Ik zette deze blog op in 2006 bij wijze van test om te zien hoe zoiets werkt. Ik probeer er nu en dan aan te denken maar de praktijk leert dat ik met mijn hoofd meestal elders zit dan in de virtuele ruimte. Verwacht dus geen al te grote regelmaat. We doen ons best.
Veel leesplezier.
Reageren kan (altijd welkom) onderaan elk artikel: bij (geen) opmerkingen.
Vanochtend mijn belastingbrief in de bus en wat valt op? Je
kan er niet naast: het is een Vlaamskleurige communicatie in NVa/Vlaams
Belang-modus. Deze belasting is van ONS! In your face. Is dit neutrale
communicatie van een overheidsdienst? Goed, de scheiding van kerk en staat komt
niet in gevaar, geel is immers geen religieus symbool, hoewel... helemaal zeker
ben ik daar tegenwoordig niet meer van. Het Vlaamse verhaal over identiteit is
toch wel een kwestie van geloof en mythevorming.
Oei, is dit nu heiligschennis?
Misschien wordt ik geëxcommuniceerd. Verbannen uit Vlaanderen, terugsturen naar
mijn eigen land. Waar? Dat moet dan wel Nergensland zijn. Zijn daar tickets
voor?
Was bedoeld voor Facebook maar deze giftige omgeving toch maar gewisseld voor hier.
Zoals bij velen is
een portie ergernis bij het lezen van mijn krant en het volgen van nieuwsmedia
ook mijn dagelijks deel. Ik hou me doorgaans in om daar lucht aan te geven
omdat zuur doen over alle zurigheid, waarmee we overspoeld worden, niet meteen
leidt tot meer begrip, redelijker gedrag of intelligentere klap. Wie zich grondig
informeert alvorens meningen te ventileren zal dat wel blijven doen en wie
enkel in staat is om vanuit de buik te "denken" en de luidste roepers
van de dag na te praten zal dat ook blijven doen. Sociale media gaan daar niet
veel aan veranderen, wel integendeel.
Vandaag is er toch
een kleinigheid waar ik wil op wijzen. Het behelst de controverse over de farma-industrie.
Meer bepaald de verontwaardiging over vertraging in de levering van vaccins
die werd aangekondigd en de bewering als zou big pharma winst belangrijker
vinden dan volksgezondheid.
Het eerste misverstand komt voort uit onbegrip over
productieprocessen. Het woord zegt het zelf: "Big Pharma" is big
production. Er wordt een zeer ingewikkelde productielijn in gereedheid gebracht
voor een bepaalde capaciteit. Die omvang is op dat ogenblik (we zitten nog in
testfase) wellicht ingegeven vanuit een evenwicht tussen investeringen versus
kans op eindsucces bij testen van het vaccin en de daarop volgende goedkeuring
door de Europese Geneesmiddelenautoriteit (EMA), het Britse MHRA, de
Amerikaanse FDA, enz. Wanneer het vaccin uiteindelijk kan worden gedistribueerd
en de vraag enorm groot blijkt te zijn, wordt er beslist om op te schalen naar
(in het geval van Pfizer) zowat het dubbele aantal dosissen. Zoiets is geen
kwestie van even aan de volumeknop draaien. Alle fases van de productie dienen
opgeschaald te worden, alsook de toevoer van grondstoffen en dit alles opnieuw
op mekaar afgesteld. Dat de productielijn daarvoor moet onderbroken worden
lijkt me niet onbegrijpelijk. Natuurlijk heb ik geen inzage in de interne
keuken van die bedrijven maar dat hebben al die roodaanlopende verontwaardigde
schreeuwers ook niet.
Zorgelijker en perverser is het wanneer een farmabedrijf zou
beslissen om een deel van de voorraad te herbestemmen naar een hogere bieder.
Mocht dit het geval zijn, wat nu geïnsinueerd wordt maar lang niet hard
gemaakt, dan heeft het weer te maken met...
Het tweede misverstand. Dit is nu een discussie die ik al 40
jaar voer, vooral binnen weldenkende progressieve en politiek correcte middens.
Men lijkt er van uit te gaan dat het de taak van bedrijven is om te zorgen voor
het welzijn van hun arbeiders en van burgers in 't algemeen, dat ze
verantwoordelijk zijn voor het niet verstoren van ecologisch evenwicht, dat die
verantwoordelijkheid ook reikt tot het niet bezoedelen van onze lucht en geen
chemische troep in onze waterlopen te lozen, dat ze dus de gezondheid van
onze planeet niet in gevaar brengen. Kortom men gaat er van uit dat bedrijven zich ethisch dienen te gedragen. De denkfout is: een bedrijf kent geen
morele categorieën, heeft geen geweten net zoals uw broodrooster dat ook niet
heeft. Een bedrijf heeft als doel winst op te leveren voor de eigenaar en
productie is het middel daartoe. De ondernemer is natuurlijk wel moreel
aanspreekbaar en kan dus ter verantwoording geroepen worden. "Irrelevante nuance,"
denkt u maar ik zet graag puntjes op de "i": het zijn de mensen
achter de bedrijven die beslissingen nemen en dat is belangrijk om te begrijpen waar het probleem zit.
Een onderneming die geleid wordt door één persoon is een
simpel gegeven: de eigenaar kan, sociaal bewogen en milieubewust, er alles aan
doen om zijn medewerkers billijk te vergoeden en alles in het werk te stellen
om een op alle gebied eerlijk en proper product af te leveren. Als we pech
hebben neemt die ondernemer het niet zo nauw met morele normen. Ik ben in dit
opzicht niet naïef. Er lopen nogal wat gewetenloze schurken rond die zich
"entrepreneur" of “businessman” noemen maar ik ga ervan uit dat de
overgrote meerderheid van mensen die een zaak opzetten dat doen vanuit zeer
eerbare beweegredenen, zelfs vanuit een passie voor hun product. Die goede
bedoelingen staan echter steeds onder druk: in een openmarktsysteem is
concurrentie een onverbiddelijke regulator. Dat geldt natuurlijk op gebied van
prijszetting maar daar hangt automatisch ook productiekost aan vast en dus
kwaliteit, arbeidsomstandigheden, enz.
In het geval van verschillende eigenaars maakt
bedrijfsethiek voorwerp uit van onderhandeling tussen die eigenaars wat niet
altijd garant staat voor een ethisch gezonder beleid. Dit is niet enkel het gevolg
van inhaligheid van die eigenaars. Een ondernemer of CEO van een bedrijf dat met veel arbeiders en
bedienden werkt is ook verantwoordelijk voor het welzijn van zijn
medewerkers en hun gezinnen; enerzijds ingegeven uit menselijke overwegingen, anderzijds omdat personeel dat niet verzorgd wordt wellicht geneigd is om weg te lopen. De strategische keuzes die op de markt en in het
productieproces gemaakt worden hebben daar rechtstreeks impact op.
Nog een stapje ingewikkelder wordt het wanneer een bedrijf
beursgenoteerd is en dus in handen van heel veel anonieme aandeelhouders,
zonder echte band met het bedrijf, voor wie rendement het enige criterium is.
Voor ethiek lijkt nog weinig ruimte.
Gelukkig heeft de markt ook een positief effect. Ethische
bedrijfsvoering kan ook verkoopsargument zijn in een deel van de markt. De
gevoeligheid bij de consument heeft hierdoor bijvoorbeeld aanleiding gegeven
tot het ontstaan van fair trade
producten. Daarnaast hebben veel bedrijfsleiders al in een vroege
industrialiseringsfase beseft dat tevreden werknemers een groter engagement
hebben tegenover hun bedrijf, wat zowel de kwaliteit als de continuïteit van de
productie ten goede komt. Het is dus niet al kommer en kwel maar wel een zeer
complex tableau waar we toch even mogen bij stil staan alvorens met simplistische
conclusies naar de sociale media te trekken.
Terug naar de coronavaccins, of beter naar de farmaceutische
industrie. Het bijzondere aan die industrietak is het groot maatschappelijk
belang ervan en de verwevenheid met het publiek wetenschappelijk onderzoek. Dat
laatste is problematisch op verschillende niveaus. Veel onderzoek gebeurt
initieel in universiteiten. Bij ons betekent dit dus volledig publiek
gefinancierd onderzoek en ontwikkeling. De ontwikkeling van een geneesmiddel is
veelal ook het resultaat van een samenwerking tussen een universiteit en een
privaat bedrijf. Daarnaast worden bepaalde onderzoeken in privébedrijven ook
wel gesubsidieerd door overheden. Bepaalde geneesmiddelen kunnen ook
schatplichtig zijn aan eerder onderzoek waarop nog intellectueel
eigendomsrechten rusten. En het gebeurt ook dat een farmabedrijf een
universitair onderzoekslabo helpt. Dit alles zorgt voor een erg complex en
problematisch patentlandschap.
De intellectuele eigendomswetgeving, die nationale materie
is maar waarover ook internationale akkoorden gelden, is er in de eerste plaats
om de investeringen in onderzoek en ontwikkeling wettelijk te beschermen. Het
verleent de patenthouder echter gedurende een bepaalde periode het alleenrecht
op productie en verkoop van zijn (in dit geval) geneesmiddel, wat neerkomt op
een monopolie-, dus machtspositie. Bij grote of dringende vraag naar dit middel
kan dit leiden tot een zekere willekeur op het gebied van prijszetting en
bevoorrading. Los van het gegeven of een firma inderdaad misbruik maakt van
zijn positie ten koste van het algemeen belang of niet, is dit een ongezonde
situatie die ook in het gunstige geval van integer gedrag toch altijd met
argwaan zal bekeken worden. En in de praktijk hebben we al talloze keren gezien
dat die argwaan ook gewettigd blijkt.
Hoe ontkomen we aan deze tina-patstelling, een gang van
zaken die niet vermijdbaar is? There is no alternative is de roep van ons
neoliberaal bestel maar gaat uit van een duidelijk ideologische stellingname:
tegen regulering, voor volledige suprematie van de markt. Eens buiten dit kader
zijn er natuurlijk tal van mogelijkheden om tegen de dwingelandij van de
marktjungle en de moordende concurrentiestrijd op kosten van de gemeenschap in
te gaan. In een notendop en heel ver vooruit kijkend: in het geval van
bescherming van intellectuele eigendom is het bijvoorbeeld best denkbaar dat
patenten niet in handen komen van private eigenaars maar van een internationaal
patentagentschap. Dat agentschap kan dan licenties aan bedrijven verlenen. Licenties worden toegekend
onder strikte voorwaarden en telkens voor een beperkte periode. Op die manier
kan de opbrengst van de licenties op billijke wijze verdeeld worden tussen de
ontwikkelaars van een product zodat de stimulus voor innoverend onderzoek
blijft bestaan en zelfs extra gewicht kan krijgen.
Uiteraard is een dergelijk omvattend systeem een hele klus om op te zetten. Dat moet eerst en vooral politiek gedragen worden. Het juridisch kader zal voldoende garanties voor de bedrijven moeten bieden, rekening houdend met hun aandeel in de ontwikkeling die uiteraard moet vergoed worden. Voor productie en commercialisering moet ook een duidelijke procedure gelden die licentieaanvragen reglementeert, een transparante en eerlijke beoordelingswijze vastlegt alsook de geldende termijn van de licentie. Welke geneesmiddelen geproduceerd worden moet niet bepaald worden op basis van hun commerciële "levensvatbaarheid" maar doordat ze het algemeen belang en de volksgezondheid dienen. Welke instanties daar uiteindelijk over beslissen (een orgaan onder de koepel van de Wereld Gezondheidsorganisatie?) moet ook bepaald worden. Het is dus duidelijk dat proberen nu even snel met een nieuwe mondiale patentregeling voor de pinnen komen om de huidige pandemie te lijf te gaan geen goed idee is en onmogelijk. Dit is werk van vele jaren. Maar de pandemie heeft misschien meer geesten klaar gemaakt om hierover na te denken. De urgentie hiervoor is in ieder geval duidelijk.
Ik ben een absolute leek wat deze materie betreft en dus is
het makkelijk om dit idee als totaal onrealistische fantasie weg te zetten. Daartegenover
staat dan dat het blind vasthouden aan het rampzalige marktgeloof, wanneer zoveel
mensenlevens op het spel staan, van een even onrealistisch wereldbeeld getuigt. Er
is een limiet aan wat mensen verdragen!
Daarenboven geldt de hier voorgestelde wijze om patenten in het belang van de gemeenschap te beheren even goed voor de chemische en agro-industrie. Maar dat is een ander verhaal.
maandag 21 december 2020
Reflectie
over media en democratie
Hoax, alternatieve waarheid, fake news,… We worden er
de laatste jaren steeds vaker mee geconfronteerd. We lijken terechtgekomen in
een wereld waarin het er maar op aan komt te kiezen tot welke
identiteitsbepalende groep je behoort om de wereld rondom ons echt te
begrijpen. Links, rechts of averechts, allen beschuldigen de tegenpartij van
het verspreiden van valse informatie. In deze wereld van onoverzichtelijke
hoeveelheid aan feiten, meningen, verklaringen die elkaar tegenspreken ontstaat
bij velen de indruk dat er geen andere manier is om greep te krijgen op de
werkelijkheid dan meegaan in de waarheid van een sociale, politieke of
religieuze gemeenschap en daaraan vast te houden.
Laten we meteen een
misvatting uit de wereld helpen: dit is niet louter een probleem waar de
sociale media ons mee opgezadeld hebben. Hoewel de internetwereld een enorme
impact op onze beleving van de wereld heeft en ons leven totaal veranderd heeft,
is zekerheid over de werkelijkheid een vraag van alle tijden. Ook de klassieke
media hebben ons wereldbeeld meer dan eens grondig overhoop gehaald. Ze hebben de
geschiedenis vooruit gestuwd maar zijn ook altijd een slagveld geweest waar
vele waarheden en ideologieën elkaar bevochten. Een goed begrip van die
geschiedenis kan ons helpen bij het omgaan met de uitdagingen waar de digitale
media ons voor plaatsen. Een lang verhaal met heel veel lagen om je weg in te
vinden, zo blijkt.
Dé waarheid bestaat niet!
Razend
interessante filosofische stelling, samen met het verwante “Dé werkelijkheid bestaat niet”. Ook in de psychologie kennen we er
zo één: “Vrije wil bestaat niet”. Als
vertrekpunt voor een kritische reflectie over de kenbaarheid van de wereld, over
criteria voor objectief wetenschappelijk onderzoek, onderzoek naar oorzaken van
(im)moreel gedrag. In de handen van gewone stervelingen als u en ik kunnen deze
drie stellingen ook wapens zijn om tegenstanders van hun stuk te brengen, ze om
de tuin te leiden, om het eigen gedrag te justifiëren, om misstappen te verdrinken
in redeloze constructies. In mijn persoonlijke ervaring heb ik de bewering dat
de waarheid niet bestaat in ieder geval enkel op die wijze weten gebruiken. Redelijke,
op feiten gebaseerde argumenten worden plots onbruikbaar en elk gesprek
zinloos.
In de
politieke praktijk lijkt het relativeren van de concepten “waarheid” en “werkelijkheid”
soms tot de dagelijkse gangbare praktijk te behoren. Wat we de laatste 4 jaar
hebben zien gebeuren in de VS is daar de totaal doorgeslagen consequentie van.
Maar in essentie is het enige nieuwe natuurlijk de schaal waarop en de middelen
waarmee het gebeurt. Politiek is het onderhandelen van conflicterende belangen
tussen verschillende groepen of gemeenschappen; daarbij speelt het overtuigen
van anderen om onze belangen te
steunen een grote rol. Wanneer dat met redelijke, verifieerbare argumenten
gebeurt en de partijen zich bereid tonen om elkaars argumenten ernstig te af te
wegen, kan tot een vergelijk gekomen worden, waarin niemand zich gedupeerd
hoeft te voelen. Overwegen en evalueren van elkaars argumenten kan erg
ingewikkeld zijn en het onderhandelen lastig en tijdrovend maken, dat is nu
eenmaal de prijs die je betaalt in een democratisch systeem. Tot zover een
schets van de ideale wereld. In de praktijk weten we allemaal dat politiek niet
enkel bedreven wordt met redelijke argumenten. Beïnvloeding is hier het kernwoord en daartoe hebben de politici
een heel arsenaal aan instrumenten. Naast de rede kunnen argumenten ook gericht
zijn op het gevoel, de emoties of, zoals reeds vermeld, het relativeren van de
concepten die een redelijk oordeel mogelijk maken: werkelijkheid en waarheid.
Een ander element is macht. Macht ontleend aan economische positie, grootte
en/of financieel gewicht van de achterban. Helaas niet zo uitzonderlijk wordt
macht ook ontleend aan gewelduitoefening. En dan is er nog een laag die over
die andere middelen heen ligt: de media.
Media: ontvoogding én
verknechting
De
uitvinding van de Europese drukpers heeft gedurende 500 jaar gezorgd voor een ongekend
snelle ontwikkeling op zowat alle domeinen van de beschaving: wetenschappen,
politiek en algemeen intellectueel ontwikkelingsniveau van de bevolking. De 20ste
eeuw heeft een nieuwe culturele revolutie zien vorm krijgen: de shift van woord-
naar beeldtaal. De impact hiervan kan niet overschat worden. De snelheid
waarmee informatie en denkbeelden kunnen worden doorgegeven en op grote schaal
verspreid is exponentieel toegenomen. 1 beeld zegt meer dan 1000 woorden wil
het cliché. Wat op het eerste gezicht een enorme efficiëntiewinst lijkt, blijkt
toch wel een enorme prijs te hebben. Het gedrukte woord betekende niet enkel
een culturele revolutie door de snelle, massale communiceerbaarheid, het geeft ook
meer ruimte aan gelaagdheid en nuance. Ingewikkelde concepten kunnen
gedetailleerd beschreven worden, gedachten diepgaand ontwikkeld; achteraf kan
de lezer ze met de nodige aandacht tot zich nemen en daarover reflecteren, wat
kritisch omgaan met informatie bevordert en het eigen, zelfstandige denken
stimuleert. Dit alles wordt in de hapsnap snelle beeldcultuur in de kiem
gesmoord.
Is het dan
niet zo dat woord en beeld nog steeds naast elkaar functioneren in onze cultuur
en elkaar zelfs aanvullen? Ja, zo zou het in de beste der werelden natuurlijk
wel moeten; eigenlijk is dat heel lang zo geweest want vastleggen en
communiceren van inhoud via beeld is zo oud als de mens. Op zich zou het absurd
zijn om het woord als superieur aan de beeldtaal te benoemen. Beide talen
hebben elk hun eigen belangrijke functie binnen onze cultuur. Problematisch
wordt het wanneer het ene het andere verdringt, wanneer de illusie wordt gewekt
dat beeld het woord zomaar kan vervangen en grotendeels overbodig maken.
Met de
groeiende dominante positie van de drukpers als communicatiemedium, kreeg een
steeds groter deel van de bevolking gedurende eeuwen toegang tot kennis die haar
toeliet en aanzette om bijvoorbeeld eigen, geïnformeerde politieke keuzes te
maken. Hierdoor werd de democratiseringsbeweging gaandeweg bevorderd en
versterkt. De ontwikkeling van de veel snellere elektronische media, met name
in een eerste beweging de radio, zorgde voor een totaal nieuwe boost in de
wijze waarop ideeën een veel groter publiek bereikten. Dit biedt zeker kansen
tot nog breder bereik van de bevolking met emancipatorische inhoud (kennis en
cultuur, zeg maar).
Er is echter
tezelfdertijd een negatief effect. De radio zorgt niet alleen voor makkelijker
consumeerbare inhoud; door de doorlopende stroom ervan wordt reflectie bemoeilijkt,
ontmoedigd eigenlijk. Het publiek krijgt de rol van passieve consument
toebedeeld. Om de luisteraar in die rol vast te klikken wordt alles verpakt in
een aantrekkelijk entertainment formaat, veelal toegespitst op een specifiek
doelpubliek. Niet voor niets eindigen veel programma’s vandaag met een
verwijzing naar een volgend programma en de boodschap “Blijf bij ons, blijf bij Radio 1.”
Politieke
actoren begrijpen al gauw de mogelijkheden die het nieuwe medium biedt. De
overheid ziet een middel om haar beslissingen breed kenbaar te maken, te
verdedigen en de bevolking stilaan het onderliggende ideeëngoed met haar normen
en waarden als “eigen” te laten ervaren. Op zich is dit een legitieme
betrachting in het kader van het verbinden van de leden van de gemeenschap, een
idee waarop volop werd ingezet bij het ontstaan van de natiestaten. Sommige
overheden gaan er dan ook snel toe over om de zendmedia te nationaliseren en zo
een monopolie op die informatiestroom te creëren, ook om een te grote aandacht
voor concurrerende ideologieën tegen te gaan of totaal uit te sluiten.
Duidelijk problematisch in democratisch opzicht maar in een goed functionerend
democratisch politiek landschap controleerbaar.
In veel
landen wordt het initiatief echter overgelaten aan privé-actoren, wat enerzijds
een grotere diversiteit aan inhoud biedt, anderzijds ontstaat een grotere
invloed van commerciële belangen die ook op die inhoud gaan wegen. Ook daar
dreigt een negatieve impact op democratische processen: zenders komen in handen
van kapitaalkrachtige bedrijven - al dan niet deel van een persgroep - die
stilaan zelf een quasi monopoliepositie kunnen veroveren en zo ook vat krijgen
op het denken van hun publiek. Het vermengen van politieke en privé-belangen is
geen gelukkige piste. (Ah, nu komen we op akelig herkenbaar terrein.) Problematisch
maar alweer: een goed functionerende democratie kan zich daar wel tegen wapenen
en de evenwichten bewaken. Laat ik hier alvast meteen in herinnering brengen
dat ook misbruik van woord en beeld voor beïnvloeding of misleiding niets
nieuws is.
België koos
na de tweede wereldoorlog definitief voor een monopolistische nationale omroep
(vóór de oorlog had je nog enkele privézenders). Dit monopolie zou tot in de
jaren ’80 stand houden, weliswaar op tijd en stond belaagd door tal van
illegale initiatieven. En laat dit voor ons nu precies een belangrijk
kantelmoment zijn, waarover straks meer. Komen we bij de machtsgreep van de
beeldcultuur, wanneer de geluidsbeleving er met de televisie een dimensie bij
krijgt.
Beeldverslaving
Bewegend
beeld ondersteunt of versterkt niet enkel het woord zoals dat het geval is bij
een boekillustratie, het eist ook de volledige aandacht van de kijker. Meer
nog: blijkbaar zijn onze hersenen zo geprogrammeerd dat wij erg moeilijk kunnen
weerstaan aan bewegende beelden en deze trekken ons helemaal in hun verhaal. Om
het erg negatief te stellen: beeldmedia kapen onze aandacht en op de duur ons
denken. Ik maak hier natuurlijk een grote sprong maar in de praktijk hebben we
wel degelijk gezien dat de 20ste eeuw minstens 2 generaties aan
tv-verslaafden heeft voortgebracht. Vanaf eind jaren 50 geraakten zij die zich
aan die verslaving onttrokken in de minderheid. Tegenover dit negatieve beeld
staat natuurlijk ook het maatschappelijk debat dat heel breed werd gevoerd dank
zij de landelijk gedeelde ervaring. In rurale gebieden werd het leven nog tot
na de 2de wereldoorlog gedomineerd door sociale controle en een
gesloten wereldbeeld. Het meer open en individualistischer gedachtegoed dat kenmerkend
is voor de stedelijke cultuur die nieuwe normen en waarden omarmt, kreeg
uiteindelijk ook toegang tot de dorpen dankzij de televisie. Alweer een
tweesnijdend mes: nuance blijft de leidraad in dit verhaal om de kern van het
probleem te begrijpen. De razend snel evoluerende media, die instrumenteel zijn
in het emanciperen van onze samenleving, een samenleving van zelfdenkende,
verantwoordelijke burgers in een mondiale context, dreigen ons ook te beroven
van ditzelfde ideaalbeeld. Het is maar de vraag in welke richting de slinger
beweegt.
Werkelijkheid
met amusementswaarde of fictie als realiteit
Eén van de
issues die met de komst van televisie het helder denken bezoedelde en de
werkelijkheidsbeleving op nooit geziene schaal verstoorde is: het door elkaar
halen van feitelijke informatie en fictie of allerlei vormen van entertainment.[i]
Daar hoeft geen manipulatieve agenda achter te zitten. Het is de taal van het
medium zelf die voor verwarring zorgt. De continue stroom van beelden, die door
een soort eenheidsfilter gestroomlijnd wordt, nivelleert in de perceptie de
relevantie van de gebrachte informatie. De filter behelst onder meer de dwang
om de kijker niet te vervelen en daarbij wordt rekening gehouden met de breedst
mogelijke doelgroep.
Een echt
geïnteresseerd publiek is bereid om desnoods een half uur lang aandachtig te
luisteren naar de deskundige duiding bij een belangrijke maatschappelijk
probleem of wetenschappelijk onderzoek. Maar veel mensen houden dit zelfs geen
5 minuten vol zonder de nodige visuele prikkels die de beleving opleuken. Wie
nu en dan een presentatie geeft voor een zaalpubliek weet dit en speelt daar
ook op in. Het verschil met televisie is dat beeldtaal echt de essentie
uitmaakt van het huiskamerscherm en daar dus totaal afhankelijk van is om de aandacht
gaande te houden. Zogenaamde “talking heads” zorgen voor een tegennatuurlijk statisch
en dus vervelend beeld. Dus wordt elk verhaal gedynamiseerd met (liefst
bewegende) beelden die het entertainmentgehalte verhogen.
Een tweede
element in het vervagen van de grens tussen de echte wereld en de fictionele is
het door elkaar haspelen van de onderscheiden “podia”. Panelprogramma’s
verzamelen acteurs, politici, wetenschappers, zangers en sporthelden rond
dezelfde tafel en laten die inhaken op elkaars verhaal. Het gaat grotendeels om
hetzelfde selecte clubje dat steeds opnieuw opgevoerd wordt en dan ook nog eens
opdraaft in allerlei spelletjesprogramma’s. Het probleem is niet dat de modale
kijker het verschil niet zou kunnen maken tussen de bespreking van een politiek
item en die van een fictiereeks. Verstandelijk weet hij dat onderscheid wel te
maken maar de onbewuste, emotionele verwerking van de gebrachte informatie laat
die scheiding lekken. Natuurlijk komen politici graag in beeld om hun verhaal
te doen en het is voor de burger ook belangrijk om kennis te nemen van de
verschillende standpunten. Maar politici hebben niets te zoeken in louter
entertainmentprogramma’s. Om maar meteen een zeer zichtbaar effect te noemen:
in 2010 won N-VA de verkiezingen voornamelijk dank zij het optreden van Bart
De Wever in het kwisprogramma De Slimste
Mens. Onzindelijk heet zoiets. (Sorry Bart, niets persoonlijks maar ’t
voorbeeld maakt mijn punt te schoon om te laten liggen) Het zijn echter
effecten op langere termijn die we in de gaten moeten houden.
Door het
mengen van de twee formats krijg je
eigenlijk een devaluatie van de relevantie van feitelijke informatie, die
burgers in staat stelt om maatschappelijke kwesties te begrijpen. In eenzelfde
beweging worden triviale items opgewaardeerd tot belangrijke discussieonderwerpen.
Dit is dus die nivellering. We komen er straks op terug.
Privatisering
Om de
gevolgen van de privatisering van de ether te duiden gaan we eerst even terug
naar de radio . Het door de overheid gecontroleerde medialandschap van de jaren
’60 slaagde er niet in om de jongerencultuur van de babyboomers te vatten. De
knullige wijze waarop daarover gerapporteerd werd, was soms aandoenlijk
hilarisch. Vooral: nieuwe wereldbeelden met nieuwe behoeften en de erbij
horende creatieve uitingen die toen vorm kregen in de jongerencultuur vonden soms
wel hun weg naar enkele nicheprogramma’s maar werden niet gereflecteerd in de
algemene programmatie. Dat was natuurlijk een gevolg van het feit dat de BRT
een zender voor het breedst mogelijke publiek wou zijn en dus geendoelgroepenpolitiek kon voeren. Commercieel
privé-initiatief sprong in dit gat, althans in het verkoopbare deel: populaire
muziek. Illegale radiostations vochten de monopoliepositie van de overheidszenders
aan en opereerden gedurende jaren vooral van op schepen buiten de territoriale
wateren om hun doelpubliek te bereiken. Een jarenlange juridische strijd
resulteerde uiteindelijk in het opdoeken van de illegale zenders. Maar eind
jaren ’70 zag een nieuwe golf van illegale zenders ontstaan. Deze keer waren ze
veel groter in aantal maar veel kleiner in zendbereik. Daarenboven opereerden
niet allen vanuit een commerciële motivatie. Velen waren hobbyisten die de
nostalgische herinnering aan de boeiende sixties wilden herbeleven en zich vrije radio noemden. Daarnaast had je
een hele reeks zogenaamd lokale radio’s
die een stem wilden geven aan de jongerencultuur en de vele sociale bewegingen,
die belangrijk waren in het leven van een stad maar te weinig gehoord werden op
de officiële zenders of in het politieke debat. Zij zagen hun rol als
aanvullend op het aanbod van de toenmalige BRT en RTBF met een louter lokaal
aanbod. Op die wijze fungeerden ze als een ontmoetingsplaats voor zowel de
grotere buitenparlementaire bewegingen als 11.11.11 of Oxfam maar ook de lokaal
georganiseerde grassrootsbewegingen: de vrouwenbeweging, de wetswinkels, het
buurtopbouwwerk, enz. Zij groepeerden zich in een belangenorganisatie om in
gesprek te gaan met de overheid: VEBE.
In de chaos
die toen ontstond profileerden zich ook enkele echt commerciële initiatieven
die duidelijk de bedoeling hadden om de officiële zenders te beconcurreren met
een nationale programmatie. Deze zenders groepeerden zich in VEBORA om de
geldende wetgeving in hun voordeel te wijzigen.
Aan de
oppervlakte zag het publiek een juridisch gevecht met talloze inbeslagnames en
vervolgingen van de illegale zenders en parlementaire initiatieven om de
wetgeving aan te passen.
Daaronder
speelde zich een politiek machtsspel af om de controle van het medialandschap.
Grofweg ging het om de klassieke ideologische strijd: de totale liberalisering
van dat landschap versus het behoud van de overheidsdominantie. Of nog:
winstgestuurde publieke dienstverlening versus maatschappelijk belang als
drijfveer. De lokale radio’s stelden zich eerder terughoudend op ten aanzien
van het verkopen van reclametijd om inkomsten te genereren, dit om de
maatschappelijke opdracht die ze zichzelf hadden gesteld niet te laten
bezoedelen of afhankelijk te worden van sponsors wier belangen soms
conflicteerden met onafhankelijke berichtgeving. Voor de VEBORA-zenders was het
concept vrije radio gewoon het forceren van een nieuwe businessopportuniteit.
Misschien
is het hier de plaats om een belangrijk principe over het verdienmodel van private
media helder te stellen. Zoals Marshall McLuhan (The Media is the Message) en Neil Postman (Amusing Ourselves to Death) duidelijk maakten is er volgens het
kapitalistisch model ook hier een markt waar verkoper en koper elkaar vinden. Intuïtief
zou je kunnen denken dat het medium (het radio- of tv-station) de rol van markt
speelt waar de verkoper (de waspoederproducent) tegen een vergoeding zijn
product promoot bij de luisteraar die uiteraard de potentiële koper is. De ware
constructie ziet er echter iets anders uit. De verkoper is het radio- of
tv-station en de koper is de adverteerder. Het product is geen wasmiddel of elektrische
auto maar de luisteraar (of zijn aandacht). Een zender zorgt voor de opbouw van
een publiek in functie van de verkoopbaarheid aan zijn klanten. Dit betekent
dat de zender zal moeten nadenken over de inhoud van zijn programma’s, niet
alleen om een zo groot mogelijk publiek aan zich te binden (advertentieprijzen
worden uiteraard berekend volgens het aantal bereikte luisteraars) maar ook om de
juiste doelgroep (interessantst voor de adverteerder) te bereiken. Einde
illusies over onafhankelijkheid. Heel dit principe herkennen we uiteraard nog
duidelijker wanneer we aan de huidige sociale media denken. Het wordt dus begrijpelijk
waarom de VEBE-zenders zich hardnekkig probeerden te verzetten tegen het
afhankelijk worden van reclame-inkomsten. Dit betekende bijgevolg ook dat er
geen geld was om personeel te betalen, dat de stations volledig op vrijwilligerswerk
draaide.
Uiteindelijk werd de ether opengesteld voor zowel lokale als commerciële
zenders. Hoe de verdeling van de bandbreedte uiteindelijk is gebeurd, heb ik
niet meer van nabij gevolgd. Kleine zenders werden soms wel verplicht om een
frequentie te delen met collega’s. Maar de kern van de zaak was dat de 40 jaar
durende monopoliepositie van de Belgische openbare omroepen werd doorbroken en
dat reclame officieel haar intrede deed in de Belgische ether. Eens dit
principe aanvaard, was het maar een kwestie van enkele jaren tot ook de
commerciële televisie de markt kon openbreken. En eens het verdienmodel van de
commerciëlen genormaliseerd, konden ook de overheidszenders niet achterblijven:
de VRT-zenders werden geacht een stuk financieel te verzelfstandigen in plaats
van volledig afhankelijk te blijven van het overheidsinfuus. VRT-reclame was
een feit. De afhankelijkheid van publiciteitsinkomsten en de impact hiervan op
de programmatie waarnaar we eerder verwezen is niet gering. Dat die impact,
gezien de overheidsdotatie, minder groot is voor de openbare omroep dan voor de
commerciële zenders is logisch maar daartegenover staat dan weer dat de
politieke druk op de eerste groter is. In hun strijd om een groter marktaandeel
zijn de privé-zenders meer geneigd een duidelijker doelpubliek af te bakenen
dat qua profiel gemakkelijker kan gepresenteerd worden aan adverteerders. Aangezien
ze die afbakening zo breed mogelijk zullen willen definiëren en hun inhoud zullen
afstemmen op een zo groot mogelijk bereik op elk moment, zal dit de
programmatie bepalen. Muzikaal hanteert men hiertoe “makkelijke” playlists
(alles wat niet populair of onbekend dus onbemind is te mijden). Hier krijgen we
dus te maken met culturele nivellering. Door de voornoemde strijd om marktaandeel
zullen ook de officiële zenders zich verplicht zien om een stuk mee te gaan in
die trend. Ook in de productie van soaps laten zowel commerciëlen als openbare
zenders zich niet onbetuigd. Waar het verschil wel duidelijk wordt is in het
inspelen op sensatiebeluste en voyeuristische sentimenten, zie zogenaamde
realityshows als de Osbornes, de Pfaffs,
Temptation Island of Naked Attraction,
vooral formats van commerciële televisie.
Vooraleer de indruk zou ontstaan dat het probleem zou gaan over de
tegenstelling totale vrijheid van aanbod en dus ook keuzevrijheid van de
consument versus een staatsgestuurde programmatie, nog even verduidelijken. Een
overheid moet zich niet bezig houden met concrete inhoud. Subsidiëring kan daar
nooit een excuus voor zijn. Integendeel, de overheid moet enerzijds de
onafhankelijkheid van de openbare omroep garanderen en anderzijds algemene
opdrachten bepalen die de omroep moet opnemen. Particuliere belangen
(commercieel of politiek) mogen op geen enkele wijze vat krijgen op de inhoud
van de programmatie. Mediapubliciteit (die men nu eenmaal heeft ingevoerd) moet
binnen duidelijk afgelijnde blokken met “waterdichte” wanden worden gebracht
zodat op geen enkel moment contaminatie kan plaatsvinden. Maar ook de politieke
onafhankelijkheid dient uiteraard gegarandeerd te worden, iets wat niet alle
politici menen te begrijpen.
Rolmodel
Wat wel aan de orde is: de nivellering waarop we al wezen. Onderwerpen
die aan bod komen in de media krijgen in de publieke perceptie een belang, los
van het belang dat ze in de fysieke wereld zouden hebben. Mensen die in de
media opgevoerd worden krijgen een legitimering die veelal niet in verhouding
staat tot de rol die ze daarbuiten spelen, hun deskundigheid over behandelde
onderwerpen of hun relevantie in het echte leven. Dit is de discrepantie tussen
de werkelijke relevantie van thema’s of opgevoerde personages en de
gepercipieerde. Het is die laatste die veelal bepaalt waarover mensen het in
hun dagelijkse gesprekken hebben. Daarnaast bevatten programma’s, of het nu om
fictie of duiding gaat, altijd een niet uitgesproken boodschap. Mediagezichten
zijn rolmodellen, hebben dus publieke invloed. De levensstijl van publieke
mediafiguren hebben een normerende lading. Woningen, interieurs die getoond
worden in tv-series of films zijn veelal die van een gegoede middenklasse.
Individueel vervoer, liefst met een zekere status, wordt als norm
gepresenteerd. Hetzelfde gebeurt met de wijze waarop modellen voor onze
vrijetijdsbesteding worden voorgehouden, inclusief om maar iets te noemen zon-
en skivakanties, citytrips en intercontinentale vliegreizen. Op lange termijn
drukt dit alles een stempel op de wijze waarop veel mensen naar de wereld
kijken en op hun verwachtingen.
Tot zover de traditionele media, van drukpers tot en met televisie, die
als gemeenschappelijk kenmerk eenrichtingsverkeer hebben, het gaat steeds van
één zender naar vele ontvangers. Samenvattend: elke introductie van een nieuw
medium maakte het mogelijk om ideeën en kennis breder, verder en sneller te
verspreiden. Dit betekende telkens een belangrijke emancipatorische stap naar
een meer democratische samenleving maar droeg ook de mogelijkheid in zich tot
gebruik dat net die ontvoogding hypothekeerde. In de twintigste eeuw is het
medialandschap zo divers en ingewikkeld geworden, de belangen die spelen steeds
minder transparant, de gelaagdheid van inhouden zo complex dat de werkelijke
invloed op het denken van mensen moeilijk in te schatten is. Het is altijd een
dubbel verhaal dat in de balans op lange termijn tot nog toe (gelukkig) positief
is uitgevallen maar steeds meer aan onze controle dreigt te ontsnappen.
Begin jaren ’80 vond ik al: als de
burgers er niet in slagen de media te beheersen zullen de media ons beheersen.
Pogingen om de media niet over te leveren aan de platte logica van de markt, omdat
we dan het tegenovergestelde krijgen van de vrije keuze van de burger, zijn ten
dele mislukt. De markt gaat voor de laagste gemene deler, voor de gemakkelijke
inhoud, het gemakkelijke verhaal, de gemakkelijke uitleg en veelal ook met
nadruk op het sensationele omdat dat het best verkoopt. Gelukkig is de openbare
omroep overeind gebleven, zij het mits heel wat concessies onder druk van
concurrentie en politiek. De VRT biedt nog steeds een brede kijk op de wereld
die er voor de burgers toe doet. De geopolitiek, de allesoverheersende
wereldhandel met een universeel consumptiemodel, onze mobiliteit en de
mediarevolutie zou van de wereld een dorp gemaakt hebben. Dit idee verbergt wel
de complexiteit van die wereld. De wereld begrijpen vooronderstelt toegang tot
een diversiteit aan bronnen: van actuele informatie tot cultuurhistorische
context; zowel feitelijke kennis als fictionele voorstellingen in verschillende
kunstuitingen bieden ons die context. Een steeds belangrijker deel van die
kennisbronnen halen we uit het immens uitgestrekt medialandschap dat een
oneindige veelheid aan materiaal bevat. Het herkennen van betrouwbare bronnen,
het selecteren van relevante informatie en het verwerken ervan zijn vaardigheden
die ervaring en kennis vergen. Kennis van hoe media functioneren, zoals we in
dit verhaal poogden te schetsen, is daarin essentieel. Kinderen worden reeds
vanaf de jongste, meest beïnvloedbare leeftijd overspoeld met mediainhoud. De
kennis en vaardigheden om daarmee om te gaan zouden dus in die jonge jaren
moeten meegegeven worden opdat ze kritisch en weerbaar met de media zouden
kunnen omgaan. Dit was al het geval in een tijd van de traditionele media. Ons
onderwijs heeft die rol in het verleden helaas niet of onvoldoende opgenomen.
Met de introductie van de personal computer werd eerder genoemd devies: als wij de computer niet beheersen zal de
computer ons beheersen. Ondertussen weten we dat computer hierbij staat
voor e-commerce, sociale media, big tech, enz. Alles wat we aanbrachten over de
traditionele media zien we vandaag uitvergroot in het hedendaagse
medialandschap dat steeds interactiever wordt en een ongekende greep gekregen
heeft op ons denken en doen. Meer dan ooit is het zaak ons (en onze kinderen)
weerbaar te maken in de digitale jungle. Wat potentieel verbindende technologie
zou kunnen zijn is verworden tot een explosief paard van Troje dat wij allen in
huis hebben gehaald. Met de technologie op zich is niets mis. De vraag is wie
er zich meester van heeft gemaakt. Indien wij vrije mensen willen blijven (of
het weer worden) zullen we terug meester moeten worden over onze “essentials”,
de zaken die nooit aan de markt hadden mogen overgelaten worden. Net zoals water,
lucht, kennis, grond, openbaar vervoer, onderwijs, communicatie, energie of
gezondheid behoren daar ook toe: de media. Dit betekent absoluut niet dat er
geen plaats is voor privé-initiatief, maar de spelregels moeten ten allen tijde
gedicteerd worden door het algemeen belang en voor iedereen gelijk zijn, dat
wil zeggen niet op maat van de sterkste.
[i]Enkele decennia later zou het ook nog een
bijzonder format opleveren onder het label infotainment.
In De Morgen van 7 oktober legt Barbara Debusschere het nog eens overzichtelijk uit. Neen, dit is geen nieuwe informatie... weten we al vele jaren maar op één of andere manier sluiten we nog altijd onze geesten voor deze unconvenient truth.
Voor alle duidelijkheid ik heb geen rechten op dit artikel, die liggen uitsluitend bij De Morgen en dus geldt hier ook geen Creative Commons licentie. Abonnees van De Morgen kunnen op onderstaande titel klikken om rechtstreeks op hun site te lezen maar zij die liever en andere gazet lezen mogen hier toch niet van verstoken blijven... Voor één keer, 't is voor de goede zaak.
Op
een markt in Sulawesi, Indonesië worden geroosterde vliegende vossen,
een soort reuzenvleermuis, verkocht. De mix van uitwerpselen, bloed en
urine op de markten voor wilde dieren biedt virussen een uitgelezen kans
om van de ene soort op de andere te springen.Beeld Photo News
De
coronapandemie overkomt ons niet zomaar. Door in sneltempo ongerepte
natuur te vernielen, spreiden we de rode loper voor killervirussen die
de sprong van dier naar mens maken.
Een
virus dat van bij een exotische diersoort ‘overloopt’ naar de mens en
vervolgens in acht maanden tijd één miljoen mensen doodt, het is voor
velen een spectaculair geheugensteuntje. “SARS-CoV-2 herinnert ons eraan
dat de natuur uiteindelijk de baas is”, klinkt het dan.
Er
valt weinig op af te dingen. Ondanks de spectaculaire technologische en
wetenschappelijke vooruitgang moeten we af en toe buigen voor dit soort
onheil uit de natuur.
Hoewel
het voor virussen en bacteriën meestal erg moeilijk is om over te
lopen, zijn er sinds ons bestaan geregeld voorbeelden opgedoken, zoals
hondsdolheid of de mazelen, die een duizendtal jaar geleden van bij
runderen kwamen. De veertiende-eeuwse pest kregen we via ratten.
Recentelijker doken vogelgriep, ebola, MERS, SARS, zika en westnijlvirus
op. Hiv, dat via chimpansees tot bij de mens kwam, doodde al 33 miljoen
mensen.
Luchtbeeld
van een illegale mijn in het Braziliaanse regenwoud. De vernieling van
de natuur blijkt de grondoorzaak van almaar meer ziekten die van dier op
mens springen. Beeld AFP
Maar
het was pas toen er begin dit jaar berichten uit China kwamen over een
gevaarlijk virus dat wellicht van bij vleermuizen op de mens overging,
dat de wereld collectief grote ogen trok over zoveel darwinistisch
spektakel.
Eén
soort mensen was niet verbaasd. Virologen gespecialiseerd in
zoönoses, ziektes die van bij gewervelde dieren overgaan op de
mens, schreven jaren geleden al dat exact dit zou gaan gebeuren.
De
eerste SARS-epidemie, die tussen 2002 en 2003 bijna 800 mensen doodde,
en ebola waren ook al virussen die van bij wilde dieren in tropengebied
bij de mens kwamen. Maar SARS-CoV-2 heeft ons pas echt wakker geschud
over het gevaar van zoönoses.
Gedroomde gastheren
Zo
verbazend is de komst van dit virus eigenlijk niet. De natuur barst van
de ‘beestjes’ en van de ziektekiemen. Volgens een schatting van het
Global Virome Project circuleren er 1,67 miljoen nog niet ontdekte
virussen in zoogdieren en vogels, waarvan tot de helft gevaarlijk kan
zijn voor de mens.
En
vleermuizen zijn de gedroomde gastheren. Ze maken liefst een vijfde uit
van alle bekende soorten zoogdieren. Via vleermuizen is grote
verspreiding dus gegarandeerd. Bovendien zit hun immuunsysteem zo in
elkaar dat ze veel virussen kunnen meedragen zonder zelf ziek te worden.
Wat ziektekiemen de grootste overlevingskansen geeft.
Toen
de Chinese virologe Shi Zhengli, die al zestien jaar coronavirussen bij
vleermuizen analyseert, eind vorig jaar vaststelde dat twee mensen in
Wuhan besmet waren met een virus dat leek op het SARS-virus, waarschuwde
haar team dan ook direct dat dit een groot probleem kon worden.
Want
ook deze experts weten dat besmettelijke zoönoses steeds vlotter
oprukken. Werden er in de jaren 50 zo’n dertig nieuwe geteld, dan waren
het er in de jaren 80 honderd. “En dat is maar voor een klein beetje
omdat we die virussen beter in kaart brengen”, zegt zoöloog Herwig Leirs
(UAntwerpen), gespecialiseerd in zoönoses die kleine zoogdieren
verspreiden. Vandaag is ruim twee derde van de nieuwe infectieziektes
ontstaan bij wilde dieren.
Dat
we met bijna 8 miljard zijn, helpt niet. Nooit waren er zoveel
potentiële prooien voor dit soort performante virussen. “Bovendien is 60
procent van de zoogdieren nu vee en is 36 procent mens”, zegt Myriam
Dumortier, verbonden aan het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek en
docent bos- en natuurbeleid aan de Universiteit Gent. “Slechts 4 procent
zijn wilde zoogdieren. Maar de kans dat zij in contact komen met mensen
is veel groter geworden.”
Omdat
die massa mensen ook de hele tijd van hot naar her reist, krijgen
zoönoses nog veel meer kansen. Raakt pakweg een Afrikaanse landbouwer in
een afgelegen dorp besmet met een virus van wilde dieren, dan kan dat
binnen 24 uur in miljoenensteden zitten. Zo ging het met met ebola, SARS
en SARS-CoV-2.
Politiek gevoeliger factoren zijn de wildlife markets, waar
wilde dieren worden verkocht, en lokale inwoners die wilde dieren eten.
Dat laatste is soms traditie maar ook vaak puur overleven. Bushmeat is
dan de enige eiwitbron voor armen mensen. Dat kan heel erg mislopen. Zo
bereikte hiv de mens wellicht doordat mensen die dicht bij het woud
leven vlees van besmette chimpansees aten.
Armen
verbieden voedzaam te eten ligt uiteraard te moeilijk, maar China heeft
wel de markten waar levende wilde dieren worden verkocht gesloten, zij
het tijdelijk. Daar zitten wilde en andere dieren dicht opeengepakt en
worden sommige geslacht.
Alle
experts zijn het erover eens dat de mix van uitwerpselen, bloed en
urine op die markten virussen een uitgelezen kans geeft om van de ene
soort op de andere te ‘springen’. Maar ze zijn het er niet over eens dat
die markten sluiten een oplossing is, omdat de kans reëel is dat dan
ondergrondse circuits ontstaan.
Dat
geldt eveneens voor nog een snelweg die zoönoses en andere
infectieziektes nemen: de handel in wilde dieren, al dan niet in de vorm
van bushmeatof als huisdier. Alleen al in China is die jaarlijks goed voor 20 miljard dollar.
Zorgwekkend
is ook de internationale handel in exotische huisdieren zoals
reptielen, papegaaien, knaagdieren en vissen omdat die zelden
gecontroleerd worden op ziektekiemen die mensen ziek zouden kunnen
maken.
Als een bijenkorf
De verkoop
van bushmeat en de handel in wilde dieren beter controleren of
verbieden zou het risico op zoönoses verminderen, maar erg realistisch
is dat laatste niet. Het zou ook niet volstaan. “Het is vooral de
grootschalige vernieling van de natuur die deze zoönoses vrij spel
geeft”, zegt Leirs.
Amy
Vittor, assistent-professor infectieziekten aan de Universiteit van
Florida (Emerging Pathogens Institute), vat het samen in één beeld. “De
natuur is als een bijenkorf. Ze zit, vooral in tropische gebieden, vol
ziektekiemen die ons zouden kunnen schaden. Doorgaans blijven ze in hun
korf. Maar wanneer de mens passeert en er flink tegen duwt, zal daar van
alles uitkomen.”
En dat is exact wat de laatste decennia steeds driester gebeurt.
Zo
kan een op drie van de nieuwe infectieziektes, die dus grotendeels van
bij dieren komen, in verband gebracht worden met de aantasting van
tropisch bos voor mijnbouw, landbouw en verstedelijking. Dat blijkt uit
onderzoek van de EcoHealth Alliance, een Amerikaanse ngo die nieuwe
virussen in wilde dieren traceert. Andere studies wijzen uit dat
ontbossing de kans op lokale ebola-uitbraken aanzienlijk vergroot.
Je
zou nochtans denken dat minder wilde natuur net minder gevaarlijke
ziektekiemen uit de wildernis meebrengen. Maar het omgekeerde is aan de
hand. Net de vernieling van de natuur blijkt de grondoorzaak van almaar
meer ziektes die van dier op mens overgaan, zo stelt ook de VN.
Dat gebeurt in vier fases.
Door
ontbossing voor wegen, mijnbouw en landbouw of verstedelijking dringen
ten eerste meer mensen dan ooit diep binnen in gebieden waar zij vroeger
nauwelijks kwamen.
Vaak
zijn het arbeiders die van ver komen. In tegenstelling tot de lokale
bevolking die al jaren of eeuwen met bepaalde wilde soorten
‘samenleeft’, hebben zij geen immuniteit opgebouwd tegen virussen en
trekken ze na hun werk terug naar steden waar ze die makkelijk
verspreiden.
Ten
tweede jaagt ontbossing wilde dieren allemaal samen in veel kleinere
lapjes natuur die nog overblijven. Daardoor wisselen ze meer dan
gewoonlijk onderling ziektekiemen uit, wat de kans op nieuwe en mogelijk
sterkere varianten vergroot.
Ten
derde moeten ze op zoek naar nieuwe voedselbronnen en huisvesting. Vaak
drijft hen dat veel dichter richting de mens. Zo doodde het nipahvirus
in Maleisië in 1998 honderden mensen na het verdwijnen van regenwoud
voor palmolieplantages en veeteelt. Fruitetende vleermuizen belandden op
varkensboerderijen waar mangobomen staan en besmetten met hun
uitwerpselen en de varkens, die op hun beurt de medewerkers besmetten.
Ten vierde ontstaat in aangetaste ecosystemen op langere termijn een scheve verhouding die zoönoses nog meer kansen geeft.
Knaagdieren en vleermuizen
“In
een gezond ecosysteem heb je van vele soorten enkele exemplaren”, zegt
Leirs. “In een aangetast gebied zijn het op den duur veel exemplaren van
nog maar weinig soorten. Het zijn doorgaans kleinere,
niet-gespecialiseerde soorten die zich zeer snel voortplanten en zich
erg goed kunnen aanpassen aan verstoorde ecosystemen en de nabijheid van
de mens.”
En
dat zijn net de soorten die de meeste ziektekiemen dragen. “Wellicht
omdat ze zich veelvuldig en snel voortplanten maar slechts kort leven”,
zegt Leirs. “Daardoor investeren ze weinig in een robuust immuunsysteem
en laten ze makkelijker ziektekiemen toe. Maar ze zijn dus met heel veel
en virussen krijgen de kans snel te muteren omdat ze zich zo snel
voortplanten. Knaagdieren en vleermuizen zijn de belangrijkste
voorbeelden.”
Recent onderzoek in Nature,
dat bijna zevenduizend soorten op zes continenten bestudeerde,
bevestigt dat. Knaagdieren en vleermuizen dragen de meeste ziektekiemen
en komen 18 tot liefst 70 procent keer meer voor in beschadigde dan in
intacte natuur omdat ze de plaats innemen van de gespecialiseerde
soorten die de verstoring van hun ecosysteem niet verteerd krijgen. Hun
aantallen zijn op die plekken 21 tot 144 procent keer hoger dan in
ongerepte habitats.
“Deze
studie corrigeert het idee dat de wilde natuur de grootste bron van
zoönoses is”, schrijven biologen Rick Ostfeld (Cary Institute of
Ecosystem Studies) en Felicia Keesing (Bard College) in een commentaar.
“Nee, de grootste bedreiging ontstaat wanneer natuurlijk gebied terrein
moet ruimen voor landbouwgrond of stedelijke gebied. De patronen zijn
frappant.”
Een
huisdierenmarkt in Calcutta, India. De internationale handel in
exotische huisdieren zoals reptielen, papegaaien, knaagdieren en vissen
baart virologen grote zorgen.Beeld EPA
De
onderzoekers adviseren om meer surveillance en sterkere gezondheidszorg
te organiseren waar en wanneer rijke natuur tegen de vlakte gaat. Ook
brengen wetenschappers van het Global Virome Project preventief hotspots
in kaart.
Nature
publiceerde dat soort kaarten. Waar rijke biodiversiteit samengaat met
grote bevolkingsdichtheid, intensieve landbouw en vernieling van de
natuur staan alle lichten op rood. Het gaat om streken in onder andere
India, China, Brazilië maar ook in Europa.
Intensieve
veeteelt speelt een belangrijke rol. Ze veroorzaakt niet alleen
ontbossing, onder andere door sojaproductie voor veevoeder, ook de
megastallen zijn een probleem. “Er gelden strenge bioveiligheidsnormen,
maar als daar toch een ziektekiem binnenraakt, belandt het bij veel
dieren die dicht opeen leven en genetisch zeer identiek zijn met vaak
een zwak immuunsysteem”, zegt Dumortier. “Dan kunnen zeer snel mutaties
richting schadelijker ziektekiemen ontstaan. Bij vogelgriep gaat het
vaak zo.”
Varkenspest
is nog een voorbeeld. Er leeft ook bezorgdheid over nieuwe
griepvirussen die kunnen ontstaan door vermenging van bestaande virussen
bij varkens en bijvoorbeeld eenden.
Honger naar vlees en palmolie
Naast
het aan banden leggen van de handel in wilde dieren kunnen ook meer
alertheid op plekken waar ontbost wordt en een robuust internationaal
detectiesysteem voor pandemieën de opmars van zoönoses afremmen.
Maar
we moeten vooral de grootschalige vernieling van ecosystemen afblokken,
zo schreven ’s werelds meest vooraanstaande virologen en economen in
juli in vakblad Science. Want “zieke ecosystemen maken zieke dieren en uiteindelijk ook zieke mensen”.
Vooral
de almaar grotere honger naar vooral vlees en palmolie, twee grote
oorzaken van de grootschalige ontbossing, en ook de verkoop van
elektronica, waarvoor intensieve mijnbouw nodig is, zouden we moeten
drukken, zo klinkt het. “Hoe wij hier consumeren, heeft een directe
impact op wat in die tropische gebieden gebeurt. Wij hebben een
connectie met die ecosystemen”, zegt Dumortier.
“‘Wij’
slaat wel vooral op de rijksten”, zegt Nick Meynen, geograaf en
beleidsmedewerker bij het European Environmental Bureau. In zijn nieuwe
boek De val van Icarus. Het virus als kantelpunt verwijst hij naar de Nature-studie
waarin wetenschappers concluderen: ‘De rijke burgers zijn
verantwoordelijk voor de grootste impact op het milieu. De toename van
hun negatieve impact is veel groter dan ecologische winsten door betere
technologie. Zij staan centraal in elk mogelijk scenario richting
veilige ecologische omstandigheden.’
De
onderzoekers hopen alvast dat er door de Covid-19-pandemie meer
stilgestaan wordt bij de gigantische ellende en enorme kosten waarmee
natuurdestructie ons kan opzadelen.
Voorlopig
lijkt dat niet te lukken. Net omdat alle aandacht en middelen nu gaan
naar de pandemie, slinken de aandacht en middelen voor natuurbehoud.
Volgens sommige berichten neemt de ongecontroleerde ontbossing in het
Zuiden de laatste maanden net toe. Dat maakt het voor het volgende
killervirus alleen maar makkelijker om onze soort te bereiken.
Vanochtend
lees ik op de voorpagina van mijn favoriete krant: “Vervuiling doodt
1 op 8 Europeanen”. Een miliseconde
denk ik “Voilà, weer eens dezelfde open deur ingetrapt, dat weet iedereen al
jaren,” om dan onmiddellijk de ontmoedigende discrepantie te zien tussen de
verhitte angst- en woedereacties, waaraan wij ons in de huidige
gezondheidscrisis al maandenlang overgeven en de gelatenheid waarmee
bovenstaand bericht passeert.
Vandaag aanvaarden
wij dat men ons onschuldig veroordeelt tot huisarrest dan wel verplicht om
gemaskerd de straat op te gaan ook wanneer elke gefundeerde reden daartoe
ontbreekt (lege straten). Dat ons de toegang tot het woonzorgcentrum waar onze
ouders of grootouders opgesloten zitten vinden we lastig maar helaas nodig.
Tezelfdertijd laten wij ons gewillig verschepen in overvolle bussen en trams en
sturen we onze kinderen weer de scholen in, ook al weten we dat dit
oncontroleerbare haarden van infectie zijn. Doodsbang zijn we voor de in de
loop van ons relatief korte leven nog ongekende pandemische dreiging. Onze
“captains of industry” (ik vind het uiterst moeilijk om bij horen of gebruiken
van dit opgeblazen ego-begrip een ironisch/meewarige glimlach te onderdrukken)
gaan zelfs mee in beslissingen die heel onze economie dreigen te ontwrichten.
De grote jongens weten natuurlijk ook wel dat een nieuwe crisis een mooie
opkuis van de zwakkere broertjes kan betekenen wiens marktaandeel meteen wordt
ingelijfd, maar dit geheel terzijde.
Zal ik even cijfers citeren?
Tot op heden 183 306
Coronadoden in Europa sinds de uitbraak begin dit jaar tegenover 630.000 doden
door vervuiling élk jaar (!). Ik weet niet hoe het u vergaat maar mij stemmen
die cijfers tot nadenken. Worden de oorzaken van die vervuiling aangepakt? Wel…
euh, ja we doen ons best. Maar dan wel met de billen in stijf gesloten kramp.
Wellicht zijn er mensen die al veel langer kennis hebben van de desastreuze
gevolgen van ons kapitalistisch industrieel vervuilingspatroon. Maar ik zal
voor mezelf spreken: ik heb daar al meer dan 50 jaar weet van (Club van Rome
vanaf 1968) en probeer daar in mijn eigen praktijk (ik geef toe: met wisselend
succes) zo weinig mogelijk toe bij te dragen. Als ik het weet dan moeten die
slimmeriken die aan het roer staan van naties en van multinationals het zeker
weten: hoe het anders moet. Maar wat je te horen krijgt is dat we het
industriële productie- en winstmodel niet teveel mogen hinderen want die zorgen
voor de zo noodzakelijke economische groei, voor onze welvaart. En dan komt
een vicieuze cirkelredenering de magische deus ex machina om het behoud van het
huidige systeem veilig te stellen. Als we onze economie in gevaar brengen is er
geen geld om de vervuiling aan te pakken, laat staan om onze gezondheidszorg te
financieren. Ziezo, dat hebben we weer mooi voor elkaar: kop in ’t zand.
Laat
ik toch meegeven over welke gezondheidsdreigingen we het hebben. De
belangrijkste ziektes die Europeanen oplopen door omgevingsfactoren zijn
kankers, hartziektes, chronische longziektes, beroertes, neurologische ziektes
zoals alzheimer en diabetes. Maar mijn gazet vertelt mij ook dat het eigenlijk
allemaal zo erg niet is… voor wie in betere buurten woont en genoeg geld heeft
om zich tegen de negatieve impact van milieurisico’s te beschermen.
Tiens, waaraan doet dit me denken? O ja, Corona houdt vooral
huis in verzorgingsinstellingen waarin bewoners zo al tot risicogroep behoren
en het personeel minder dan gemiddeld betaald worden. Goedbetaalde kantoorjobs
verlopen de laatste maanden grotendeels van thuis uit en er wordt veilig
zoomvergaderd. Kassiersters in den Aldi en buschauffeurs kunnen zich niet
onttrekken aan massale risicocontacten. Tja, spijtig maar helaas, zo is ’t
leven.
Mijn vraag bij dit alles: gaan we onze selectieve perceptie
van wat (de kwaliteit van) ons leven bedreigt eens bijstellen? Gaan we de
cijfers eens bijstellen? Gaan we ons perspectief eindelijk eens verplaatsen
naar een zicht op wat er werkelijk toe doet in plaats van het ons te laten
opdringen? ’t Zijn maar een paar vragen maar aan de antwoordzijde zal het wel
weer oorverdovend stil blijven. En toch weiger ik mijn positivo kijk op een
mogelijke toekomst op te geven, op straffe van voor naïeve onnozelaar versleten
te worden. Un autre monde est possible!
Wat moest
gebeuren is geschied: we zitten middenin de tweede coronagolf. Iedereen wist
dat dit er aan kwam, we zagen het van ver. We wisten precies wat we moesten
doen om er sneller in te duiken en dat deden met volle overgave.
We? Neen,
natuurlijk zijn we niet allemáál als lemmingen in de afgrond gedoken,
opgezweept door de praatjesverkopers die zich voordoen als de behoeders van ons
welzijn en ons tezelfdertijd een wortelstok voorhouden met al het lekkers waar
we allemaal naar snakken. De ritselaars die dachten te kunnen trichen zonder
dat Covid 19 het merkt, puur gokgedrag, casinospel. Zo zijn de lakeien van de
neoliberale ideologie nu eenmaal getraind: opportuniteitjes jagen, risico’s
nemen en als het mis gaat de schade afwentelen op het gepeupel, dat geen andere
keuze heeft dan de bittere pil te slikken. Après nous le déluge.
Ja ik ben
kwaad. Dat gebeurt wel vaker. En dan geef ik wel eens de indruk dat ik de
moeilijke positie van de beleidsverantwoordelijken –politici en ambtenaren-
niet begrijp. Het tegendeel is waar. Daarom ook dat ik 5 maanden terug, toen
het allemaal begon, de verdediging van het beleid opnam tegenover mijn vrienden
die alles meteen te veel, te weinig of in ieder geval incoherent vonden.
Geduld, geef ze tijd, we zitten nu eenmaal met een totaal uitzonderlijke, nooit
geziene situatie. Onbekende, onzichtbare, onberekenbare vijand… Niemand wist
het echt, wij niet en ook zij niet. Maar nu weten we meer. Nog lang niet alles
maar meer dan genoeg om een duidelijk, coherent beleid te voeren. Laat dit nu
precies zijn wat we niet gezien hebben.
Jawel, de
spreidstand is een zeer lastige: zorgen voor de directe covid slachtoffers,
extra middelen in de gezondheidszorg, ondersteunen van economisch kwetsbare
sectoren, opvangen van al dan niet tijdelijke werkloosheid… allemaal veel om te
behappen en dan ook nog zorgen dat de economie niet helemaal ontwricht geraakt.
Maar hoe lastig ook, het valt allemaal wel te ordenen in prioriteiten en die
zijn duidelijk: helemaal bovenaan staat de verspreiding van het virus onder
controle krijgen én houden! Alles wat daar tegen in gaat moet wachten for the time being. Massa evenementen
horen niet thuis in een verantwoord coronabeleid, of het nu om sport, spel of
kunst gaat, spijtig maar helaas voor de getroffen sectoren. Shoppen lijk zot is
geen optie, ook niet in zogenaamd groen gekleurde gemeentes want anders duw je
die binnen de kortste keren terug in ’t oranje of rood. Gratuit reizen naar
massaoorden is dom en laat je als oprecht bezorgde overheid niet toe, punt. Onze
economische machine ten allen koste draaiende houden? Nu eventjes niet, graag. First things first! Lobbygroepen content
stellen? Kijk, die moeten wel kunnen gehoord worden, iedereen mag zijn belangen
verdedigen in het publieke forum. Toch: een echte overheid laat zich niet onder
druk zetten door een sterke lobby maar voert eerst het beleid dat nodig is in
het algemeen belang. Bijkomend moet collaterale schade zoveel mogelijk beperkt
worden en moeten kwetsbare groepen bijgestaan worden. Da’s allemaal helder te
communiceren. Als je daarbij nog de omkaderende voorzorgsmaatregelen handhaaft
–afstand, hygiëne, mondmasker waar nodig, bubbelbeperking- en die niet om de
haverklap naar boven of naar beneden laat jojoën, kan echt nog heel wat… genoeg
om toch nog een redelijk aangenaam sociaal leven te leiden. ’t Is aanpassen
maar niet onleefbaar.
Als je
mensen au sérieux neemt en een
coherente, begrijpelijke boodschap brengt, gaat het overgrote deel van de
bevolking zich verantwoord gedragen en zorgen voor voldoende socialecontrole tegenover wie dat niet doet. En dan
kan je ook op diezelfde bevolking rekenen om de daarnet genoemde kwetsbare
groepen solidair bij te staan. Maar steeds meer mensen voelen zich helemaal
niet au sérieux genomen. Politici
lijken elkaar de loef te willen afsteken door als eerste, als strafste of als permissiefste
te communiceren zodat iedereen zich afvraagt: waarover gaat dit nog? Het
broodnodige vertrouwen in het beleid dat de bevolking solidair en gemotiveerd hield
in de gezamenlijke strijd, verpulvert zienderogen. Zonder vertrouwen geen
gezag, de basis geraakt gedemotiveerd. Mensen zijn moe, sommigen steken al een
middenvinger op. Het cliché wil dat de bevolking de politici krijgt die ze
verdient maar in dezen zijn het de politici die de bevolking krijgen die ze
zelf creëren. Ik probeer niet te denken dat dit net de bedoeling is:
tweedracht, angst en chaos zaaien om later de gedesoriënteerde bevolking terug
te verzamelen rond een sterk leiderschap dat zekerheid biedt. Ik ben weinig
vatbaar voor complot theorieën maar begrijp de argwaan die ik hier en daar hoor
uitspreken. Laat in ieder geval Jambon, De Block, Beke et les autres eens
nadenken over wat ze aanrichten in de hoofden van de mensen.
En laat ik
duidelijk onderlijnen dat ik niemand individueel met de vinger wijs. Ik heb
groot respect voor het werk dat experts verrichten en de inspanningen die vele
ambtenaren en ook een aantal politici leveren om het goed te doen. Alleen lukt
het niet op een deftige manier. Waarom? Dat is voldoende bekend, iedereen ziet
het: verdeeldheid in beleid, verdeeldheid van bevoegdheden, de greep van de
particratie, ideologisch autisme. Toen ik nog een onschuldige schooljongen was
zag ik al affiches met “België Barst!” Toen al werden de geesten vergiftigd met
het idee dat wij ons moesten bevrijden van het franskiljonse juk en dus van de
Walen. De ware tegenstellingen -die tussen arbeid en kapitaal, om het nu ook
even simplistisch te stellen- werden op die manier gemaskeerd. De vele staatshervormingen
hebben ons sindsdien niet bevrijd van de wereldwijde onderdrukkende politieke
orde. Wel hebben die de slagkracht van onze (laten we wel wezen) democratische
rechtstaat ondergraven en, zoals nu blijkt, totaal vleugellam gemaakt. Cynisch
is dat vanuit rechtse hoek gesteld wordt dat de oorzaak voor de huidige chaos
ligt in te weinig autonome macht in Vlaanderen. Daarenboven zijn er ook
krachten die de geesten klaar maken voor een sterke hand die ons uit de crisis zal halen. Laten we met zijn allen niet alleen alert blijven voor dat verdomde
virus maar vooral ook onze democratische vrijheden die we (of onze voorgangers)
ooit zo fel bevochten hebben, niet laten afpakken!
Toch wil ik positief afsluiten want ik reserveer mijn frustraties enkel voor deze Corona Cronyckjes. Voor de rest maak ik me graag vrolijk over de strapatsen van het beleid (blijven lachen is blijven leven) en hoop ik steeds dat het morgen beter wordt. Deze 2de golf zou er bijvoorbeeld voor kunnen zorgen dat de nevel optrekt, de geesten uiteindelijk verlicht worden en dat het bakkeleien over een echte te installeren regering plaats maakt voor handelen in het belang van ons allemaal. Jawel: morgen geen gezaag meer over Corona, falend beleid, incoherenties maar een pluim voor zij die de moed vonden om hun ideologische starheid te doorbreken. Hoera!
Maar eens je het verzint,
gaat een stuk vrijheid verloren want zinnen werken volgens regels, de regels
van de taal. Taal geeft betekenis en sluit andere uit. Als we het (be)tekenen
leggen we het al vast. Die beschränkung installeert zich en de meester
is van huis. Zin is richting en sluit andere uit.
Toch is verzinnen deel van
wat we zijn. Omdat als we onze fantasie niet verzinnen ze niet bestaat. Omdat
we zelf slechts bestaan voor zover we het kunnen delen met een ander en
in zoverre een ander ons laat bestaan in wat we delen. Als we niet meer
verzinnen verschrompelen we, dor en vruchteloos.
De kunst is: in de verzinning
van onze wilde fantasie de wijdsheid, roekeloosheid, jezelfheid behouden,
niet toe te geven aan de sirenezang van pleasen en conformeren.
De
wereld is verzinsel en toch echt. Het leven is verzonnen en toch echt. Ik hou
van echt en veracht de rest. Verzinnen zonder fantasie is niet echt en
verzinnen zonder echt is vals en waardeloos. Onze verbeelding heeft de wereld
geschapen. Door onze fantasie hebben wij geleerd wie we zijn. Fantasie heeft
god gemaakt... en ook overbodig.
Wij zijn echte verzinsels en die moeten we
koesteren door onze echtheid.