dinsdag 21 juli 2020

Verzinnen

Fantasie is grenzeloos,

mogelijkheden zijn oneindig,

combinaties talloos.

Alles kan, alles mag.


Maar eens je het verzint, gaat een stuk vrijheid verloren want zinnen werken volgens regels, de regels van de taal. Taal geeft betekenis en sluit andere uit. Als we het (be)tekenen leggen we het al vast. Die beschränkung installeert zich en de meester is van huis. Zin is richting en sluit andere uit.


Toch is verzinnen deel van wat we zijn. Omdat als we onze fantasie niet verzinnen ze niet bestaat. Omdat we zelf slechts bestaan voor zover we het kunnen delen met een ander en in zoverre een ander ons laat bestaan in wat we delen. Als we niet meer verzinnen verschrompelen we, dor en vruchteloos.


De kunst is: in de verzinning van onze wilde fantasie de wijdsheid, roekeloosheid, jezelfheid behouden, niet toe te geven aan de sirenezang van pleasen en conformeren.


De wereld is verzinsel en toch echt. Het leven is verzonnen en toch echt. Ik hou van echt en veracht de rest. Verzinnen zonder fantasie is niet echt en verzinnen zonder echt is vals en waardeloos. Onze verbeelding heeft de wereld geschapen. Door onze fantasie hebben wij geleerd wie we zijn. Fantasie heeft god gemaakt... en ook overbodig.


Wij zijn echte verzinsels en die moeten we koesteren door onze echtheid.

zondag 5 juli 2020

Corona Cronycken deel 7 - over consumptieplicht en inclusieve globalisering

Wij komen stilaan uit onze milde lockdown gekropen. Of juister: we worden er uit geduwd en dit niet eens zachthandig. Eigenlijk zit ik met het ongemakkelijk gevoel dat we er net niet uitgeranseld worden, right back richting hersenloze compulsieve consumptiedwang. Dwangneurose? Ja, ’t heeft er weg van maar is natuurlijk meer. De dwang komt ook van buitenaf als uiting van de consumptieplicht waartoe elke burger zich (weliswaar ongeschreven en onbewust) contractueel verplicht. Hieraan verzaken is een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid en wordt bestraft met uitsluiting. Heel ons economisch model staat of valt met het bestendigen van de nooit eindigende groei en daarom worden de burger van nagenoeg bij de geboorte aan de intraveneuze koopbaxter gelegd.

Je moet maar eens zien hoe beleidsverantwoordelijken reageren op elke suggestie van het (op lange termijn) uitfaseren van individueel autobezit, het aan banden leggen (middels bijvoorbeeld kerosinetaks) van excessief recreatief vliegverkeer of het inperken van wereldwijd transport voor de voedingsindustrie (zowel veevoeders als verwerkte voeding).

En nochtans… In tegenstelling tot datgene waarvan ik veelal verdacht wordt ben ik helemaal geen vijand van de vrije markt. Alleen betekent vrij voor mij in de eerste plaats fair want: hoe vrij is een markt die totaal gedomineerd wordt door (veelal multinationale) vrijbuiters die de regels naar hun hand weten te zetten en die nog altijd hun winsten belastingvrij kunnen oppotten in de Kaaimaneilanden? Een vrije markt is een markt waarop iedereen met gelijke kansen zijn activiteiten kan ontwikkelen. Op een vrije markt gelden dus dezelfde regels voor iedereen, of je nu als ondernemer groot, middelgroot of klein bent.

In tegenstelling tot datgene waarvan ik soms beschuldigd word ben ik helemaal niet tegen mondialisering. Integendeel, mondialisering is de richting waarin de mens al gaat van in zijn prille dagen op aarde. Zo hebben beschavingen zich ontwikkeld, zo zijn wij er in geslaagd om de huidige technologisch hoogstaande samenleving uit de grond te stampen: door wederzijdse bevruchting via handel met andere culturen. Globalisering? Ja: globalisering van de voorwaarden voor een rechtvaardige mondiale samenleving en globalisering van de verantwoordelijkheid voor het welzijn van onze planeet. Globalisering van mensenrechten, globalisering van respect en betrokkenheid. Iedereen mag meedoen. Inclusieve globalisering dus.

Kijk, nu we het er toch over hebben moet ik het toch kwijt. Ik hou er niet van om over concrete figuren te beginnen omdat ik niet de indruk wil wekken dat het probleem opgelost is als we hen aanpakken. Hier toch weer een klein citaat dat een bescheiden reactie behoeft. Joren Vermeersch op schoot bij Joël De Ceulaer in de Morgen van 4 juli j.l.:

"Mensen kunnen maar spontane solidariteit opbrengen met leden van hun gemeenschap in wie ze zich kunnen herkennen."

Vermeersch heeft helemaal gelijk natuurlijk. Het verschil met bijvoorbeeld mij is dat ik me vaker verwant voel met mensen die een andere nationaliteit hebben, een andere kleur of een andere cultuur. Als ik rondom me kijk in die kleine cultuurbubbel die Vlaanderen heet, heb ik moeite om mezelf te herkennen in de lokale fauna. Dat wil niet zeggen dat het elders persé beter is, maar mijn wereld stopt niet aan de taal- of landgrenzen. Geestesverwanten vindt je overal, op elk continent en in oneindig veel hoedanigheden. Ja gemeenschappen zijn belangrijk, maar ik behoor tot vele.
Kwestie van het een beetje te situeren: het interview waaruit bovenstaand citaat ging onder de titel "Wij leven onder de dictatuur van het goede". Mijnheer Vermeersch is de nieuwe ideoloog van N-VA. Dat belooft.

Heel even koesterden we de illusie dat die hele pandemische episode ons wijzer zou maken, dat we deze off-tijd zouden gebruiken om onze raison d’ être eens grondig te overzien. Zo konden we misschien tot de conclusie komen dat het moment gekomen is om ons gekaapte ideeëngoed, wereldbeeld, identiteit te heroveren en daar bewust terug een eigen inhoud aan te geven. Helaas dus. Wij hadden het te druk met Facebook, Twitter, onze dagelijkse applaussessies voor het zorgpersoneel en de dagelijkse coronasoap op De Afspraak en het radionieuws.

donderdag 2 juli 2020

Corona Cronycken deel 6

Mijn vrienden kennen me. Ik probeer elke situatie, van de meest banale tot de meest ingrijpende, van bovenaf te bekijken of desnoods van onderuit om de absurde kanten ervan te ontdekken. Kwestie van er zelf niet door verzwolgen te worden, denk ik. Geen moeilijke oefening trouwens want geef toe: dit leven kan je toch onmogelijk au serieux nemen. Ik heb het over de totale willekeur die dit ondermaanse lijkt te bestieren. Ooit dacht ik dat wij als soort begiftigd waren met de bijzondere gave om kennis te vergaren en daaruit strategieën voor een beter leven te ontwikkelen. Een beter leven voor iedereen en ter in stand houding van de soort. Wij kunnen reflecteren over de wereld en over onszelf, over verleden, heden en toekomst. Dat zou toch moeten resulteren in iets wat lijkt op door rede gestuurd gedrag. Toch geen absurde gedachte? Toch wel. Ik kijk rondom me en ik zie.

Neen, ik heb het niet persé over dadaïstisch België, absurdistan regeert wereldwijd. Maar nu u het er toch over hebt. Vanochtend hoor ik dat Zaventem gisteren werd overspoeld door 10.000 reizigers. Mijn favoriete radio dreunt al heel de week elke ochtend ellenlange filelijsten op. Blijkbaar is iedereen weer content in zijn vertrouwde autootje, hehe,  met een muziekje gezellig urenlang aanschuiven. Eindelijk back to normal dus. Oef!

Dit allemaal terwijl we worden gewaarschuwd voor een mogelijke nieuwe uitbraak… terecht, én men ons tracht te brainwashen om het algemeen verplichten van mondmaskers acceptabel te maken. Hierbij tracht men de concrete situatie totaal irrelevant te maken. "Men", dat is niet de Veiligheidsraad of niet de GEES. Maar blijkbaar zijn er een aantal politici en zelfs enkele experten die niet in staat zijn om genuanceerd met maatregelen om te gaan. Het is alles of niets en nu wordt de druk om er alles van te maken met de dag groter. Ik zal het nog één keer zeggen: verplicht mondmaskers daar waar nodig. Mondmaskers zijn een zeer effectief preventiemiddel om zich en de anderen te beschermen in situaties waar men geen of moeilijk afstand kan houden, vooral in gesloten ruimtes. Warenhuizen en grote winkelketens bijvoorbeeld, daar zie ik toch soms meer volk naar binnen gaan dan redelijkerwijs gezond kan genoemd worden en ik hoor van mensen dat er veelal geen looprichting gerespecteerd wordt en klanten zomaar goederen betasten. Ik begrijp dat erg goed: je kan nu eenmaal geen controleur naast elke klant laten meelopen. Maar net daar een mondmasker verplichten zou al helpen. Afstand betekent anderhalve tot 2 armlengtes en gaat dan over langdurige contacten, niet over bijvoorbeeld iemand kruisen op straat op pakweg slechts 1 meter afstand. Dit zeg ik niet, dit zeggen de virologen. Ik hoorde er trouwens één zeggen dat het algemeen verplichten van mondmaskers in alle winkels niet zozeer gaat om de effectiviteit ervan in alle omstandigheden maar om het psychologisch klimaat: mensen er voortdurend aan herinneren dat ze moeten opletten, om ze alert te houden. Plak iedereen dan een gele ster op, dat werkt ook; mijn familie heeft daar ervaring mee.

Waarom ik me daar druk over maak? Omdat ik ook al mensen hoor die gechockeerd zijn dat zo weinig mensen mondmaskers dragen op straat. Dit is dus de volgende stap. En dat doet me terug denken aan de eerste jaren van de AIDS-epidemie. Toen was ik getuige van een heel ernstige discussie of je besmette mensen niet verplicht op het voorhoofd zou moeten tatoeëren met een waarschuwend teken. Ja, zo gek kan je mensen krijgen als je paniek zaait.

De weinige winkels waar ik kom (ja, slechts enkele, ik ben nu eenmaal geen shopper) hanteren tot nog toe een maximum van 2 klanten, de rest wacht buiten, voor de drempel van een open deur. Bijna niemand draagt daar een mondmasker, noch achter de toog, noch ervoor want er staat een plexi scherm, iedereen let op. Lijkt me redelijk veilig en dat wil ik voorlopig liefst zo blijven zien. Dát is respect tonen. Om alert te blijven heb je geen mondmasker nodig maar verstand. Het is het één of het ander.

Coherent beleid

Wel, nu komt het ander. De vriendin van mijn zoon is, na 4 maanden vast gezeten te hebben in Maleisië, eindelijk terug naar huis kunnen vliegen. Dit gebeurde dan wel middels een 18u lange vlucht in een overvol toestel… niks te social distancing. Daar is blijkbaar geen probleem mee. Ze heeft zich dan maar, samen met mijn zoon, vrijwillig in een veertiendaagse quarantaine gezet. Het wordt tijd dat we met zijn allen een iet of wat coherent beleid afdwingen. En dan voel ik het weer opkomen. Het is niet omdat ik alles met een ironische blik observeer dat ik hier niet kwaad om word. Willen de mensen die beleid voeren of invloed hebben op het beleid eindelijk eens duidelijk maken wat ze willen: verantwoordelijke mensen die in staat zijn zelfstandig na te denken en dan ook navenant handelen, of kuddedieren die naar willekeur kunnen gemanipuleerd worden – consumptievee, zeg maar.

Ik weet het: ik heb enkele maanden terug zelf begrip gevraagd voor het beleid ten aanzien van deze nooit geziene virale aanval. Niemand wist toen wat ons te wachten stond en iedereen deed naar best vermogen, goed beseffende dat fouten maken onvermijdelijk part of the game was. Ik vind het te gemakkelijk om mee te huilen met de wolven op Facebook of Twitter. Eerst beleidsmakers in erg moeilijke omstandigheden de kans geven om goed te doen. Maar nu hebben we toch wel een duidelijker beeld van hoe het virus zich gedraagt en wat onze eigen rol is in het verspreiden ervan. De op hol geslagen wereldwijde mobiliteit is met grote voorsprong de belangrijkste oorzaak. Dat overheden het weer op gang trekken van dat gevoyageer faciliteren en zelfs met belastinggeld ondersteunen is misdadig. En dat gaat zowel over personen als goederen. Echt waar: een andere economische orde is mogelijk!

Laat ik, voor ik onbeleefd begin te worden, afsluiten met een quote van een heel intelligent mens waarmee ik het verre van altijd eens ben. Hij zal hier net iets anders bedoeld hebben dan mijn interpretatie van dit citaat, maar toch...

Van de Cloot: “Inderdaad, relancebeleid moet verandering faciliteren – terwijl we nu vaak de status quo faciliteren. Niet veranderen is geen optie meer. We moeten geen middelen pompen in het uitstellen van de aanpassing naar het onvermijdelijke, hoe on-Belgisch dat ook is.”

 Komt uit het dubbelinterview Ive Marx en Ivan Van de Cloot in De Morgen van vandaag.

woensdag 24 juni 2020

Denken in beelden - spreken in cijfers

Ik heb nog een oud artikel uit de Viervoeter teruggevonden. Ik vermoed dat het dateert uit 1996. Het bouwde verder op de teksten die ik in de jaren '80 schreef maar hier toegepast op de Freinetpraktijk. De relevantie ervan kan wat gedateerd zijn, de tekst illustreert eerder waar we vandaan komen. Maar voor het Freinetonderwijs is de drukpers als pedagogisch instrument, zij het in een hedendaagse digitale versie, nog steeds even belangrijk.


Digitaal onderwijs


In de vorige jaargangen jaargangen van de Viervoeter zijn de moderne media meermaals aan bod gekomen. Vooral voor wat betreft het gebruik van de computer in de klas waren de standpunten nogal verdeeld. Enerzijds zou ik in de discussie enkele hardnekkige misvattingen willen uit de weg ruimen die we al meeslepen van in de begindagen van introductie van de computer in het onderwijs. Meteen gooi ik enkele bedenkingen op tafel die misschien een ander licht op de zaak kunnen werpen. Eigenlijk een poging om een brug te slaan tussen de pro en contra-standpunten. Anderzijds wil ik verder denken over computers in het onderwijs in de context van een bredere maatschappelijke discussie en dan in het bijzonder in relatie tot de beeldcultuur (waarover we voordien reeds wat gespreksstof aanbrachten), omdat die discussie de impact van al die nieuwe technologie toch in een ruimer en verhelderend perspectief plaatst. Die tweede doelstelling bewaar ik voornamelijk voor een volgend artikel.

1. Misverstanden uit het verleden
Moet de school kinderen leren omgaan met computers, computertaal en computerprogramma's? Moet de school in het curriculum ruimte vrijmaken om er een uur informatica in te schuiven? Deze vragen waren 10-15 jaar terug zeer wezenlijk. Ten eerste stond het vast dat de computer, die toen net aan zijn opmars in de scholen en in de huiskamers was begonnen, een belangrijke rol zou gaan spelen in het maatschappelijk gebeuren en in zowat elke arbeidssituatie. Het doembeeld was dat van de computer-ongeletterdheid: wie niet met de computer kon omgaan zou uitgesloten worden van de arbeidsmarkt. Ten tweede werd het computergebruik nog door een meerderheid ervaren als hocus-pocus-gedoe en de toenmalige interfaces (vnl. MS-DOS en aanverwante besturingssystemen) waren niet van aard om die drempel lager te maken. Ten derde was er nog een belangrijke economische drempel: computers waren nog weggelegd voor diegenen die het zich konden permitteren. Dit gold voor de computer thuis, maar evenzeer voor de computer op school. De schrik dat kansarme groepen hun achterstand weer eens zouden zien vergroten leek reëel.

Het paniekvoetbal dat resulteerde gaf aanleiding tot een hoop zeer uiteenlopende, veelal ongecoördineerde of niet begeleide initiatieven in afwachting dat de overheid met serieuze richtlijnen zou voor de dag komen en in de nodige logistieke steun zou voorzien. Zowel het eerste als het laatste lieten aanvankelijk op zich wachten. De vele experts voorzagen het beleid terzake van onderling verschillend advies. Voornamelijk de vraag of computeralfabetisering nu het leren programmeren (Basic, Logo) dan wel het gebruik van programma's (tekstverwerking, spreadsheet,...) inhield, zorgde voor heel wat polemiek. Daarnaast waren er ook zij die de computer eerder zagen als leerhulp en die dus vooral het ontwikkelen van educatieve software wilden gesteund zien. Ondertussen lijken die initiële discussies achterhaald door het nieuwste icoon van de informatiemaatschappij: het Internet. Inderdaad, de supersnelwegfans doen alsof de vragen rond de plaats van de computer in de klas al lang zijn opgelost, zoniet dan toch niet meer relevant zijn aangezien het informatietijdperk nu al bezit genomen heeft van ons economisch en sociaal leven. De enige pregnante kwestie nu is: "hoe brengen we Internet zo snel mogelijk in de klas en hoe brengen we de klas zo snel mogelijk op Internet?"
Natuurlijk wordt de discussie wel nog verder gevoerd aan de universiteiten. Maar weinig of niets daarvan sijpelt door tot op het niveau van de betrokkenen die het uiteindelijk zullen moeten waarmaken, de leerkrachten, laat staan dat een bredere (begeleide) maatschappelijke discussie zou gestimuleerd worden (het niveau van de ouders). Verder zal ik het over "de basis" hebben wanneer ik ouders en leerkrachten als groep bedoel.

Het is nochtans belangrijk dat leerkrachten zich met kennis van zaken zouden bezinnen over de plaats die deze nieuwe technologische middelen in de klas moeten innemen, dat ze die plaats voor zichzelf en hun leerlingen zo duidelijk mogelijk zouden weten af te bakenen. Zoniet zou het wel eens kunnen dat het magische scherm met de hele klas aan de haal gaat en ze achterlaat in een virtueel vacuum. De allereerste vraag die gesteld dient te worden is: "Waarom zouden we de computer in de klas moeten binnenhalen (of niet)?" Zelfs die primordiale vraag is nooit ernstig voorgelegd geweest aan de basis. Er is van bovenuit enkel gesteld dat we onherroepelijk de informatiemaatschappij binnentreden en we de kinderen daarop moeten voorbereiden, anders kweken we computeranalfabeten. De vraag is nochtans essentieel omdat de tijd dat het kind in de klas zit beperkt is en het curriculum erg uitgebreid. Om de vraag te beantwoorden zouden we de computer bijvoorbeeld kunnen bekijken als louter werkinstrument in het beroepsleven. Wel, om te beginnen zien we dat het bedienen van de machine niets geheimzinnigs meer heeft; dat het iets-afweten-van-programmatie voor het overgrote deel van de gebruikers geen enkele relevantie meer heeft, dat de interfaces van vandaag zo intuïtief werken dat je zelfs niet meer moet kunnen lezen om de machine binnen enkele minuten te leren bedienen. Zo het analfabetisme in ons land onuitroeibaar blijkt, computeranalfabeten zullen spoedig enkel nog op sterk water kunnen bezichtigd worden. De evolutie gaat bovendien zo snel dat het geen enkele zin heeft om kinderen op lager onderwijs-niveau computerinitiatie te geven bij wijze van voorbereiding op hun latere carrière. Specifieke toepassingen (stockbeheer, boekhouding, statistische analyse) komen slechts te pas bij specifieke opleidingen (hoger secundair technisch en hoger onderwijs) en vergen zo goed als geen enkele voorkennis op het gebied van computergebruik. Zelfs tekstverwerking kan je een kind in enkele minuten uitleggen. Je toont ze de startknop. Dan toon je ze de minimale tekststijlfuncties (corpsgrootte, vet, italic en onderlijnen) en de printfunctie. Dan laat je ze een half uur alleen achter met de computer en ze komen je een prachtige, netjes uitgeprinte tekst tonen. Een tekstverwerker kan op zich natuurlijk wel erg zinvol ingeschakeld worden in het kader van andere vaardigheden die wel dienen bijgebracht te worden vanaf de laagste klassen (we komen er op terug met het concrete voorbeeld van het drukken als freinettechniek), maar daarvoor hoef je geen uren computerinitiatie te voorzien.

Kortom, daar moet de school zich allemaal niet mee bezig houden! Zover waren de experts 10 jaar terug trouwens ook al. Alleen vind je vandaag nog steeds mensen aan de basis die denken dat het daar wel over gaat. en aangezien die kwestie in het verleden nooit is opgeklaard, krijg je nu mensen die in het volgende informatie-stadium stappen vanuit diezelfde opvatting: "Wij moeten onze kinderen leren surfen op het Internet, want daar ligt de toekomst. Internet-analfabeten komen binnenkort niet meer aan de bak". Nu ja, laten we niet vooruit lopen, want we moeten eerst nog een paar vragen oplossen.

2. Waarover het wel moet gaan.
Als de introductie van de computer in de klas van het basisonderwijs niet dient om te leren programmeren (ik ga ervan uit dat dit hier niet meer omstandig hoeft uitgelegd te worden), en ook niet om computervaardigheden te leren die vereist zouden worden voor het vinden van een job, waarvoor dan wel? 1


We hebben het al aangehaald: Computer Assisted Learning, de computer als leerhulp. Dit lijkt wel een interessant idee: de computer niet meer als onderwerp van de les maar als middel bij de les.  We kunnen er zelfs 2 richtingen mee uit: het verduidelijken van lesinhouden (de werking van hefbomen of sluizen demonstreren, door de leerling manipuleerbare schema's of modellen tonen, enz...); het inoefenen en testen van vaardigheden (grammatica, rekenen,...).

De eerste toepassingen zijn gewoon een aanvulling bij de klassieke demonstraties en proefjes uit onze tijd. Ze kunnen de lessen verlevendigen en de interesse van de leerlingen verscherpen, een moeilijk principe op aanschouwelijke wijze verduidelijken. De oefen- en test-programma's laten een zekere individualisering toe. Bij oordeelkundig gebruik (sic!) brengt de computer hier zeker een educatieve meerwaarde. De vraag stelt zich natuurlijk: wat is oordeelkundig gebruik? We komen er later op terug, maar hier is alvast nog een probleempje: in welke mate is individualisering van het leerproces wenselijk of staat het andere doelstellingen van het onderwijs in de weg?

In 1986 waarschuwde Martin Valcke van het Pedagogisch Laboratorium van de RUG reeds:

"Men vergeet dat je met zo'n ding in de klas ook heel wat problemen in huis haalt. Je haalt gewoon heel je structuur, heel je routine overhoop. Zo'n machine zet de normale verhoudingen in de klas op hun kop. (...) Een efficiënt en zinvol gebruik (...) veronderstelt een heel nieuwe onderwijsstrategie. Zonder de juiste begeleiding moest zo'n gang van zaken bijna slecht aflopen." Die gang van zaken was dat een aantal scholen op eigen houtje computers ging aanschaffen, leerkrachten liet experimenteren en - erger nog - de overheid die pilootprojecten lanceerde, leerkrachten een initiatiecursus gaf, maar achteraf naliet voor degelijke opvolging te zorgen (regelmatige in-service training) of toereikend materieel te verschaffen (zowel hardware als software). Gebrek aan totaalvisie en krappe budgettaire mogelijkheden (of althans prioriteiten die weinig  ruimte lieten) lagen hier aan de basis. Wanneer de overheid en de pedagogische begeleiding geen greep houden op de voortsnellende evolutie is het gevaar dat "de industrie gaat beslissen over de middelen en uiteindelijk dus over de inhoud van het (computer)onderwijs."2


Vandaag, méér dan tien jaar later, moeten we vaststellen dat het allemaal niet zo'n snelle vlucht heeft genomen als sommigen hadden gedacht of gewild. De computer in de klas is een evidentie geworden, maar de functionaliteit ervan is veelal miniem. Veel hangt af van de beschikbare middelen, maar ook nog steeds van het individueel initiatief van directies en leerkrachten. Het gebruik van educatieve software is zeker niet wijdverbreid. Misschien maar goed ook: in "The Cult of Information" merkt Theodore Roszak op dat in '84 slechts 200 van 10.000 onderzochte educatieve programma's enige waarde hadden. Daarenboven is veel educatieve software afgestemd op individueel gebruik en dat veronderstelt dus de aanwezigheid van meerdere machines per klas, wat ook weer problematisch is. Onder het motto 'liever geen computer dan een verkeerd gebruikte' kunnen we misschien nog best tevreden zijn met die vertraagde invoering van de informatica in het basisonderwijs. Een computer die niet alleen onze schaarse middelen, maar ook nog eens de kostbare leertijd van onze kinderen verkwist houden we liever buiten.

3. Maar hij komt! Klaas komt toch!

Heeft men zich ondertussen wel bezonnen over hoe het onderwijs moet voorbereiden op de informatiemaatschappij? Want wat er nu aankomt is toch wel weer van een heel andere orde. Het ziet er naar uit dat de zo bejubelde informatiesnelweg er heel wat minder lang over zal doen om het onderwijs te veroveren. Zo de computer een opdringerige machine was, kon je hem toch nog met een minimum aan gezond verstand in toom houden, je kon hem desnoods buiten spel zetten door hem in een hoek van de klas stof te laten vergaren (wat in veel gevallen ook gebeurd is). Maar deze keer zal het technische wonder zich niet zomaar laten afschepen, hij heeft zijn voet allang tussen de deur, want alle beslissingscentra hebben zich ten volle geëngageerd. Internet en de Supersnelweg zijn slechts de breekijzers waarmee de informatie-industrie greep krijgt op ons onderwijs (zoals ze ook de meest diverse aspecten van ons leven wil gaan beheersen). Meer dan ooit is het dringend dat we ons bezinnen over wat we met dat nieuwe technologisch vernuft willen gaan doen. Hebben we ons tot nog toe wel de juiste vragen gesteld? Moeten we om te beginnen niet terug de vraag stellen waarover het algemeen vormend onderwijs en dan in het bijzonder het basisonderwijs moet gaan? En hangt die vraag ook niet vast aan een algemene maatschappijvisie en de functie van het onderwijs daarin? Hier zitten we natuurlijk terug bij de basis van Freinet. Maar het zal inderdaad in dit licht zijn dat wij over Internet zullen moeten praten. We proberen in een volgende aflevering op sommige van die vragen antwoorden te verzinnen, meer bepaald hoe de computer en de oprukkende beeldcultuur ons denken beïnvloedt.

We willen hier eindigen met een concrete toepassing van de computer in onze Freinet-schooltjes.
Een zwaar onderschat en bijna nergens ten volle uitgebuit potentieel dat zich in de klascomputer schuil houdt is de tekstverwerking. Zeker in een Freinetklas, waar zoveel nadruk gelegd wordt op het zelf schrijven en presenteren van teksten (projectmappen, drukpers), biedt de computer mogelijkheden om die Freinettechniek nieuw leven in te blazen. Alleen mag men vooral niet denken dat het gebruik van de machine op zich voor enige verandering ten goede kan zorgen. Integendeel! Wat Freinet beoogde met het gebruik van de drukpers had vele facetten. In de eerste plaats vormt het  drukken een eindstadium in een heel proces dat door de leerlingen zelf wordt gecontroleerd en dat begint bij de praatrondes en vrije teksten; het is iets waar de leerlingen duidelijk naar toe werken. Dit wil dus zeggen dat ze een werk van langere adem leren voorbereiden en tot een goed einde brengen. Dit proces is daarenboven een groepswerk: samen teksten bespreken, kiezen welke zullen gedrukt worden en eventueel hoe ze samen moeten gebracht worden tot een klasbrochure. Men leert omgaan met de motiverende spanning tussen de eigen, individuele inbreng en het groepsresultaat. Tenslotte brengt het drukken een ambachtelijke precisie bij, de behoefte om een product te verzorgen in al zijn details. Inhoud en vorm dienen elkaar te versterken. Kinderen moeten aandacht hebben voor de opbouw van hun verhaal, voor de zinsconstructie en spelling. Maar ook de illustratie moet met evenveel zorg gemaakt worden. De bladschikking dient bij te dragen tot de leesbaarheid van de tekst. Kinderen leren het belang van dit totaalproces: hun verhaal zal beter ontvangen worden wanneer aan al die details de nodige aandacht werd geschonken. Hun verhaal zal aandachtiger gelezen worden en meer impact hebben op de lezer.

Wanneer men eraan denkt om de computer in de plaats van de oude drukpers te gaan gebruiken, moet men erover waken dat de doelstellingen van het hierboven geschetste totaalproces niet geschaad worden. De tekstverwerker en het lay-out programma hebben, door hun eenvoud in gebruik, de neiging om het presenteren van teksten te reduceren tot enkele relatief gemakkelijke handelingen via het klavier. De bedrieglijke eenvoud van de techniek leidt de aandacht af van de ambachtelijke concentratie die nodig is om de opdracht tot een goed einde te brengen. Wanneer die gevaren ten volle onderkend worden, is het hier wellicht mogelijk om de computer een zinvolle plaats in deze belangrijke Freinettechniek te geven. En eens we zover zijn, dan is het logisch om een volgende stap te zetten en aan het integreren van E-mail en Internet te denken in die andere belangrijke Freinet-techniek, de correspondentie.


1. Op het programmeren met LOGO, toch wel een geval apart, moeten we later misschien toch wel even terugkomen. Waar wordt het nog gebruikt? Heeft iemand daar ervaring mee? Reacties welkom!
2. Martin Valcke in De Morgen van 16 augustus 1986.


Patrick Cohen 
De Harp

 

zaterdag 30 mei 2020

Corona Cronyken deel 5: Amada

Avonturen bij Amada


Deze week las ik in De Morgen het dubbelinterview met Jan Van Duppen en Louis Van Dievel, twee oud-Amadezen van mijn generatie met een herkenbaar verhaal. Niet dat mijn ervaringen identiek zijn maar het bracht me toch terug naar mijn eigen prille passage in die ideologische bubbel. Gelukkig ben ik daar nogal ongeschonden uit gekomen… althans, vind ik zelf. Anderen hebben het toch wel wat lastiger gehad om zichzelf terug te vinden, getuige ook het verhaal in De Morgen.

woensdag 20 mei 2020

Corona Cronycken deel 4


Van Broeck vertrekt maar vat het eerst nog eens samen.

https://krant.demorgen.be/titles/demorgen/7927/publications/941/articles/1140280/8/2
Vraag aan politici die zich weer een beetje hitsig beginnen klaar te maken om deel uit te maken van het nieuwe beleidsvehikel dat rond september zou moeten geïnstalleerd worden. Wat gaan we doen jongens, terug naar het "normaal" van monsterfiles, ongebreideld verkwisten van alle vormen van energie en dan vooral de fossiele en kernvarianten, het verder uitputten van de grondwaterreserves, het verder vergiftigen van de lucht over gans ons grondgebied, mensen verder richting industriële geglobaliseerde voedselproductie duwen zodat we om de paar jaar weer kunnen uitpakken met alweer een nieuwe epidemie in de veeteelt of een sjoemelschandaal in de voederproductie? Gaan we terug naar het normaal van het redden van de economie en de werkgelegenheid, zoals een hoop onder jullie het zo graag voorstellen? Dit terwijl iedereen stilaan begint door te krijgen dat het eigenlijk draait om het redden van een nepeconomie, die universele spilzucht promoot ter vrijwaring van winsten en privileges van de kaste die zich graag de elite waant. Terug naar de op hol geslagen groei-economie met zo nu en dan een crisis, die de boel door elkaar schudt en dus gouden opportuniteiten levert voor de sterkste financiële spelers in de markt maar telkens betaald wordt door diegenen die het zo al moeilijk hebben? Of gaan we eindelijk werk maken van een echte economie: die van de mensen die de samenleving recht houden, dezelfde mensen die er ook nu weer voor zorgen dat we deze virale crisis doorkomen, de solidaire burgers. Al die mensen die zich nu inzetten om hun scholen, zorginstellingen, ziekenhuizen en bedrijven draaiende te houden, die hun klanten blijven voorzien van het hoogstnoodzakelijke, maar ook iedereen die zich nu zoveel moet ontzeggen en dat ook plichtsbewust volhoudt. Al die mensen verdienen beter dan een terugkeer naar het nepnormaal. Laat nu eens de mensen waar het echt om draait beter uit deze crisis komen in plaats van altijd dezelfde opportunisten.

En ja, dit hangt allemaal vast aan het verhaal van Van Broeck. Echt waar.

zondag 10 mei 2020

Corona Cronycken deel 3


Back to normal!
De roep klinkt steeds luider. De meute staat te dringen. We houden het niet meer uit. Back to wat? Normaal? Wat bedoelen we met normaal ? Ja, ik heb wel vaagweg een idee van hoe een normale samenleving er zou moeten uitzien; van hoe normaal gedrag van volwassen, zelfdenkende, verantwoordelijke burgers –wat wij in een democratie toch allemaal pretenderen te zijn– hoe zulk gedrag er zou moeten uitzien. Is het dat wat we ons voorstellen bij een post-corona realiteit? Normaal, jawel, laten we veronderstellen dat het dat is wat we ermee bedoelen. Elk van ons heeft daar zo’n beetje zijn eigen versie van maar je zou denken dat er toch wel grote lijnen te trekken vallen waarover iedereen het eens is, althans iedereen die een democratische samenleving genegen is. Maar dan wordt dat normaal in één en dezelfde zin geplaatst na de woorden “terug naar”. In mijn hoofd slaat het tilt. Wat betekent dit? Dat de realiteit waarin we leefden tot zo’n 8 weken terug (als ik het goed geteld heb) inderdaad beantwoordde aan dat normaal zoals daarnet geduid? Wie gelooft dat?  Ik wil het niet eens over geopolitiek hebben want daar kan ik met de beste wil van de wereld niets over kwijt dat rijmt op normaal. En vandaag wil ik ook niet kankeren over deze disfunctionerende staatsstructuur die precies in deze crisisdagen de gevolgen van onze tribale identiteitsoorlogen pijnlijk bloot legt. Het absurde wij-zij denken dat er enkel op gericht is om burgers binnen eenzelfde land tegen elkaar op te zetten ten voordele van één bepaalde belangengroep, vertegenwoordigd door een cynische politieke kaste, verdeeld over verschillende partijen. Een wereld die dit normaal vindt is niet de mijne. 

Neen, ik kijk nu even naar ons eigen gedrag, hoe wij ons leven materieel invullen. Wijzelf als burger, als consument en als voogden of beheerders van het leven op deze planeet (want dit is de positie waarin wij ons willens nillens bevinden). Wat me daarin bezig houdt is het volgende. Je hebt aan de ene kant mensen die geen besef hebben, gewoon niet nadenken. Domheid, luiheid of gewoon al op voorhand schrik om met de realiteit geconfronteerd te worden en daar zelf beslissingen in te moeten nemen… “het leven is al gecompliceerd genoeg, laat dat maar aan anderen over.”  Anderzijds zijn er de “après nous le déluge”-cynici, zij die enkel hun eigen directe belangen behartigen zonder scrupules. Ja ze bestaan echt. Je vindt ze in de politiek (gelukkig deugen de meesten, toch ken ik er wel... vul zelf maar in). Ze bevinden zich vooral onder het bijzondere mensenras dat het normaal vindt om elke maand meer te verdienen dan wat de werknemers in hun bedrijf in een heel jaar verdienen. Er zijn de wetenschappers die zich laten omkopen om fakerapporten te produceren (voor de tabaklobby of de chemische en farmaindustrie),… Er zijn er van alle soorten.

Toch ga ik ervan uit dat dit ijskoude cynisme een eerder zeldzame vorm van psychopathie is.  Dat de overgrote meerderheid van onze medeburgers wel degelijk streeft naar een beter leven voor iedereen en daar zijn best voor wil doen. Wat doet ons dan dag aan dag gedragskeuzes maken die zeer duidelijk dat betere leven in de weg staan, meer zelfs, het leven zelf in gevaar brengen? Iedereen weet waarover het gaat. Onze mobiliteitsgewoontes, onze eetgewoontes, onze spilzucht,… Natuurlijk worden heel wat beslissingen met negatieve gevolgen door het beleid genomen zonder dat wij daar vat op hebben maar dat is geen reden om niet kritisch te kijken naar datgene wat we wel degelijk zelf beslissen. Waarom, bijvoorbeeld, gedragen wij ons zo makkelijk als kuddedieren, koopvee? Waarom vernieuwen wij elk seizoen onze garderobe terwijl we nauwelijks gedragen outfits naar de vodden verwijzen? Waarom stouwen wij onze huizen vol met prularia? Prullenjunks kan je toch bezwaarlijk geëmancipeerde burgers noemen. Wat scheelt er met ons? Hoe komt het dat wij vandaag nog altijd keuzes maken die ons totaal afhankelijk maken van het meest rampzalige vervoersysteem dat we hadden kunnen kiezen: de individuele auto? Waarom moeten wij persé vakantie houden op duizenden kilometer van huis en hebben we zelfs niet meer genoeg aan één trektocht per jaar? Zijn onze hoofden zo leeg dat ze zo makkelijk opgevuld kunnen worden door de pushers van de reclame? Kunnen wij echt zelf niet meer uitmaken wat belangrijk is in het leven, wat onze behoeften zijn en laten wij dit dus liever bepalen door de kwasten van het verleidingscirkus die enkel aan winst en macht denken en het echt niet goed voor hebben met ons? Is dit het normaal waar we terug naartoe willen? Als zombies terug naar de Meir, de Nieuwstraat, de Veldstraat,… als zombies trekkend van étalage naar étalage om toch maar te ontdekken wat we ons nu weer kunnen laten opsolferen. 

Het zijn allemaal geen nieuwe vragen. Velen onder ons stellen ze al decennialang. En op veel van die vragen kennen we natuurlijk ook het antwoord. De enige vraag die dan overblijft en die er nu meer dan ooit toe doet is: waarom houdt dit niet op, nu, direct, sofort? Corona heeft alles lamgelegd. Gaan we ons nu weer laten opjutten om de heilige economie “te redden”? Het is niet de economie die moet gered worden, die redt zichzelf wel. Wat ons nu in de strot zal geduwd worden is het redden van de top down gecontroleerde markt die heet vrij te zijn maar dat natuurlijk niet is. Een echt vrije markt kan alleen bestaan als die functioneert volgens regels die niet de sterkste maar de zwakste beschermt, die niet door de grootste spelers bepaald worden maar door de overheid, regels die erop gericht zijn de kloof tussen arm en rijk te dempen, die ervoor zorgen dat iedereen de kans krijgt om aan zijn trekken te komen, ongeacht kleur, gender, waar je geboren bent of wie je ouders zijn. De opportuniteit van Corona, never waste a good crisis,… Zou het kunnen dat we kiezen voor een nieuw normaal? Niet het normaal van de terugkeer dat achter ons ligt maar het normaal dat we ons kunnen verbeelden en waar we al gaande kunnen naartoe werken.
Wel?