. Alle posts tonen
Posts tonen met het label duurzame ontwikkeling. Alle posts tonen

zondag 26 november 2006

De school als voorbeeld

Dit artikel verscheen in maart 1998 in De Viervoeter, het tijdschrift van de Gentse Freinetscholen. De Harp is één van die Gentse Freinetscholen waarin ouders zich toen actief bemoeiden met de interne keuken. De aanleiding kan nu anecdotisch lijken, de kern van de probleemstelling -coherentie en consistentie van het beleid op alle niveaus- is nog even actueel.



Naar aanleiding van een discussie in de ouderraad van de Harp over het al dan niet bannen van melkbriks ten voordele van hervulbare glazen flessen (en eventueel kiezen voor niet-industrieel geproduceerde melk) kwamen we tot een verbreding van het thema, namelijk: "welke verantwoordelijkheid draagt de school in het consumptiegedrag van de kinderen en in welke mate is de dagelijkse praktijk consequent met de houding die het onderwijs bij de leerlingen wil overbrengen?"

We stelden bijvoorbeeld de vraag of de school mag tussenkomen in wat ouders in de boekentas van hun kinderen stoppen bij wijze van tien- vier- en soms heel wat andere uurtjes.
Voor de inconsequente praktijk van de school werd gewezen op de jaren aanslepende klacht over de wijze waarop de school verwarmd wordt: de centrale ketel draait op volle toeren omdat sommige lokalen moeilijk te verwarmen zijn. De verouderde radiatoren kunnen niet individueel bijgeregeld of uitgedraaid worden zodat de klassen op de verdiepingen en de grote zaal opwarmen tot saunatemperatuur. De standaardremedie bestaat er sinds jaar en dag in om in de klassen les te geven met open ramen en kokende radiatoren. Alle deuren die uitgeven op de speelplaats en de tussendeuren die een sas vormen worden doorlopend wijdopen vastgezet.
Vooral uit woede over deze laatste gang van zaken maakte ik, bij wijze van inleiding tot de discussie volgende bedenkingen:

Uitgangspunten

  1. De wijze waarop wij nog steeds omgaan met de eindige en schaarse grondstoffen, de levensnoodzakelijke voorraad drinkwater en zuivere lucht leidt vandaag tot zware problemen en morgen tot catastrofes. Daarover zijn alle ernstige wetenschappers het eens.
  2. Het probleem ligt niet bij de anderen, bij de zogenaamde grote vervuilers (fabrieken, multinationals) of de Amerikanen (die per hoofd veel meer verspillen dan wij) of de Russen (die veel onveiliger en vervuilender produceren). Het probleem zijn wijzelf bij elke kans die we laten liggen om onze consumptiedrang in te tomen; in de mate dat we nalaten zorgzaam om te gaan met onze omgeving. Want ons consumptiegedrag is hun vrijgeleide. "Hun" kunt u naar believen invullen met vertegenwoordigers en verdedigers van het Wetenschappelijk - Technologisch - Kapitalistisch produktiemodel.1
  3. De problemen worden mondiaal erkend door duizenden organisaties, regeringen en hun administraties. Ze worden van uit de politiek vertaald in doelstellingen - te ambitieus voor de enen, totaal ontoereikend voor de anderen - met name de Rio Conferentie voor Duurzame Ontwikkeling en Lokale Agenda 21.
  4. Ook onze regering heeft zich geëngageerd voor een duurzaam ontwikkelingsbeleid. Daarenboven krijgt België een aantal verplichtingen opgelegd vanuit de Europese Commissie (o.a. voor het halen van emissiereductie-quota inzake pcb's, zware metalen en dioxines en voor het nemen van maatregelen inzake afvalpreventie en -verwerking).
  5. Zowat alle studies wijzen op het belang van beleidsondersteunende maatregelen in de vorm van educatie en sensibilisering. Zowel Lokale Agenda 21, de Europese Unie als "Leren om te Keren" (de gedetailleerde milieu-analyse annex beleidsplan van de Vlaamse Regering onder redactie van Aviel Verbruggen) wijzen erop dat de actieve betrokkenheid van burgers/consumenten bij het omschakelen naar een duurzame economie onontbeerlijk is. Terzelfdertijd wordt het belang onderstreept van een eenduidig, consistent en duidelijk beleid om het vertrouwen en de medewerking van de bevolking te krijgen. Belangrijk is hierbij de voorbeeldfunctie van de verschillende overheden en hun administraties.
  6. Ook wordt in voornoemde studies steeds gewezen op de belangrijke en evidente rol die de scholen spelen in zowel educatie als sensibilisering. Dit wordt o.a. ook gereflecteerd door het opnemen van die verantwoordelijkheid van het onderwijs in de eindtermen.2
  7. Gezien de maatschappijvisie van waaruit het Freinet-onderwijs vertrekt, waarin kritisch en verantwoordelijk omgaan met de leefomgeving centraal staat, heeft onze school, meer nog dan andere scholen, een verantwoordelijkheid op te nemen.

De school moet een coherente boodschap brengen
Dit betekent dat de wijze waarop ze functioneert consequent moet zijn met de houding die ze de leerlingen probeert bij te brengen.

Het tegenargument luidt dat in het echte leven ook een grote discrepantie heerst tussen voorgehouden ideaal en beleefde werkelijkheid; dat men kinderen maar best zo vlug mogelijk confronteert met die onvolkomen relatie tussen theorie en praktijk. De boodschap die men aldus impliciet naar de kinderen toe brengt is die van het onvoorwaardelijk pragmatisme. Dit is de beste garantie dat de volgende generatie de oude manier van omgaan met waarden en normen zal verder zetten; uiteindelijk dus het bestendigen in de toekomst van de oude politieke cultuur. Dit is waarmee men dan bezig is.
Zijn normen en waarden dan absoluut? Neen we kunnen de kinderen gerust duidelijk maken dat ze cultureel bepaald zijn en dus voortdurend aan kritische evaluatie onderworpen zijn maar terzelfdertijd moeten we ze erbij vertellen dat die evaluatie inhoudt dat je de waarden ernstig neemt, dat ze nooit gratuit zijn en dus waard om voor op te komen. En wie ze uit opportunistische overwegingen opzij schuift, moet ter verantwoording geroepen worden.
Tot in den treure wordt gezegd dat Freinet opvoedt tot kritische, verantwoordelijke en mondige burgers. Dat wil zeggen dat die kinderen precies in staat moeten zijn om zich verantwoordelijk te voelen voor de wereld waarin ze leven, in staat zijn om maatschappelijke situaties te analyseren en te evalueren, eventueel fouten of verkeerde keuzen kunnen detecteren en zich gesterkt voelen om zelf te handelen om situaties in hun eigen leven of in hun wijdere leefwereld in de hand te nemen.
De pragmatische boodschap van hierboven, die daartegenover staat, leidt enkel tot nabootsing van de opportunistische houding of tot nihilisme tout court.
Mocht blijken dat het Freinet-onderwijs in Gent daar niet over gaat, dan zal ik moeten erkennen dat ik me van school vergist heb. En dan kunnen we nu praten over melkbriks versus flessen, gezonde voeding op school en snoepgewoontes in de klas, verantwoord energiegebruik, mobiliteitsgedrag van ouders en teamleden... u zegt het maar.
Een eerste resultaat van de discussie die hierop volgde: er vertrok meteen een door iedereen ondertekende brief om de verwarmingsproblemen van de school toe te lichten aan mevrouw Moerman, onze onderwijsschepen.

pc


(1) Cfr. "De Ogen van de Panda", Etienne Vermeersch. 1988, Uitgeverij Marc Van de Wiele, ISBN 90-6966-034-2.
(2) De Dienst Leefmilieu van de Stad Gent is ter vervanging van de ietwat voorbijgestreefde Kroonkurken-actie, begonnen met het opstarten van ecoteams in de scholen. De scholen die hiervoor inschrijven worden logistiek gesteund met lesmateriaal, meetinstrumenten, werkbladen om meetresultaten bij te houden en andere materialen (bv. gratis compostvaten). Dit eerste jaar wordt specifiek gewerkt rond water en afval. Het aanbod sluit aan bij de eindtermen. Voor meer inlichtingen kan u terecht op het secretariaat van uw school of bij Sabine Van Lancker van de Dienst Leefmilieu op nummer 239.43.11



Copyright © De Viervoeter maart 1998.

dinsdag 14 juni 2005

Genetisch Gewijzigde Organismen (GGO’s) een ideologisch standpunt

Discussietekst Attac Vlaanderen in een poging het GGO-standpunt zoals het in het 8‑puntenprogramma staat te motiveren.

Uitgangspunt voor deze tekst is een poging om vooral op de economische en politieke rol te wijzen die ggo’s spelen. De milieu- en gezondheidsaspecten worden al voldoende door andere groepen belicht (greenpeace, foe, wervel,…) en dit leidt niet zelden tot believers en non-believers-debatten waar het publiek weinig aan heeft. De leek houdt er, zoals zo vaak, enkel de indruk aan over dat wetenschappers het onderling grondig oneens zijn, dat er dus geen zinnige keuzes kunnen gemaakt worden. Het lijkt wel alsof er op louter emotionele basis kamp gekozen wordt. In deze situatie kan het verhelderend werken om te wijzen op de context waarin de ontwikkelingen plaatsgrijpen en welke belangen ze sturen.

Deze tekst moet ook gelezen worden in relatie tot onze kritiek op productivistische landbouw (zie een vorig artikel: Boeren en Globalisering) en moet een vervolg krijgen met een principiële stellingname over patentrechten op levende organismen. Tezelfdertijd wil ik voldoende elementen inbrengen om verwijten te ontkrachten als zouden we tegen de vooruitgang zijn of een dogmatisch anti-multinationalstandpunt aanhouden. Uiteindelijk moet duidelijk worden dat we voor elk onderzoek zijn, maar tegen onverantwoorde commercialisering onder druk van het hegemonisch vrijemarktprincipe.

Patrick Cohen

 

De controverse over GGO’s is zo oud als het onderzoek naar de mogelijkheid om rechtstreeks in te grijpen in de genetische codering van planten en dieren zelf. Dit onderzoek wordt gevoerd hetzij om interessante eigenschappen in te brengen, hetzij om bepaalde “defecten” te elimineren of nog om de productie van vervangstukken voor het menselijk lichaam te faciliteren.

Argumenten die de verdere ontwikkelingen in dit onderzoek aanmoedigen en eventueel aansturen op het snel aanwenden van deze technologie voor praktische toepassingen zijn zowel van economische, medische, ethische als ecologische aard. De contra-indicaties beroepen zich op argumenten binnen precies dezelfde categorieën. Eigenlijk zou je een balansstaat kunnen opmaken op basis van deze rubricering met links alle pro- en rechts alle contra-argumenten: het geheel zou er, met wat goede wil, erg evenwichtig kunnen uitzien –althans voor wat de kwantiteit betreft. Wanneer het erop aankomt echte afwegingen te maken, dan blijkt algauw dat de scheidingslijn bepaald wordt door prioriteiten die sterk ideologisch gestuurd worden. Dit wil zeggen dat de keuzes in de eerste plaats afhangen van de vraag naar het soort samenleving waarin we willen leven en in de tweede plaats de vraag naar de wijze waarop we dergelijke samenleving kunnen organiseren – ethische en politieke keuzes, zeg maar. 

Deze vaststelling wordt door minstens één partij in de discussie in alle toonaarden ontkend: de tandem wetenschap/industrie die er alle belang bij heeft om het onderzoek ongehinderd tot snelle valorisatie te brengen. Zij beweren bij hoog en bij laag dat de maatschappelijke discussie van hun kant neutraal, zuiver wetenschappelijk wordt gevoerd, dat hun commerciële belangen steeds aan ethische en wetenschappelijke regels worden getoetst. Wie echter kijkt naar de wijze waarop het spel gespeeld wordt, ziet dat de realiteit heel anders oogt.

Een beetje genetica

Het argument dat genetische manipulatie niets anders is dan het doelgericht nabootsen van wat de natuur al miljoenen jaren zelf doet lekt alvast aan alle kanten en is een ronduit demagogische truc van een industrie en de daaraan gelieerde wetenschappers die hun winsten, resp. sponsoring willen veilig stellen.

Uiteraard ligt genetische modificatie aan de basis van de evolutie van organismen naar steeds complexere en/of beter aangepaste soorten en variëteiten. Deze wijzigingen in de genetische codering ontstaat door foutjes bij het kopiëren van de eiwitstrengen waaruit de genen zijn opgebouwd. Het is waar dat dergelijke fouten zich aan de lopende band voordoen. Heel wat van deze fouten zijn fataal voor de ontwikkeling van het organisme en verdwijnen dus vanzelf; andere leiden tot een op zich levensvatbare mutatie maar bieden deze geen comparatief voordeel in de competitie van soorten in een bepaalde omgeving en verdwijnen ook. Nog andere weten zich eveneens te bestendigen in volgende generaties, maar komen wegens recessiviteit niet tot expressie. Uiteindelijk is een succesvolle mutatie een relatief hoogst uitzonderlijke gebeurtenis.

Toch leidt het succes van een nieuwe soort of variant niet zelden tot een ramp, denk maar aan virale en bacteriële epidemies of aan insectenplagen. Omdat de natuur echter rekent met grote getallen en over zeer lange tijdsspannen, evolueren gedestabiliseerde systemen uiteindelijk toch weer naar nieuwe evenwichten. Dit is de zelfherstellende kracht van een natuurlijk systeem. Kunstmatig aangebrachte genetische modificatie is echter van een heel andere orde. Daar waar een mutant, alvorens zich te kunnen bestendigen en een plaats te veroveren in een bepaalde biotoop, door de omgeving voortdurend aan overlevingstesten wordt onderworpen, neemt de mens die testrol van de natuur over en verhindert dat de mutant vanzelf verdwijnt. Men laat niet zomaar een specimen los in de natuur om te zien of het zich verder weet te ontwikkelen, maar gaat de nieuwe variant massaal produceren. Het gevolg is dat, wanneer de introductie van een nieuwe bacterie of plant aanleiding geeft tot ongewenste neveneffecten of zelfs schadelijke kettingreacties het erg moeilijk wordt –misschien onmogelijk– om deze effecten onder controle te houden.

Waarin verschilt deze situatie van de klassieke gewasveredeling waarbij hybride zaden bekomen worden door selectie van de beste specimen binnen een soort en het kruisen van kweekvariëteiten met bijvoorbeeld wilde om tot economisch interessante eigenschappen te komen? Wel, de klassieke methode wordt beperkt door de wetten van de natuur: er kan slechts genenuitwisseling gebeuren tussen kruisbare variëteiten. Natuurlijk kunnen ook daar problemen ontstaan, maar men blijft op bekend terrein want het genetisch materiaal is nagenoeg identiek met het origineel. Eigenlijk stuurt en versnelt men een ontwikkeling die in theorie ook zou kunnen plaatsgrijpen in de vrije natuur.

Genetic engineering introduceert soortvreemd genenmateriaal om nieuwe eigenschappen aan planten toe te voegen. De effecten van dergelijke ingreep kunnen problematischer zijn.

Het schisma in de wetenschap

Aangezien één enkel gen kan coderen voor verschillende eigenschappen en één eigenschap slechts tot expressie kan gebracht worden door een gecombineerde aanwezigheid van verschillende genen, wijzen wetenschappers op gevaren van het, samen met gewenste eigenschappen, introduceren van ongewenste of zelfs schadelijke eigenschappen. Wanneer gevaarlijke eigenschappen tot uiting komen in de labofase van de ontwikkeling is er geen probleem: de productie kan stilgelegd worden. Maar problematische eigenschappen kunnen een verborgen leven leiden en slechts tot uiting komen bij zeer specifieke omgevingsfactoren. Op dat moment kan de verspreiding al zo massaal plaatsgevonden hebben dat rampen niet uitgesloten zijn.

Andere gevaren die door wetenschappers worden genoemd zijn de mogelijke contaminatie van wilde variëteiten in de vrije natuur of van niet-GG gewassen op naburige velden. Zulke effecten worden nu reeds regelmatig vastgesteld. Volgens GGO-kritische wetenschappers kan dergelijke contaminatie zich bestendigen bij reproductie van de aangetaste planten. GGO-verdedigers beweren dat de gecontamineerde planten in de vrije natuur sowieso al weinig kans maken om deze genetische wijziging te overleven omdat de gemodificeerde plant werd ontworpen om te gedijen in een zeer specifieke, gecontroleerde omgeving. Wanneer ze toch overleven, verdwijnt de eigenschap in ieder geval bij een volgende generatie.

Dit leidt dan weer tot de vraag naar de verschraling van de biodiversiteit als gevolg van de introductie van steeds meer natuurvreemde genen in de vrije natuur. Indien de sceptici gelijk hebben en bepaalde mutaties gaan een “wild leven” leiden, zou het dan niet kunnen dat er superplanten ontstaan die andere planten verdringen en met hen een hele biotoop van planten en dieren? Maar zelfs als wetenschapsoptimisten gelijk hebben en dergelijke verspreiding met verstrekkende gevolgen zeer onwaarschijnlijk is, dan nog krijg je in de wereldlandbouwproductie een drastische verschraling van beschikbare gewassen voor onze voeding. Daarover verder meer.

Ook over de mogelijke toxische eigenschappen voor mens en dier zijn de wetenschappers het allesbehalve eens.

Het is dus voor iedereen duidelijk dat bij de toepassing van dergelijke ingrijpende technieken uiterste voorzichtigheid geboden is. Dit is ook de reden waarom nationale en internationale overheden de ontwikkeling ervan aan strenge regels onderwerpt. Ook de bedrijven die in de GGO-sector opereren kunnen moeilijk anders dan zich bij deze gang van zaken neerleggen, alleen zullen zij natuurlijk altijd vinden dat de opgelegde regels veel te streng zijn. Logisch ook, gezien de gigantische belangen die met onderzoek en ontwikkeling van GGO-technieken gepaard gaan. Maar voor we op die belangen ingaan, laten we eerst even terugblikken op de oorsprong van de genetische manipulatie.

De pioniers

Het genetisch onderzoek zoals wij dat nu kennen vangt aan op het moment dat onderzoekers Francis Crick en James Watson in 1953 in het tijdschrift Nature hun dubbele helixmodel van DNA publiceren. Met hun ontdekking (en dat van hun collega’s) komt de ontrafeling van de codering van het leven zelf binnen bereik van het wetenschappelijk onderzoek, 10 jaar later zouden ze er trouwens de Nobelprijs voor krijgen. Algauw start een soort wedstrijd voor de decodering van bepaalde eiwitstrengen tot specifieke eigenschappen, een wedloop die vooral in de jaren ’80 en ’90 op volle toeren draait en uiteindelijk zal leiden tot het in kaart brengen van het menselijk genoom.

Al van bij het begin droomden visionaire wetenschappers van de mogelijkheid om doelgericht in te grijpen in de genetische sequenties. Als praktische toepassing dacht men uiteraard al snel aan het herstellen van defecte genen die verantwoordelijk zijn voor een aantal erfelijke ziektes bij de mens. Maar ook de veredeling van gewassen en fokdieren via genmanipulatie kwam spoedig in beeld.

Twee van die visionaire wetenschappers waren Marc Van Montagu en Jeff Schell van het laboratorium voor Algemene Genetica aan de Universiteit Gent, die zich in de jaren ’70 op dit onderzoek hadden gestort: de start van een ongekend succesverhaal. Van Montagu en Schell slaagden er begin jaren ‘80 in een techniek te ontwikkelen om, middels agrobacteria, de celstructuur van planten te wijzigen. In het Vlaanderen dat toen zijn “Derde Industriële Revolutie”-euforie beleefde, was de tijd rijp voor verzelfstandiging buiten de universiteit van het onderzoek: Plant Genetic Systems bracht Van Montagus succes naar de markt.

Het zetten van deze stap is logisch en heeft op zich niets oneerbaars. Bedoeling is het op gang brengen van een proces waarbij het onderzoek leidt tot de ontwikkeling van commercialiseerbare technologie waarvan de opbrengsten het onderzoek verder kunnen financieren. Het resultaat bij het sluiten van de cirkel is versnelde technologische ontwikkeling en economische groei. Wanneer we er zeker zouden van zijn dat het voorzorgsprincipe[1] altijd zou gelden, dat over het in productie nemen van een genetisch gewijzigd gewas (GGG) in laatste instantie zou beslist worden door een onafhankelijk agentschap onder de vleugels van de VN (UNESCO?), dat zou garanderen dat alle mogelijke gevaren op ecologisch en medisch gebied grondig onderzocht worden en dat het product enkel een fiat krijgt wanneer het aan een reeks eco-sociale normen beantwoordt, zouden we hiermee kunnen leven.

De realiteit ziet er echter heel anders uit want de geopolitieke en economische context waarin deze ontwikkelingen plaatsvinden geven aanleiding tot grote bezorgdheid bij een groot deel van de burgers overal ter wereld, zelfs bij velen die het GGO-onderzoek op zich niet ongenegen zijn. Om deze bezorgdheid te begrijpen moeten we even kijken welke belangen  op het debat wegen.

Wie zijn de spelers?

Zoals reeds gesuggereerd wordt het genetisch onderzoek volledig gedomineerd door de agro-industrie. Zelf spreken ze in verband met hun ggo-activiteiten liever van “life-sciences”. Monsanto, DuPont, Hoechst, Novartis, Zeneca, Bayer zijn de bedrijven die algauw het potentieel van Genetic Engineering inzagen.

De bewering dat de GGO-techniek onze enige hoop is om de honger uit de wereld te helpen berust volledig op de mythe van het hongerprobleem als te bestrijden natuurfenomeen. Ontwikkelingsorganisaties wijzen al jaren op het feit dat het overgrote deel van de wereldbevolking zich nog steeds voedt met producten uit familiale landbouw en dat deze productiewijze perfect in staat is om aan alle behoeften te voldoen. Honger in de wereld is het gevolg van de oneerlijke verdeling van de wereldvoedselproductie, het inpalmen van vruchtbare landbouwgronden die oorspronkelijk de lokale bevolkingen voedden voor de productie van cashcrops voor de internationale markten, de vernietiging van de traditionele landbouwgemeenschappen door de agro-industrie. Laten we het uitroepen tot ze er horendol van worden: “Honger is een keuze!”, niet van de slachtoffers, maar van diegenen die honger in de wereld nodig hebben om hun systeem in stand te houden. Honger is de keuze voor winst boven het welzijn van mensen. Voor deze perverse mechanismen blijft de GGO-lobby doof en ze wil al zeker niet erkennen dat de GGG’s een rol spelen in de verovering van de wereldvoedselproductie door de agro-industrie. Ook zogenaamd kritische wetenschappers die het onethische gedrag van de agro- en voedings-multinationals veroordelen, blijven wijzen op de neutraliteit van de technologie an sich. De theorie is dat de problemen van de globalisering samenhangen met het kapitalisme en dat de ontwikkeling van ggo-technieken daar niets aan verandert.

In de praktijk zien we echter dat het precies de hoofdspelers van de agro-industrie zijn die massaal investeren in de ontwikkeling en het snel in productie brengen van nieuwe GGG’s. Zij zorgen enerzijds voor de ontwikkeling van de technologie, maar willen uiteraard een snelle ”return on investment”, wat hen ertoe aanzet testfases tot een minimum te beperken en negatieve effecten met klem te ontkennen. Hun genetisch onderzoek stelt hen in staat om patenten te nemen op gewassen, boeren te verbieden zaad te winnen uit eigen productie, boeren te verplichten bepaalde insectenverdelgers te gebruiken door koppelverkoop (zie het Roundup-verhaal), enz. Deze strategie vergroot hun greep op de landbouwmarkten en versnelt de uitstoot van familiale landbouw ten voordele van industriële productie.

In dit licht stellen we vast dat de GGO-techniek er enkel toe dient om de kaarten op de wereldmarkt te herschudden en definitief te beslechten wie in de toekomst de lakens zal uitdelen en de winsten van de wereldvoedselproductie zal opstrijken. GGO’s zijn de getrukeerde kaarten in de handen van de meesteroplichter.

Binnen de context van een vrije markteconomie is zulks ook perfect logisch: de concurrentie is moordend, de investeringen torenhoog en wie ethische regels laat primeren op commerciële haalt de eindmeet niet, dat is de harde wet van de vrije markt.

Naar een gefundeerd standpunt

De voornaamste reden waarom Attac de verdere commercialisering van GGO-gewassen radicaal afwijst is dat deze, in de huidige stand van zaken, enkel dienen om het debacle van de productivistische landbouw te remediëren, deze productiewijze te bestendigen en verder als uniek systeem te verankeren in het landschap van de wereldvoedselproductie. Het allerergste is dat de bestaande alternatieve opties, zoals boerenlandbouw of biologische landbouw daarbij worden uitgeroeid. GGO-landbouw is in de huidige context een imperialistische keuze want ze sluit alle andere opties uit en elimineert dus de vrije keuze van consument en producent.

Het zou daarom de geloofwaardigheid van dhr. Van Montagu ten goede komen mocht hij streng en ondubbelzinnig de huidige productie van insecticide-resistente planten veroordelen, want dit is één van de perfide manieren waarop de agro-chemie boeren in haar greep krijgt. Als we echter kijken naar het palmares van Van Montagu zien we staan:

construction of transgenic crops (tobacco, rape seeds, corn) resistent to insect pest and tolerant to novel herbicides (hoechst). (Curriculum Vitae Marc Van Montagu, Website van de Accademia Nazionale delle Scienze detta dei XL)

He developed plant molecular genetics, in particular molecular mechanisms for cell proliferation and differentiation and response to abiotic stresses (high light, ozone, cold, salt and drought) and constructed transgenic crops (tobacco, rape seed, corn) resistant to insect pest and tolerant to novel herbicides.

Biografie Marc van Montagu op de website van het Instituut voor Plantenbiotechnologie voor Ontwikkelingslanden

We hoeven ons dus geen illusies te maken, de Gentse Pioniers hebben met hun onderzoek wel degelijk in de kaart gespeeld van de meedogenloze marktstrategie van de agrochemie, ook al ziet Van Montagu zichzelf niet graag in die rol en houdt deze techniek ook de belofte in van een verminderd gebruik van pesticiden. De uiteindelijke keuzes worden in dit verband gemaakt door de belangenafweging van de agro-chemiebedrijven die er bovenop beschikken over disproportionele financiële en politieke macht. Het gaat er bij deze vaststelling niet om deze bedrijven af te schilderen als baarlijke duivels; in een ongecontroleerde marktsituatie hebben zij ook geen andere keuze: aan de ene kant staan de investeerders te roepen om dividenden, aan de andere kant moet de moordende concurrentiestrijd geleverd worden. In deze situatie is de industrie geen betrouwbare partner om mee te beslissen over technologische keuzes die dergelijke impact hebben op de levens van alle volkeren ter wereld en, bij uitbreiding, op het uitzicht van onze planeet.

Ons gaat het er niet om het onderzoek naar potentieel veelbelovende technologieën onmogelijk te maken, maar van ze te houden daar waar ze thuis hoort: aan de universiteiten. Dit onderzoek moet bevrijd worden van de druk om op korte termijn te renderen en mag zeker niet ondergeschikt gemaakt worden aan de wetten van de vrije markt. Alleen dan kan de wereldgemeenschap op termijn uitkijken naar een echt interessantere gewassen die de boeren en consumenten ten goede komen en eventueel kunnen ingezet worden voor een eerlijker verdeling van de opbrengsten van de aarde.

zaterdag 19 oktober 2002

Boeren en Globalisering

Attac is zo’n 5 jaar terug in Frankrijk ontstaan ten tijde van de grote werklozenmanifestaties. Wij weten hoe dat de laatste decennia gaat met sociale onrust: als die ál te zichtbaar en dus politiek gevoelig wordt, worden er snel enkele sussende maatregelen getroffen om de zaak te bekoelen, eventueel gekoppeld aan een P.R.-stunt met het oog op de volgende verkiezingen. Fundamenteel verandert er echter weinig: de armsten, de uitgeslotenen blijven in hun miserie zitten. Aan de oorzaken van armoede en uitsluiting wordt niet geraakt.

Onze politici steken hulpeloos de armen in de hoogte: “”Wij kunnen en mogen daar niets aan doen en daarenboven: onze arbeidskosten zijn nu al hoger dan in de ons omringende landen. Wij zijn niet concurrentieel genoeg.”  Voor een deel hebben ze nog gelijk ook. Het Internationaal Muntfonds (IMF) legt strenge begrotingsregels op. De Wereldhandelsorganisatie (WHO) verbiedt beschermingsmaatregelen die kunnen geïnterpreteerd worden als concurrentievervalsing. Via honderden, duizenden verdragen, reglementen, wetten legt de virtuele wereldregering van de vrije markt –verheven boven alle democratische structuren– zijn wil op aan de naties van de wereld.

De grote werklozenbeweging was dus gedoemd om met een sisser af te lopen en een dynamische massa terug te storten in ontgoocheling, verbittering, apathie.

 

In dezelfde periode kenden we ook het debacle van de Aziatische markten. Het Barings Bank-schandaal en de ineenstorting van de Zuid-Oostaziatische economie doorprikte de goednieuwsshow van de vrije markt. De spectaculaire opgang van de “Aziatische tijgers”, die het universele weldadige karakter van het kapitalistisch systeem en het “einde van de geschiedenis” moest bewijzen, werd in één haal neergemaaid en stortte miljoenen Indonesiërs in de economische afgrond. Het kan geen toeval zijn dat Al Qaeda er vandaag vruchtbare grond vindt. Het maakte plots, voor het oog van de wereld, de relatie tussen de casinospeculatie op de financiële markten en het lot van miljoenen duidelijk. Het verband met de stijgende werkloosheid in onze eigen contreien was gauw gelegd. Men zag dat de oorzaken dezelfde waren, nl.: de speculatie die de winstverwachtingen van investeerders de hoogte injaagt; deze laatsten gaan ongeremder dan ooit aandringen op het drukken van de productiekosten en dan vooral de arbeidskosten. Onze arbeidskracht wordt dus in een wereldwijde concurrentieslag geworpen. De gevolgen kennen we: rationalisering, delocalisering…

 

Dit soort analyses maakte de redactie van Le Monde Diplomatique al jaren op een schitterende wijze, maar nu was de tijd rijp om al die verhalen te bundelen en om te zetten in een langetermijnactie tegen het casinokapitalisme. Dat was de oproep die de hoofdredacteur van de krant, Ignacio Ramonet, toen lanceerde en waaruit ATTAC ontstond. De naam werd niet alleen omwille van de welluidendheid en strijdbare connotatie gekozen, hij staat ook voor de eerste concrete actie waarrond werd gemobiliseerd: de Tobintaks als eerste aanval op de speculatiemarkt; een poging om “de markten te ontwapenen”.

 

Wie geïnteresseerd is in het volledig programma van ATTAC vindt brochures en folders aan een Attacstand of kan teksten afhalen op de website. Hier is het belangrijk om te wijzen op het uitgangspunt van Attac, nl.: zoeken naar datgene wat ons bindt en die band in de actie tastbaar maken. Met “ons” bedoel ik:

-                  alle volkeren die door de neoliberale “Wild West”-economie in miserie en armoede gedumpt worden; alle NGO’s die actief zijn op het gebied van Noord-Zuidverhoudingen en milieu;

-                  alle sociale bewegingen, ook de kleinste lokale verenigingen die het opnemen voor de zwaksten in eigen buurt;

-                  alle vakbonden die doorheen heel de geschiedenis van het industriële kapitalisme de strijd voor arbeidersrechten hebben geleid maar sinds enkele decennia zijn teruggedrongen in een meer defensieve positie;

-                  de vredesbeweging;

-                  alle individuen die in hun dagelijks leven te lijden hebben van sociale onzekerheid, uitsluiting dor afbraak van sociaal weefsel, toenemende voedselonveiligheid en andere gezondheidsrisico’s die samenhangen met Wetenschappelijk-Industrieel-Technologisch complex dat niet te dienste staat van mensen maar van winsten.

Wij moeten allemaal onze krachten bundelen om terug greep te krijgen op deze wereld in plaats van ieder op ons eigen eilandje –misschien nuttig maar zeker impotent– links en rechts pogen de ergste schade te herstellen. Daarom gaat Attac op zoek naar partners.

 

In het onvolledige rijtje dat ik zonet opsomde ontbraken oa de boeren. Zij zijn het nochtans die het langst de slachtingen van de kapitalistische economie aan den lijve ondervinden, zoals uit de bijdrage van Koen Dhoore zal blijken. De vruchten van hun arbeid hebben altijd een centrale rol gespeeld in ontstaan en ontwikkeling van de globale economie. Die vruchten zijn vandaag de munitie waarmee vandaag de grote handelsoorlogen worden uitgevochten. Het zijn de overschotten die onze boeren moéten produceren, die gedumpt worden op de wereldmarkten in Oost en Zuid en daarmee de lokale boeren ginder de nek omwringen.

Het zijn de kennis en de innovaties van diezelfde boeren die aanleiding hebben gegeven tot het ontstaan en de spectaculaire ontwikkeling van de (agro-)chemische industrie. Diezelfde chemische industrie, die hen vandaag zo genadeloos berooft, controleert vandaag grote delen van de landbouwproductie omdat ze de zaadveredeling van de boeren heeft afgepakt en gepatenteerd, omdat ze hun bemestingstechnieken heeft gekopieerd, “verbeterd” en… gepatenteerd, omdat ze grote delen van de verwerking van hun producten controleert.

Maar ook in de strijd om een leefbaar milieu kan de wereld niet zonder de boeren. Zij zijn sinds mensenheugenis de hoeders van de natuur. Wanneer de landbouw optreedt als verarmer en vernietiger van de natuur, dan is dat door toedoen van de agro-industrie. Als de boer zijn land en de omgeving vergiftigt, dan is dat enkel omdat hij daartoe gedwongen wordt door de filiaire van veevoederbedrijven, zaadproducenten, de agro-chemie, de banken, de Boerenbond, de verwerkers en distributeurs. Wie in de Raden van Beheer en de lijsten met grote aandeelhouders van al die spelers gaat kijken, komt steeds dezelfde gezichten tegen.

Van in het begin heeft Attac het belang van de boerenstrijd ingezien en al snel zijn in Frankrijk samenwerkingsverbanden opgezet met de militante boerenvakbond Confédération Paysanne. Deze onafhankelijke vakbond heeft middels haar spectaculaire acties tegen McDonalds en tegen de GGO-velden een grote rol gespeeld in de internationale sensibilisering voor de globale landbouwproblematiek. Zij drukte, mede dank zij haar mediagenieke woordvoerder, José Bové, haar stempel op het verloop en mislukken van de Seattle Conferentie van 1999. Vandaag is de voorman lid van de stichtende ledenraad van Attac.

Ook Attac Vlaanderen wil op zoek gaan naar haar aanknopingspunten met de boerenstrijd. Als het over strijd gaat, is het VAC onze natuurlijke partner. Zij behartigen al jaren de belangen van onafhankelijke boeren. Ze helpen bij de dagelijkse beslommeringen –hen op weg zetten met de boekhouding, sociale zekerheid, belastingsaangiftes, enz.– en staan hen bij tegen de aanvallen van de agro-industrie. Onafhankelijke boeren moeten hun onafhankelijkheid kunnen behouden, geketende boeren moeten zich van die ketens ontdoen, dat is waarvoor VAC werkt. Die strijd is essentieel willen wij de doldraaiende economie die meer slachtoffers maakt dan welke oorlog ooit gedaan heeft, terug onder controle brengen van democratische structuren.

Als wij terug vat willen krijgen op ons eigen leven, op de kwaliteit van onze voeding, op drinkwater, op gezonde lucht, op een leefbaar milieu, als wij onze kinderen en kleinkinderen kansen willen bieden op een leven dat het leven waard is, dan zullen we de handen in elkaar moeten slaan. Dan zullen we moeten op zoek gaan naar datgene wat ons bindt. En eigenlijk is dat niet moeilijk. Wie we ook zijn –bandwerker in de fabriek, boer op het land, paperassenvuller op kantoor of wetenschapper in het labo, of wij nu gebruiksgoederen, voeding of ideeën voortbrengen, wij zijn allen producenten. Waar we ook leven –in het rijke Noorden, in het arme Zuiden, in de stad of op het land– wij zijn allen consumenten. In elk van deze hoedanigheden zijn wij gelijken en nog belangrijker: hebben wij macht! Als de producent niet meer produceert stopt de economische machine en dan is er voor de speculanten niets meer om op te parasiteren. Als de consument niet meer koopt, stort de markt –vrij of niet– in elkaar. Als wij ons organiseren als producenten, en dit is de taak van de vakbonden, kunnen we terug een tegenmacht opbouwen. Maar dat kan alleen als we ons tegelijk en in solidariteit ook organiseren als consument. Deze nieuwe organisatievormen en samenwerkingsverbanden zijn nog jong en zullen dus slechts geleidelijk aan resultaten opleveren, maar ondertussen kunnen en moeten we als consument ook nu al nadenken over datgene wat we kopen of verbruiken en nieuwe keuzes maken. Wij hoeven onze kinderen niet in gevaar te brengen met minderwaardige producten uit de voedingsindustrie, overal duiken initiatieven op die ons rechtstreeks toegang verschaffen tot échte voeding van echte boeren en eerlijke verwerkers. Welk vertekend beeld we door de media ook hebben over de boeren: we zullen terug moeten beseffen dat de boer en zijn voortbrengst een onmisbaar fundament is van het goede leven dat wij allemaal voor onszelf en voor onze kinderen nastreven. Het is met de boer dat we hand in hand zullen moeten strijden!

Patrick Cohen