Reflectie
over media en democratie
Hoax, alternatieve waarheid, fake news,… We worden er
de laatste jaren steeds vaker mee geconfronteerd. We lijken terechtgekomen in
een wereld waarin het er maar op aan komt te kiezen tot welke
identiteitsbepalende groep je behoort om de wereld rondom ons echt te
begrijpen. Links, rechts of averechts, allen beschuldigen de tegenpartij van
het verspreiden van valse informatie. In deze wereld van onoverzichtelijke
hoeveelheid aan feiten, meningen, verklaringen die elkaar tegenspreken ontstaat
bij velen de indruk dat er geen andere manier is om greep te krijgen op de
werkelijkheid dan meegaan in de waarheid van een sociale, politieke of
religieuze gemeenschap en daaraan vast te houden.
Laten we meteen een
misvatting uit de wereld helpen: dit is niet louter een probleem waar de
sociale media ons mee opgezadeld hebben. Hoewel de internetwereld een enorme
impact op onze beleving van de wereld heeft en ons leven totaal veranderd heeft,
is zekerheid over de werkelijkheid een vraag van alle tijden. Ook de klassieke
media hebben ons wereldbeeld meer dan eens grondig overhoop gehaald. Ze hebben de
geschiedenis vooruit gestuwd maar zijn ook altijd een slagveld geweest waar
vele waarheden en ideologieën elkaar bevochten. Een goed begrip van die
geschiedenis kan ons helpen bij het omgaan met de uitdagingen waar de digitale
media ons voor plaatsen. Een lang verhaal met heel veel lagen om je weg in te
vinden, zo blijkt.
Dé waarheid bestaat niet!
Razend
interessante filosofische stelling, samen met het verwante “Dé werkelijkheid bestaat niet”. Ook in de psychologie kennen we er
zo één: “Vrije wil bestaat niet”. Als
vertrekpunt voor een kritische reflectie over de kenbaarheid van de wereld, over
criteria voor objectief wetenschappelijk onderzoek, onderzoek naar oorzaken van
(im)moreel gedrag. In de handen van gewone stervelingen als u en ik kunnen deze
drie stellingen ook wapens zijn om tegenstanders van hun stuk te brengen, ze om
de tuin te leiden, om het eigen gedrag te justifiëren, om misstappen te verdrinken
in redeloze constructies. In mijn persoonlijke ervaring heb ik de bewering dat
de waarheid niet bestaat in ieder geval enkel op die wijze weten gebruiken. Redelijke,
op feiten gebaseerde argumenten worden plots onbruikbaar en elk gesprek
zinloos.
In de
politieke praktijk lijkt het relativeren van de concepten “waarheid” en “werkelijkheid”
soms tot de dagelijkse gangbare praktijk te behoren. Wat we de laatste 4 jaar
hebben zien gebeuren in de VS is daar de totaal doorgeslagen consequentie van.
Maar in essentie is het enige nieuwe natuurlijk de schaal waarop en de middelen
waarmee het gebeurt. Politiek is het onderhandelen van conflicterende belangen
tussen verschillende groepen of gemeenschappen; daarbij speelt het overtuigen
van anderen om onze belangen te
steunen een grote rol. Wanneer dat met redelijke, verifieerbare argumenten
gebeurt en de partijen zich bereid tonen om elkaars argumenten ernstig te af te
wegen, kan tot een vergelijk gekomen worden, waarin niemand zich gedupeerd
hoeft te voelen. Overwegen en evalueren van elkaars argumenten kan erg
ingewikkeld zijn en het onderhandelen lastig en tijdrovend maken, dat is nu
eenmaal de prijs die je betaalt in een democratisch systeem. Tot zover een
schets van de ideale wereld. In de praktijk weten we allemaal dat politiek niet
enkel bedreven wordt met redelijke argumenten. Beïnvloeding is hier het kernwoord en daartoe hebben de politici
een heel arsenaal aan instrumenten. Naast de rede kunnen argumenten ook gericht
zijn op het gevoel, de emoties of, zoals reeds vermeld, het relativeren van de
concepten die een redelijk oordeel mogelijk maken: werkelijkheid en waarheid.
Een ander element is macht. Macht ontleend aan economische positie, grootte
en/of financieel gewicht van de achterban. Helaas niet zo uitzonderlijk wordt
macht ook ontleend aan gewelduitoefening. En dan is er nog een laag die over
die andere middelen heen ligt: de media.
Media: ontvoogding én
verknechting
De
uitvinding van de Europese drukpers heeft gedurende 500 jaar gezorgd voor een ongekend
snelle ontwikkeling op zowat alle domeinen van de beschaving: wetenschappen,
politiek en algemeen intellectueel ontwikkelingsniveau van de bevolking. De 20ste
eeuw heeft een nieuwe culturele revolutie zien vorm krijgen: de shift van woord-
naar beeldtaal. De impact hiervan kan niet overschat worden. De snelheid
waarmee informatie en denkbeelden kunnen worden doorgegeven en op grote schaal
verspreid is exponentieel toegenomen. 1 beeld zegt meer dan 1000 woorden wil
het cliché. Wat op het eerste gezicht een enorme efficiëntiewinst lijkt, blijkt
toch wel een enorme prijs te hebben. Het gedrukte woord betekende niet enkel
een culturele revolutie door de snelle, massale communiceerbaarheid, het geeft ook
meer ruimte aan gelaagdheid en nuance. Ingewikkelde concepten kunnen
gedetailleerd beschreven worden, gedachten diepgaand ontwikkeld; achteraf kan
de lezer ze met de nodige aandacht tot zich nemen en daarover reflecteren, wat
kritisch omgaan met informatie bevordert en het eigen, zelfstandige denken
stimuleert. Dit alles wordt in de hapsnap snelle beeldcultuur in de kiem
gesmoord.
Is het dan
niet zo dat woord en beeld nog steeds naast elkaar functioneren in onze cultuur
en elkaar zelfs aanvullen? Ja, zo zou het in de beste der werelden natuurlijk
wel moeten; eigenlijk is dat heel lang zo geweest want vastleggen en
communiceren van inhoud via beeld is zo oud als de mens. Op zich zou het absurd
zijn om het woord als superieur aan de beeldtaal te benoemen. Beide talen
hebben elk hun eigen belangrijke functie binnen onze cultuur. Problematisch
wordt het wanneer het ene het andere verdringt, wanneer de illusie wordt gewekt
dat beeld het woord zomaar kan vervangen en grotendeels overbodig maken.
Met de
groeiende dominante positie van de drukpers als communicatiemedium, kreeg een
steeds groter deel van de bevolking gedurende eeuwen toegang tot kennis die haar
toeliet en aanzette om bijvoorbeeld eigen, geïnformeerde politieke keuzes te
maken. Hierdoor werd de democratiseringsbeweging gaandeweg bevorderd en
versterkt. De ontwikkeling van de veel snellere elektronische media, met name
in een eerste beweging de radio, zorgde voor een totaal nieuwe boost in de
wijze waarop ideeën een veel groter publiek bereikten. Dit biedt zeker kansen
tot nog breder bereik van de bevolking met emancipatorische inhoud (kennis en
cultuur, zeg maar).
Er is echter
tezelfdertijd een negatief effect. De radio zorgt niet alleen voor makkelijker
consumeerbare inhoud; door de doorlopende stroom ervan wordt reflectie bemoeilijkt,
ontmoedigd eigenlijk. Het publiek krijgt de rol van passieve consument
toebedeeld. Om de luisteraar in die rol vast te klikken wordt alles verpakt in
een aantrekkelijk entertainment formaat, veelal toegespitst op een specifiek
doelpubliek. Niet voor niets eindigen veel programma’s vandaag met een
verwijzing naar een volgend programma en de boodschap “Blijf bij ons, blijf bij Radio 1.”
Politieke
actoren begrijpen al gauw de mogelijkheden die het nieuwe medium biedt. De
overheid ziet een middel om haar beslissingen breed kenbaar te maken, te
verdedigen en de bevolking stilaan het onderliggende ideeëngoed met haar normen
en waarden als “eigen” te laten ervaren. Op zich is dit een legitieme
betrachting in het kader van het verbinden van de leden van de gemeenschap, een
idee waarop volop werd ingezet bij het ontstaan van de natiestaten. Sommige
overheden gaan er dan ook snel toe over om de zendmedia te nationaliseren en zo
een monopolie op die informatiestroom te creëren, ook om een te grote aandacht
voor concurrerende ideologieën tegen te gaan of totaal uit te sluiten.
Duidelijk problematisch in democratisch opzicht maar in een goed functionerend
democratisch politiek landschap controleerbaar.
In veel
landen wordt het initiatief echter overgelaten aan privé-actoren, wat enerzijds
een grotere diversiteit aan inhoud biedt, anderzijds ontstaat een grotere
invloed van commerciële belangen die ook op die inhoud gaan wegen. Ook daar
dreigt een negatieve impact op democratische processen: zenders komen in handen
van kapitaalkrachtige bedrijven - al dan niet deel van een persgroep - die
stilaan zelf een quasi monopoliepositie kunnen veroveren en zo ook vat krijgen
op het denken van hun publiek. Het vermengen van politieke en privé-belangen is
geen gelukkige piste. (Ah, nu komen we op akelig herkenbaar terrein.) Problematisch
maar alweer: een goed functionerende democratie kan zich daar wel tegen wapenen
en de evenwichten bewaken. Laat ik hier alvast meteen in herinnering brengen
dat ook misbruik van woord en beeld voor beïnvloeding of misleiding niets
nieuws is.
België koos
na de tweede wereldoorlog definitief voor een monopolistische nationale omroep
(vóór de oorlog had je nog enkele privézenders). Dit monopolie zou tot in de
jaren ’80 stand houden, weliswaar op tijd en stond belaagd door tal van
illegale initiatieven. En laat dit voor ons nu precies een belangrijk
kantelmoment zijn, waarover straks meer. Komen we bij de machtsgreep van de
beeldcultuur, wanneer de geluidsbeleving er met de televisie een dimensie bij
krijgt.
Beeldverslaving
Bewegend
beeld ondersteunt of versterkt niet enkel het woord zoals dat het geval is bij
een boekillustratie, het eist ook de volledige aandacht van de kijker. Meer
nog: blijkbaar zijn onze hersenen zo geprogrammeerd dat wij erg moeilijk kunnen
weerstaan aan bewegende beelden en deze trekken ons helemaal in hun verhaal. Om
het erg negatief te stellen: beeldmedia kapen onze aandacht en op de duur ons
denken. Ik maak hier natuurlijk een grote sprong maar in de praktijk hebben we
wel degelijk gezien dat de 20ste eeuw minstens 2 generaties aan
tv-verslaafden heeft voortgebracht. Vanaf eind jaren 50 geraakten zij die zich
aan die verslaving onttrokken in de minderheid. Tegenover dit negatieve beeld
staat natuurlijk ook het maatschappelijk debat dat heel breed werd gevoerd dank
zij de landelijk gedeelde ervaring. In rurale gebieden werd het leven nog tot
na de 2de wereldoorlog gedomineerd door sociale controle en een
gesloten wereldbeeld. Het meer open en individualistischer gedachtegoed dat kenmerkend
is voor de stedelijke cultuur die nieuwe normen en waarden omarmt, kreeg
uiteindelijk ook toegang tot de dorpen dankzij de televisie. Alweer een
tweesnijdend mes: nuance blijft de leidraad in dit verhaal om de kern van het
probleem te begrijpen. De razend snel evoluerende media, die instrumenteel zijn
in het emanciperen van onze samenleving, een samenleving van zelfdenkende,
verantwoordelijke burgers in een mondiale context, dreigen ons ook te beroven
van ditzelfde ideaalbeeld. Het is maar de vraag in welke richting de slinger
beweegt.
Werkelijkheid
met amusementswaarde of fictie als realiteit
Eén van de
issues die met de komst van televisie het helder denken bezoedelde en de
werkelijkheidsbeleving op nooit geziene schaal verstoorde is: het door elkaar
halen van feitelijke informatie en fictie of allerlei vormen van entertainment.[i]
Daar hoeft geen manipulatieve agenda achter te zitten. Het is de taal van het
medium zelf die voor verwarring zorgt. De continue stroom van beelden, die door
een soort eenheidsfilter gestroomlijnd wordt, nivelleert in de perceptie de
relevantie van de gebrachte informatie. De filter behelst onder meer de dwang
om de kijker niet te vervelen en daarbij wordt rekening gehouden met de breedst
mogelijke doelgroep.
Een echt
geïnteresseerd publiek is bereid om desnoods een half uur lang aandachtig te
luisteren naar de deskundige duiding bij een belangrijke maatschappelijk
probleem of wetenschappelijk onderzoek. Maar veel mensen houden dit zelfs geen
5 minuten vol zonder de nodige visuele prikkels die de beleving opleuken. Wie
nu en dan een presentatie geeft voor een zaalpubliek weet dit en speelt daar
ook op in. Het verschil met televisie is dat beeldtaal echt de essentie
uitmaakt van het huiskamerscherm en daar dus totaal afhankelijk van is om de aandacht
gaande te houden. Zogenaamde “talking heads” zorgen voor een tegennatuurlijk statisch
en dus vervelend beeld. Dus wordt elk verhaal gedynamiseerd met (liefst
bewegende) beelden die het entertainmentgehalte verhogen.
Een tweede
element in het vervagen van de grens tussen de echte wereld en de fictionele is
het door elkaar haspelen van de onderscheiden “podia”. Panelprogramma’s
verzamelen acteurs, politici, wetenschappers, zangers en sporthelden rond
dezelfde tafel en laten die inhaken op elkaars verhaal. Het gaat grotendeels om
hetzelfde selecte clubje dat steeds opnieuw opgevoerd wordt en dan ook nog eens
opdraaft in allerlei spelletjesprogramma’s. Het probleem is niet dat de modale
kijker het verschil niet zou kunnen maken tussen de bespreking van een politiek
item en die van een fictiereeks. Verstandelijk weet hij dat onderscheid wel te
maken maar de onbewuste, emotionele verwerking van de gebrachte informatie laat
die scheiding lekken. Natuurlijk komen politici graag in beeld om hun verhaal
te doen en het is voor de burger ook belangrijk om kennis te nemen van de
verschillende standpunten. Maar politici hebben niets te zoeken in louter
entertainmentprogramma’s. Om maar meteen een zeer zichtbaar effect te noemen:
in 2010 won N-VA de verkiezingen voornamelijk dank zij het optreden van Bart
De Wever in het kwisprogramma De Slimste
Mens. Onzindelijk heet zoiets. (Sorry Bart, niets persoonlijks maar ’t
voorbeeld maakt mijn punt te schoon om te laten liggen) Het zijn echter
effecten op langere termijn die we in de gaten moeten houden.
Door het
mengen van de twee formats krijg je
eigenlijk een devaluatie van de relevantie van feitelijke informatie, die
burgers in staat stelt om maatschappelijke kwesties te begrijpen. In eenzelfde
beweging worden triviale items opgewaardeerd tot belangrijke discussieonderwerpen.
Dit is dus die nivellering. We komen er straks op terug.
Privatisering
Om de
gevolgen van de privatisering van de ether te duiden gaan we eerst even terug
naar de radio . Het door de overheid gecontroleerde medialandschap van de jaren
’60 slaagde er niet in om de jongerencultuur van de babyboomers te vatten. De
knullige wijze waarop daarover gerapporteerd werd, was soms aandoenlijk
hilarisch. Vooral: nieuwe wereldbeelden met nieuwe behoeften en de erbij
horende creatieve uitingen die toen vorm kregen in de jongerencultuur vonden soms
wel hun weg naar enkele nicheprogramma’s maar werden niet gereflecteerd in de
algemene programmatie. Dat was natuurlijk een gevolg van het feit dat de BRT
een zender voor het breedst mogelijke publiek wou zijn en dus geen doelgroepenpolitiek kon voeren. Commercieel
privé-initiatief sprong in dit gat, althans in het verkoopbare deel: populaire
muziek. Illegale radiostations vochten de monopoliepositie van de overheidszenders
aan en opereerden gedurende jaren vooral van op schepen buiten de territoriale
wateren om hun doelpubliek te bereiken. Een jarenlange juridische strijd
resulteerde uiteindelijk in het opdoeken van de illegale zenders. Maar eind
jaren ’70 zag een nieuwe golf van illegale zenders ontstaan. Deze keer waren ze
veel groter in aantal maar veel kleiner in zendbereik. Daarenboven opereerden
niet allen vanuit een commerciële motivatie. Velen waren hobbyisten die de
nostalgische herinnering aan de boeiende sixties wilden herbeleven en zich vrije radio noemden. Daarnaast had je
een hele reeks zogenaamd lokale radio’s
die een stem wilden geven aan de jongerencultuur en de vele sociale bewegingen,
die belangrijk waren in het leven van een stad maar te weinig gehoord werden op
de officiële zenders of in het politieke debat. Zij zagen hun rol als
aanvullend op het aanbod van de toenmalige BRT en RTBF met een louter lokaal
aanbod. Op die wijze fungeerden ze als een ontmoetingsplaats voor zowel de
grotere buitenparlementaire bewegingen als 11.11.11 of Oxfam maar ook de lokaal
georganiseerde grassrootsbewegingen: de vrouwenbeweging, de wetswinkels, het
buurtopbouwwerk, enz. Zij groepeerden zich in een belangenorganisatie om in
gesprek te gaan met de overheid: VEBE.
In de chaos
die toen ontstond profileerden zich ook enkele echt commerciële initiatieven
die duidelijk de bedoeling hadden om de officiële zenders te beconcurreren met
een nationale programmatie. Deze zenders groepeerden zich in VEBORA om de
geldende wetgeving in hun voordeel te wijzigen.
Aan de
oppervlakte zag het publiek een juridisch gevecht met talloze inbeslagnames en
vervolgingen van de illegale zenders en parlementaire initiatieven om de
wetgeving aan te passen.
Daaronder
speelde zich een politiek machtsspel af om de controle van het medialandschap.
Grofweg ging het om de klassieke ideologische strijd: de totale liberalisering
van dat landschap versus het behoud van de overheidsdominantie. Of nog:
winstgestuurde publieke dienstverlening versus maatschappelijk belang als
drijfveer. De lokale radio’s stelden zich eerder terughoudend op ten aanzien
van het verkopen van reclametijd om inkomsten te genereren, dit om de
maatschappelijke opdracht die ze zichzelf hadden gesteld niet te laten
bezoedelen of afhankelijk te worden van sponsors wier belangen soms
conflicteerden met onafhankelijke berichtgeving. Voor de VEBORA-zenders was het
concept vrije radio gewoon het forceren van een nieuwe businessopportuniteit.
Misschien
is het hier de plaats om een belangrijk principe over het verdienmodel van private
media helder te stellen. Zoals Marshall McLuhan (The Media is the Message) en Neil Postman (Amusing Ourselves to Death) duidelijk maakten is er volgens het
kapitalistisch model ook hier een markt waar verkoper en koper elkaar vinden. Intuïtief
zou je kunnen denken dat het medium (het radio- of tv-station) de rol van markt
speelt waar de verkoper (de waspoederproducent) tegen een vergoeding zijn
product promoot bij de luisteraar die uiteraard de potentiële koper is. De ware
constructie ziet er echter iets anders uit. De verkoper is het radio- of
tv-station en de koper is de adverteerder. Het product is geen wasmiddel of elektrische
auto maar de luisteraar (of zijn aandacht). Een zender zorgt voor de opbouw van
een publiek in functie van de verkoopbaarheid aan zijn klanten. Dit betekent
dat de zender zal moeten nadenken over de inhoud van zijn programma’s, niet
alleen om een zo groot mogelijk publiek aan zich te binden (advertentieprijzen
worden uiteraard berekend volgens het aantal bereikte luisteraars) maar ook om de
juiste doelgroep (interessantst voor de adverteerder) te bereiken. Einde
illusies over onafhankelijkheid. Heel dit principe herkennen we uiteraard nog
duidelijker wanneer we aan de huidige sociale media denken. Het wordt dus begrijpelijk
waarom de VEBE-zenders zich hardnekkig probeerden te verzetten tegen het
afhankelijk worden van reclame-inkomsten. Dit betekende bijgevolg ook dat er
geen geld was om personeel te betalen, dat de stations volledig op vrijwilligerswerk
draaide.
Uiteindelijk werd de ether opengesteld voor zowel lokale als commerciële
zenders. Hoe de verdeling van de bandbreedte uiteindelijk is gebeurd, heb ik
niet meer van nabij gevolgd. Kleine zenders werden soms wel verplicht om een
frequentie te delen met collega’s. Maar de kern van de zaak was dat de 40 jaar
durende monopoliepositie van de Belgische openbare omroepen werd doorbroken en
dat reclame officieel haar intrede deed in de Belgische ether. Eens dit
principe aanvaard, was het maar een kwestie van enkele jaren tot ook de
commerciële televisie de markt kon openbreken. En eens het verdienmodel van de
commerciëlen genormaliseerd, konden ook de overheidszenders niet achterblijven:
de VRT-zenders werden geacht een stuk financieel te verzelfstandigen in plaats
van volledig afhankelijk te blijven van het overheidsinfuus. VRT-reclame was
een feit. De afhankelijkheid van publiciteitsinkomsten en de impact hiervan op
de programmatie waarnaar we eerder verwezen is niet gering. Dat die impact,
gezien de overheidsdotatie, minder groot is voor de openbare omroep dan voor de
commerciële zenders is logisch maar daartegenover staat dan weer dat de
politieke druk op de eerste groter is. In hun strijd om een groter marktaandeel
zijn de privé-zenders meer geneigd een duidelijker doelpubliek af te bakenen
dat qua profiel gemakkelijker kan gepresenteerd worden aan adverteerders. Aangezien
ze die afbakening zo breed mogelijk zullen willen definiëren en hun inhoud zullen
afstemmen op een zo groot mogelijk bereik op elk moment, zal dit de
programmatie bepalen. Muzikaal hanteert men hiertoe “makkelijke” playlists
(alles wat niet populair of onbekend dus onbemind is te mijden). Hier krijgen we
dus te maken met culturele nivellering. Door de voornoemde strijd om marktaandeel
zullen ook de officiële zenders zich verplicht zien om een stuk mee te gaan in
die trend. Ook in de productie van soaps laten zowel commerciëlen als openbare
zenders zich niet onbetuigd. Waar het verschil wel duidelijk wordt is in het
inspelen op sensatiebeluste en voyeuristische sentimenten, zie zogenaamde
realityshows als de Osbornes, de Pfaffs,
Temptation Island of Naked Attraction,
vooral formats van commerciële televisie.
Vooraleer de indruk zou ontstaan dat het probleem zou gaan over de
tegenstelling totale vrijheid van aanbod en dus ook keuzevrijheid van de
consument versus een staatsgestuurde programmatie, nog even verduidelijken. Een
overheid moet zich niet bezig houden met concrete inhoud. Subsidiëring kan daar
nooit een excuus voor zijn. Integendeel, de overheid moet enerzijds de
onafhankelijkheid van de openbare omroep garanderen en anderzijds algemene
opdrachten bepalen die de omroep moet opnemen. Particuliere belangen
(commercieel of politiek) mogen op geen enkele wijze vat krijgen op de inhoud
van de programmatie. Mediapubliciteit (die men nu eenmaal heeft ingevoerd) moet
binnen duidelijk afgelijnde blokken met “waterdichte” wanden worden gebracht
zodat op geen enkel moment contaminatie kan plaatsvinden. Maar ook de politieke
onafhankelijkheid dient uiteraard gegarandeerd te worden, iets wat niet alle
politici menen te begrijpen.
Rolmodel
Wat wel aan de orde is: de nivellering waarop we al wezen. Onderwerpen
die aan bod komen in de media krijgen in de publieke perceptie een belang, los
van het belang dat ze in de fysieke wereld zouden hebben. Mensen die in de
media opgevoerd worden krijgen een legitimering die veelal niet in verhouding
staat tot de rol die ze daarbuiten spelen, hun deskundigheid over behandelde
onderwerpen of hun relevantie in het echte leven. Dit is de discrepantie tussen
de werkelijke relevantie van thema’s of opgevoerde personages en de
gepercipieerde. Het is die laatste die veelal bepaalt waarover mensen het in
hun dagelijkse gesprekken hebben. Daarnaast bevatten programma’s, of het nu om
fictie of duiding gaat, altijd een niet uitgesproken boodschap. Mediagezichten
zijn rolmodellen, hebben dus publieke invloed. De levensstijl van publieke
mediafiguren hebben een normerende lading. Woningen, interieurs die getoond
worden in tv-series of films zijn veelal die van een gegoede middenklasse.
Individueel vervoer, liefst met een zekere status, wordt als norm
gepresenteerd. Hetzelfde gebeurt met de wijze waarop modellen voor onze
vrijetijdsbesteding worden voorgehouden, inclusief om maar iets te noemen zon-
en skivakanties, citytrips en intercontinentale vliegreizen. Op lange termijn
drukt dit alles een stempel op de wijze waarop veel mensen naar de wereld
kijken en op hun verwachtingen.
Tot zover de traditionele media, van drukpers tot en met televisie, die
als gemeenschappelijk kenmerk eenrichtingsverkeer hebben, het gaat steeds van
één zender naar vele ontvangers. Samenvattend: elke introductie van een nieuw
medium maakte het mogelijk om ideeën en kennis breder, verder en sneller te
verspreiden. Dit betekende telkens een belangrijke emancipatorische stap naar
een meer democratische samenleving maar droeg ook de mogelijkheid in zich tot
gebruik dat net die ontvoogding hypothekeerde. In de twintigste eeuw is het
medialandschap zo divers en ingewikkeld geworden, de belangen die spelen steeds
minder transparant, de gelaagdheid van inhouden zo complex dat de werkelijke
invloed op het denken van mensen moeilijk in te schatten is. Het is altijd een
dubbel verhaal dat in de balans op lange termijn tot nog toe (gelukkig) positief
is uitgevallen maar steeds meer aan onze controle dreigt te ontsnappen.
Begin jaren ’80 vond ik al: als de
burgers er niet in slagen de media te beheersen zullen de media ons beheersen.
Pogingen om de media niet over te leveren aan de platte logica van de markt, omdat
we dan het tegenovergestelde krijgen van de vrije keuze van de burger, zijn ten
dele mislukt. De markt gaat voor de laagste gemene deler, voor de gemakkelijke
inhoud, het gemakkelijke verhaal, de gemakkelijke uitleg en veelal ook met
nadruk op het sensationele omdat dat het best verkoopt. Gelukkig is de openbare
omroep overeind gebleven, zij het mits heel wat concessies onder druk van
concurrentie en politiek. De VRT biedt nog steeds een brede kijk op de wereld
die er voor de burgers toe doet. De geopolitiek, de allesoverheersende
wereldhandel met een universeel consumptiemodel, onze mobiliteit en de
mediarevolutie zou van de wereld een dorp gemaakt hebben. Dit idee verbergt wel
de complexiteit van die wereld. De wereld begrijpen vooronderstelt toegang tot
een diversiteit aan bronnen: van actuele informatie tot cultuurhistorische
context; zowel feitelijke kennis als fictionele voorstellingen in verschillende
kunstuitingen bieden ons die context. Een steeds belangrijker deel van die
kennisbronnen halen we uit het immens uitgestrekt medialandschap dat een
oneindige veelheid aan materiaal bevat. Het herkennen van betrouwbare bronnen,
het selecteren van relevante informatie en het verwerken ervan zijn vaardigheden
die ervaring en kennis vergen. Kennis van hoe media functioneren, zoals we in
dit verhaal poogden te schetsen, is daarin essentieel. Kinderen worden reeds
vanaf de jongste, meest beïnvloedbare leeftijd overspoeld met mediainhoud. De
kennis en vaardigheden om daarmee om te gaan zouden dus in die jonge jaren
moeten meegegeven worden opdat ze kritisch en weerbaar met de media zouden
kunnen omgaan. Dit was al het geval in een tijd van de traditionele media. Ons
onderwijs heeft die rol in het verleden helaas niet of onvoldoende opgenomen.
Met de introductie van de personal computer werd eerder genoemd devies: als wij de computer niet beheersen zal de
computer ons beheersen. Ondertussen weten we dat computer hierbij staat
voor e-commerce, sociale media, big tech, enz. Alles wat we aanbrachten over de
traditionele media zien we vandaag uitvergroot in het hedendaagse
medialandschap dat steeds interactiever wordt en een ongekende greep gekregen
heeft op ons denken en doen. Meer dan ooit is het zaak ons (en onze kinderen)
weerbaar te maken in de digitale jungle. Wat potentieel verbindende technologie
zou kunnen zijn is verworden tot een explosief paard van Troje dat wij allen in
huis hebben gehaald. Met de technologie op zich is niets mis. De vraag is wie
er zich meester van heeft gemaakt. Indien wij vrije mensen willen blijven (of
het weer worden) zullen we terug meester moeten worden over onze “essentials”,
de zaken die nooit aan de markt hadden mogen overgelaten worden. Net zoals water,
lucht, kennis, grond, openbaar vervoer, onderwijs, communicatie, energie of
gezondheid behoren daar ook toe: de media. Dit betekent absoluut niet dat er
geen plaats is voor privé-initiatief, maar de spelregels moeten ten allen tijde
gedicteerd worden door het algemeen belang en voor iedereen gelijk zijn, dat
wil zeggen niet op maat van de sterkste.
[i] Enkele decennia later zou het ook nog een
bijzonder format opleveren onder het label infotainment.