Discussietekst Attac Vlaanderen in een poging het GGO-standpunt
zoals het in het 8‑puntenprogramma staat te motiveren.
Uitgangspunt voor
deze tekst is een poging om vooral op de economische en politieke rol te wijzen
die ggo’s spelen. De milieu- en gezondheidsaspecten worden al voldoende door
andere groepen belicht (greenpeace, foe, wervel,…) en dit leidt niet zelden tot believers
en non-believers-debatten waar het publiek weinig aan heeft. De leek houdt er,
zoals zo vaak, enkel de indruk aan over dat wetenschappers het onderling
grondig oneens zijn, dat er dus geen zinnige keuzes kunnen gemaakt worden. Het
lijkt wel alsof er op louter emotionele basis kamp gekozen wordt. In deze
situatie kan het verhelderend werken om te wijzen op de context waarin de
ontwikkelingen plaatsgrijpen en welke belangen ze sturen.
Deze tekst moet ook gelezen worden in relatie tot onze kritiek op productivistische
landbouw (zie een vorig artikel: Boeren en Globalisering) en moet een vervolg krijgen met een principiële stellingname over patentrechten op levende organismen.
Tezelfdertijd wil ik voldoende elementen inbrengen om verwijten te ontkrachten
als zouden we tegen de vooruitgang zijn of een dogmatisch
anti-multinationalstandpunt aanhouden. Uiteindelijk moet duidelijk worden dat
we voor elk onderzoek zijn, maar tegen onverantwoorde commercialisering onder
druk van het hegemonisch vrijemarktprincipe.
Patrick Cohen
De
controverse over GGO’s is zo oud als het onderzoek naar de mogelijkheid om
rechtstreeks in te grijpen in de genetische codering van planten en dieren zelf.
Dit onderzoek wordt gevoerd hetzij om interessante eigenschappen in te brengen,
hetzij om bepaalde “defecten” te elimineren of nog om de productie van
vervangstukken voor het menselijk lichaam te faciliteren.
Argumenten
die de verdere ontwikkelingen in dit onderzoek aanmoedigen en eventueel
aansturen op het snel aanwenden van deze technologie voor praktische
toepassingen zijn zowel van economische, medische, ethische als ecologische
aard. De contra-indicaties beroepen zich op argumenten binnen precies dezelfde
categorieën. Eigenlijk zou je een balansstaat kunnen opmaken op basis van deze
rubricering met links alle pro- en rechts alle contra-argumenten: het geheel
zou er, met wat goede wil, erg evenwichtig kunnen uitzien –althans voor wat de kwantiteit
betreft. Wanneer het erop aankomt echte afwegingen te maken, dan blijkt algauw
dat de scheidingslijn bepaald wordt door prioriteiten die sterk ideologisch
gestuurd worden. Dit wil zeggen dat de keuzes in de eerste plaats afhangen van
de vraag naar het soort samenleving waarin we willen leven en in de tweede
plaats de vraag naar de wijze waarop we dergelijke samenleving kunnen
organiseren – ethische en politieke keuzes, zeg maar.
Deze
vaststelling wordt door minstens één partij in de discussie in alle toonaarden
ontkend: de tandem wetenschap/industrie die er alle belang bij heeft om het
onderzoek ongehinderd tot snelle valorisatie te brengen. Zij beweren bij hoog
en bij laag dat de maatschappelijke discussie van hun kant neutraal, zuiver
wetenschappelijk wordt gevoerd, dat hun commerciële belangen steeds aan
ethische en wetenschappelijke regels worden getoetst. Wie echter kijkt naar de
wijze waarop het spel gespeeld wordt, ziet dat de realiteit heel anders oogt.
Een beetje genetica
Het
argument dat genetische manipulatie niets anders is dan het doelgericht
nabootsen van wat de natuur al miljoenen jaren zelf doet lekt alvast aan alle
kanten en is een ronduit demagogische truc van een industrie en de daaraan
gelieerde wetenschappers die hun winsten, resp. sponsoring willen veilig
stellen.
Uiteraard
ligt genetische modificatie aan de basis van de evolutie van organismen naar
steeds complexere en/of beter aangepaste soorten en variëteiten. Deze
wijzigingen in de genetische codering ontstaat door foutjes bij het kopiëren
van de eiwitstrengen waaruit de genen zijn opgebouwd. Het is waar dat
dergelijke fouten zich aan de lopende band voordoen. Heel wat van deze fouten
zijn fataal voor de ontwikkeling van het organisme en verdwijnen dus vanzelf;
andere leiden tot een op zich levensvatbare mutatie maar bieden deze geen
comparatief voordeel in de competitie van soorten in een bepaalde omgeving en
verdwijnen ook. Nog andere weten zich eveneens te bestendigen in volgende
generaties, maar komen wegens recessiviteit niet tot expressie. Uiteindelijk is
een succesvolle mutatie een relatief hoogst uitzonderlijke gebeurtenis.
Toch
leidt het succes van een nieuwe soort of variant niet zelden tot een ramp, denk
maar aan virale en bacteriële epidemies of aan insectenplagen. Omdat de natuur
echter rekent met grote getallen en over zeer lange tijdsspannen, evolueren gedestabiliseerde
systemen uiteindelijk toch weer naar nieuwe evenwichten. Dit is de
zelfherstellende kracht van een natuurlijk systeem. Kunstmatig aangebrachte genetische
modificatie is echter van een heel andere orde. Daar waar een mutant, alvorens
zich te kunnen bestendigen en een plaats te veroveren in een bepaalde biotoop,
door de omgeving voortdurend aan overlevingstesten wordt onderworpen, neemt de
mens die testrol van de natuur over en verhindert dat de mutant vanzelf
verdwijnt. Men laat niet zomaar een specimen los in de natuur om te zien of het
zich verder weet te ontwikkelen, maar gaat de nieuwe variant massaal
produceren. Het gevolg is dat, wanneer de introductie van een nieuwe bacterie
of plant aanleiding geeft tot ongewenste neveneffecten of zelfs schadelijke
kettingreacties het erg moeilijk wordt –misschien onmogelijk– om deze effecten
onder controle te houden.
Waarin verschilt deze situatie van de klassieke
gewasveredeling waarbij hybride zaden bekomen worden door selectie van de beste
specimen binnen een soort en het kruisen van kweekvariëteiten met bijvoorbeeld
wilde om tot economisch interessante eigenschappen te komen? Wel, de klassieke
methode wordt beperkt door de wetten van de natuur: er kan slechts
genenuitwisseling gebeuren tussen kruisbare variëteiten. Natuurlijk kunnen ook
daar problemen ontstaan, maar men blijft op bekend terrein want het genetisch
materiaal is nagenoeg identiek met het origineel. Eigenlijk stuurt en versnelt
men een ontwikkeling die in theorie ook zou kunnen plaatsgrijpen in de vrije
natuur.
Genetic engineering introduceert soortvreemd
genenmateriaal om nieuwe eigenschappen aan planten toe te voegen. De effecten
van dergelijke ingreep kunnen problematischer zijn.
Het schisma in de wetenschap
Aangezien één enkel gen kan coderen voor verschillende
eigenschappen en één eigenschap slechts tot expressie kan gebracht worden door
een gecombineerde aanwezigheid van verschillende genen, wijzen wetenschappers
op gevaren van het, samen met gewenste eigenschappen, introduceren van
ongewenste of zelfs schadelijke eigenschappen. Wanneer gevaarlijke
eigenschappen tot uiting komen in de labofase van de ontwikkeling is er geen
probleem: de productie kan stilgelegd worden. Maar problematische eigenschappen
kunnen een verborgen leven leiden en slechts tot uiting komen bij zeer
specifieke omgevingsfactoren. Op dat moment kan de verspreiding al zo massaal
plaatsgevonden hebben dat rampen niet uitgesloten zijn.
Andere gevaren die door wetenschappers worden genoemd
zijn de mogelijke contaminatie van wilde variëteiten in de vrije natuur of van
niet-GG gewassen op naburige velden. Zulke effecten worden nu reeds regelmatig
vastgesteld. Volgens GGO-kritische wetenschappers kan dergelijke contaminatie
zich bestendigen bij reproductie van de aangetaste planten. GGO-verdedigers
beweren dat de gecontamineerde planten in de vrije natuur sowieso al weinig
kans maken om deze genetische wijziging te overleven omdat de gemodificeerde
plant werd ontworpen om te gedijen in een zeer specifieke, gecontroleerde
omgeving. Wanneer ze toch overleven, verdwijnt de eigenschap in ieder geval bij
een volgende generatie.
Dit leidt dan weer tot de vraag naar de verschraling
van de biodiversiteit als gevolg van de introductie van steeds meer
natuurvreemde genen in de vrije natuur. Indien de sceptici gelijk hebben en
bepaalde mutaties gaan een “wild leven” leiden, zou het dan niet kunnen dat er
superplanten ontstaan die andere planten verdringen en met hen een hele biotoop
van planten en dieren? Maar zelfs als wetenschapsoptimisten gelijk hebben en
dergelijke verspreiding met verstrekkende gevolgen zeer onwaarschijnlijk is,
dan nog krijg je in de wereldlandbouwproductie een drastische verschraling van
beschikbare gewassen voor onze voeding. Daarover verder meer.
Ook over de mogelijke toxische eigenschappen voor mens
en dier zijn de wetenschappers het allesbehalve eens.
Het is dus voor iedereen duidelijk dat bij de
toepassing van dergelijke ingrijpende technieken uiterste voorzichtigheid geboden
is. Dit is ook de reden waarom nationale en internationale overheden de
ontwikkeling ervan aan strenge regels onderwerpt. Ook de bedrijven die in de
GGO-sector opereren kunnen moeilijk anders dan zich bij deze gang van zaken neerleggen,
alleen zullen zij natuurlijk altijd vinden dat de opgelegde regels veel te
streng zijn. Logisch ook, gezien de gigantische belangen die met onderzoek en
ontwikkeling van GGO-technieken gepaard gaan. Maar voor we op die belangen ingaan,
laten we eerst even terugblikken op de oorsprong van de genetische manipulatie.
De pioniers
Het genetisch
onderzoek zoals wij dat nu kennen vangt aan op het moment dat onderzoekers Francis
Crick en James Watson in 1953 in het tijdschrift Nature hun dubbele helixmodel van DNA publiceren. Met hun ontdekking
(en dat van hun collega’s) komt de ontrafeling van de codering van het leven
zelf binnen bereik van het wetenschappelijk onderzoek, 10 jaar later zouden ze
er trouwens de Nobelprijs voor krijgen. Algauw start een soort wedstrijd voor de
decodering van bepaalde eiwitstrengen tot specifieke eigenschappen, een wedloop
die vooral in de jaren ’80 en ’90 op volle toeren draait en uiteindelijk zal
leiden tot het in kaart brengen van het menselijk genoom.
Al van
bij het begin droomden visionaire wetenschappers van de mogelijkheid om
doelgericht in te grijpen in de genetische sequenties. Als praktische
toepassing dacht men uiteraard al snel aan het herstellen van defecte genen die
verantwoordelijk zijn voor een aantal erfelijke ziektes bij de mens. Maar ook
de veredeling van gewassen en fokdieren via genmanipulatie kwam spoedig in
beeld.
Twee
van die visionaire wetenschappers waren Marc Van Montagu en Jeff Schell van het
laboratorium voor Algemene Genetica aan de Universiteit Gent, die zich in de
jaren ’70 op dit onderzoek hadden gestort: de start van een ongekend
succesverhaal. Van Montagu en Schell slaagden er begin jaren ‘80 in een
techniek te ontwikkelen om, middels agrobacteria, de celstructuur van planten te
wijzigen. In het Vlaanderen dat toen zijn “Derde Industriële Revolutie”-euforie
beleefde, was de tijd rijp voor verzelfstandiging buiten de universiteit van
het onderzoek: Plant Genetic Systems bracht Van Montagus succes naar de markt.
Het
zetten van deze stap is logisch en heeft op zich niets oneerbaars. Bedoeling is
het op gang brengen van een proces waarbij het onderzoek leidt tot de
ontwikkeling van commercialiseerbare technologie waarvan de opbrengsten het
onderzoek verder kunnen financieren. Het resultaat bij het sluiten van de
cirkel is versnelde technologische ontwikkeling en economische groei. Wanneer
we er zeker zouden van zijn dat het voorzorgsprincipe
altijd zou gelden, dat over het in productie nemen van een genetisch
gewijzigd gewas (GGG) in laatste instantie zou beslist worden door een
onafhankelijk agentschap onder de vleugels van de VN (UNESCO?),
dat zou garanderen dat alle mogelijke gevaren op ecologisch en medisch gebied
grondig onderzocht worden en dat het product enkel een fiat krijgt wanneer het
aan een reeks eco-sociale normen beantwoordt, zouden we hiermee kunnen leven.
De realiteit
ziet er echter heel anders uit want de geopolitieke en economische context
waarin deze ontwikkelingen plaatsvinden geven aanleiding tot grote bezorgdheid
bij een groot deel van de burgers overal ter wereld, zelfs bij velen die het
GGO-onderzoek op zich niet ongenegen zijn. Om deze bezorgdheid te begrijpen
moeten we even kijken welke belangen op
het debat wegen.
Wie zijn de spelers?
Zoals
reeds gesuggereerd wordt het genetisch onderzoek volledig gedomineerd door de
agro-industrie. Zelf spreken ze in verband met hun ggo-activiteiten liever van
“life-sciences”. Monsanto, DuPont, Hoechst, Novartis, Zeneca, Bayer zijn de
bedrijven die algauw het potentieel van Genetic Engineering inzagen.
De
bewering dat de GGO-techniek onze enige hoop is om de honger uit de wereld te
helpen berust volledig op de mythe van het hongerprobleem als te bestrijden
natuurfenomeen. Ontwikkelingsorganisaties wijzen al jaren op het feit dat het
overgrote deel van de wereldbevolking zich nog steeds voedt met producten uit familiale
landbouw en dat deze productiewijze perfect in staat is om aan alle behoeften
te voldoen. Honger in de wereld is het gevolg van de oneerlijke verdeling van
de wereldvoedselproductie, het inpalmen van vruchtbare landbouwgronden die
oorspronkelijk de lokale bevolkingen voedden voor de productie van cashcrops
voor de internationale markten, de vernietiging van de traditionele
landbouwgemeenschappen door de agro-industrie. Laten we het uitroepen tot ze er
horendol van worden: “Honger is een
keuze!”, niet van de slachtoffers, maar van diegenen die honger in de
wereld nodig hebben om hun systeem in stand te houden. Honger is de keuze voor
winst boven het welzijn van mensen. Voor deze perverse mechanismen blijft de
GGO-lobby doof en ze wil al zeker niet erkennen dat de GGG’s een rol spelen in
de verovering van de wereldvoedselproductie door de agro-industrie. Ook
zogenaamd kritische wetenschappers die het onethische gedrag van de agro- en
voedings-multinationals veroordelen, blijven wijzen op de neutraliteit van de
technologie an sich. De theorie is dat de problemen van de globalisering samenhangen
met het kapitalisme en dat de ontwikkeling van ggo-technieken daar niets aan
verandert.
In de
praktijk zien we echter dat het precies de hoofdspelers van de agro-industrie
zijn die massaal investeren in de ontwikkeling en het snel in productie brengen
van nieuwe GGG’s. Zij zorgen enerzijds voor de ontwikkeling van de technologie,
maar willen uiteraard een snelle ”return on investment”, wat hen ertoe aanzet
testfases tot een minimum te beperken en negatieve effecten met klem te ontkennen.
Hun genetisch onderzoek stelt hen in staat om patenten
te nemen op gewassen, boeren te verbieden zaad te winnen uit eigen productie,
boeren te verplichten bepaalde insectenverdelgers te gebruiken door
koppelverkoop (zie het Roundup-verhaal), enz. Deze strategie vergroot hun greep
op de landbouwmarkten en versnelt de uitstoot van familiale landbouw ten
voordele van industriële productie.
In dit
licht stellen we vast dat de GGO-techniek er enkel toe dient om de kaarten op
de wereldmarkt te herschudden en definitief te beslechten wie in de toekomst de
lakens zal uitdelen en de winsten van de wereldvoedselproductie zal opstrijken.
GGO’s zijn de getrukeerde kaarten in de handen van de meesteroplichter.
Binnen
de context van een vrije markteconomie is zulks ook perfect logisch: de
concurrentie is moordend, de investeringen torenhoog en wie ethische regels
laat primeren op commerciële haalt de eindmeet niet, dat is de harde wet van de
vrije markt.
Naar een gefundeerd
standpunt
De
voornaamste reden waarom Attac de verdere commercialisering van GGO-gewassen
radicaal afwijst is dat deze, in de huidige stand van zaken, enkel dienen om
het debacle van de productivistische landbouw te remediëren, deze
productiewijze te bestendigen en verder als uniek systeem te verankeren in het
landschap van de wereldvoedselproductie. Het allerergste is dat de bestaande
alternatieve opties, zoals boerenlandbouw of biologische landbouw daarbij
worden uitgeroeid. GGO-landbouw is in de huidige context een imperialistische
keuze want ze sluit alle andere opties uit en elimineert dus de vrije keuze van
consument en producent.
Het zou
daarom de geloofwaardigheid van dhr. Van Montagu ten goede komen mocht hij streng en
ondubbelzinnig de huidige productie van insecticide-resistente planten veroordelen,
want dit is één van de perfide manieren waarop de agro-chemie boeren in haar
greep krijgt. Als we echter kijken naar het palmares van Van Montagu zien we
staan:
construction of transgenic crops (tobacco, rape seeds,
corn) resistent to insect pest and tolerant to novel herbicides (hoechst). (Curriculum Vitae Marc Van Montagu, Website van de Accademia Nazionale delle Scienze detta dei XL)
He developed plant
molecular genetics, in particular molecular mechanisms for cell proliferation
and differentiation and response to abiotic stresses (high light, ozone, cold,
salt and drought) and constructed transgenic crops (tobacco, rape seed, corn)
resistant to insect pest and tolerant to novel herbicides.
Biografie Marc van Montagu op de website van het Instituut
voor Plantenbiotechnologie voor Ontwikkelingslanden
We
hoeven ons dus geen illusies te maken, de Gentse Pioniers hebben met hun
onderzoek wel degelijk in de kaart gespeeld van de meedogenloze marktstrategie
van de agrochemie, ook al ziet Van Montagu zichzelf niet graag in die rol en
houdt deze techniek ook de belofte in van een verminderd gebruik van
pesticiden. De uiteindelijke keuzes worden in dit verband gemaakt door de
belangenafweging van de agro-chemiebedrijven die er bovenop beschikken over disproportionele financiële en politieke macht. Het gaat er bij deze vaststelling
niet om deze bedrijven af te schilderen als baarlijke duivels; in een
ongecontroleerde marktsituatie hebben zij ook geen andere keuze: aan de ene
kant staan de investeerders te roepen om dividenden, aan de andere kant moet de
moordende concurrentiestrijd geleverd worden. In deze situatie is de industrie
geen betrouwbare partner om mee te beslissen over technologische keuzes die
dergelijke impact hebben op de levens van alle volkeren ter wereld en, bij
uitbreiding, op het uitzicht van onze planeet.
Ons
gaat het er niet om het onderzoek naar potentieel veelbelovende technologieën
onmogelijk te maken, maar van ze te houden daar waar ze thuis hoort: aan de
universiteiten. Dit onderzoek moet bevrijd worden van de druk om op korte
termijn te renderen en mag zeker niet ondergeschikt gemaakt worden aan de
wetten van de vrije markt. Alleen dan kan de wereldgemeenschap op termijn uitkijken naar een echt interessantere gewassen die de boeren en consumenten ten goede komen en eventueel kunnen ingezet worden voor een eerlijker verdeling van de opbrengsten van de aarde.