donderdag 17 maart 2022

Ons vacantiereisje 1940

door Ben Cohen


 Ben Cohen (°Amsterdam, 1885, +Gent, 1965) was mijn grootvader.

Onderstaand verhaal schreef hij op toen hij thuis kwam na anderhalve maand vluchten voor maar uiteindelijk ingehaald door het Duitse leger. Zoals duizenden gezinnen nam hij met vrouw en 2 van zijn kinderen ook de weg naar het Zuiden in de hoop zijn gezin buiten de gevarenzone te houden, zolang de vijandigheden duurden.

Wij hadden dan eindelijk besloten met onze auto naar Frankrijk te “vluchten”. Dit was de 15e Mei. De dag te voren was ik met mijn schoondochter naar Antwerpen gegaan, om mijn vader nog eens te bezoeken en tegelijkertijd naar mijn zoon te gaan die in de buurt van Antwerpen “lag”. Ik trachtte mijn Paps over te halen mede naar Gent te gaan, maar deze was niet te bewegen zijn woning te verlaten en was dus wel verplicht hem alleen achter te laten. Wij waren om 2 uur uit Gent vertrokken en moesten ons steeds een weg banen tusschen een eindeloze rij auto’s en allerhande andere voertuigen, van menschen die reeds hun haardsteden verlieten uit vrees voor de komende dingen. Duizende menschen gingen te voet naar Frankrijk, kinderen aan de hand mede slepende, hun have en goed voor zover het mogelijk was in een handkar, op een fiets geladen of in een kinderwagen meenemende. Op onze terugreis hebben wij tot bij Gent twee oude vrouwtjes mede genomen, terwijl hun kinderen te voet achter kwamen. Mijn vrouw had de laatste nachten in onze kelder geslapen uit angst voor de bommen, het fluiten der sirènes werkte op haar zenuwen en had ze dan ook zo goed als geen oog meer dicht gedaan in 4 à 5 nachten. Toen ik thuis kwam was mijn wederhelft druk aan het pakken van alles wat ze mede wou nemen, zoals kleren, eetwaren en dekens.

 

Daar de grote jongens soldaat waren en José met vrienden naar Roeselare was om in het leger te worden ingelijfd, hadden wij alleen Lydi en Hans mee te nemen. Woensdag 15 Mei tegen 4 uur was alles gereed. Een matras met dekens was op de auto gebonden om als bed te kunnen dienen en tevens als bescherming tegen luchtaanvallen! Vanaf Gent reden wij “en file” en kwamen tegen 7 uren in Furnes[1] aan, alwaar wij besloten te overnachten, daar wij vernamen de grens tot 5 uur de volgende morgen gesloten was. Ik plaatste mijn wagen op het marktplein tusschen andere vehikelen van het zelfde soort en gingen wij op zoek naar “logement”. Maar geen hotel, noch kamer was ergens meer te vinden en waren wij dus verplicht zoo goed en kwaad als het ging de nacht in de auto door te brengen. Daar gedurende de nacht meerdere malen het alarmsignaal werd geblazen, bracht mijn vrouw en Lidy de nacht in een abri ingerichte kelderruimte door en Hans en ik bleven meestal maar rustig in de auto zitten. Die eerste nacht werd natuurlijk slapeloos doorgebracht.

 

Reeds om 5 uur de volgende morgen stonden wij met onze wagen in een onafzienbare rij auto’s om de grens te passeren. Wij waren ongeveer 5 kilometer van de naaste grensstation verwijderd en passeerden de grens om 3 uur ‘s middags. 10 uren om 5 km af te leggen! Onderweg hadden wij de innerlijke mensch versterkt met droog brood met een stuk chocolade en een slok medegenome thee. Nu waren wij in Frankrijk, maar waarheen te gaan? Op goed geluk volgden wij een file auto’s en kwamen tegen 6 uur in Calais aan. Wij waren alle doodmoe en hadden het geluk op de laatste kamer met 3 grote bedden in een goed hotel beslag te leggen. Om 7 uur waren wij op de kamer en nadat we een stukje brood hadden gegeten, gingen wij slapen. Om 8 uur de volgende morgen weer op route en kwamen zo tegen 12 uur in Paris-Plage alwaar wij voor goed geld matig te eten kregen! Na hier en daar eens geïnformeerd te hebben, besloten wij de raad van een dame te volgen die ons adviseerde naar Calleux-sur-Mer[2] te gaan, een klein badplaatsje, waar zeer zeker de Duitsers niet zouden komen en wij wel tegen matige prijs een onderdak zouden vinden.

 

Toen wij in Calleux op de markt aankwamen, stonden wij juist tegenover een verhuurkantoor van woningen, alwaar reeds vele menschen in de rij stonden om een onderkomen te vinden. Ik bleef met Hans in de auto en mijn vrouw met Lidy ging om inlichtingen. Met veel moeite vonden wij dan ten slotte een klein huisje van twee kamertjes beneden, en twee slaapkamers, wat Hélène huurde voor één maand aan de redelijke prijs van frs. 250. Hoewel het maar een zeer eenvoudig werkmanshuisje was met stenen vloer zonder kleed en een paar houten stoelen, waren wij gelukkig eindelijk weer een “thuis” te hebben en te weten, wij dien nacht in een bed zouden slapen. Gelukkig waren de bedden zeer zindelijk en hadden wij ons eigen beddegoed mede en zelfs, zoals ik trouwens hierboven reeds schreef, een matras en dekens bij ons. Terwijl ik en de jongens de auto ledigden, zette ons moeder gauw een goede bak koffie en soupeerden wij met brood, een bus cornedbeef en koffie, als koningen, zelden smaakt een bakkie zweet mij zoo goed! Wij brachten nu een heerlijke, rustige nacht door, zonder door sirènes te worden gestoord! De volgende morgen maakte ik kennis met onze buren, ook een zelfde huisje, verhuurd aan een familie uit de buurt van Lille, welke natuurlijk ook waren gevlucht. Deze familie bestond uit papa, mama, schoondochter en kleinkind, de zoon was ergens aan het front. De baas was een vlashandelaar en een echte débrouillard, die steeds zijn plan wist te trekken. Zij hadden ook hun auto vol met levensmiddelen, dekens enz. Daar wij voorzagen dat wij wel eens plotseling zouden moeten opbreken, spraken wij wederzijds af elkaar te waarschuwen en samen te vertrekken, hetgeen voor ons van veel belang was, gezien onze buur het land goed kende en ik niet natuurlijk.

 

Ik maakte met Hans vele wandelingen langs de zee en hadden wij ons beide reeds in de enige bibliotheek van het dorp laten inschrijven voor boeken te huren. Wij kwamen hier vrijdagsavonds aan en hoopten er rustig de oorlog uit t doen, maar de mensch wikt en het oorlogsmonster beschikt. De volgende dinsdagnacht om 4 uur werd er aan ons huisje geklopt door onze buurman, ik stak mijn hoofd uit het slaapkamervenster en hoorde dat “de vijand” op 40 km afstand was en mijn buurman reeds bezig was zijn auto op te laden, mij aanradende indien wij mee wilden, “spoed” te maken! Een klein uurtje later zat ik weer in de opgeladen auto aan het stuur en volgde mijn buurman op de voet, als ik het eens zoo mag uitdrukken. Daar zij plaats te kort kwamen, had Hélène een zak met 5 kg koffie van ze “in bewaring” genomen! Na een 50 km weer “en file” gereden te hebben, stond ik plotseling stil, geen panne, maar mijn auto had dorst en ik kon hem helaas niet te drinken geven, daar nergens naft te krijgen; mijn gids had wel eenige bidons, maar in zo’n tijd, is de mens égoist en hij was natuurlijk rustig doorgereden, ons, maar ook zijn 5 kg koffie in de steek latend! Wij hebben ze tot heden niet meer weer gezien!

 

Daar stonden wij nu; midden op de weg, zonder benzine en tegen geen prijs te vinden. Ik ging met Hans eens kijken of er wat was te vinden, en op een 20 meter was een zijwegje, dat naar een boerenwoning leidde. Wij gingen hier in en kwamen aan een boerenerf, waar een jonge boerin met haar moeder en twee kleine kinderen woonde. De man was ergens aan de maginot-linie (dit vernamen wij later). Ik vroeg of wij onze auto op het erf mochten plaatsen om te voet verder te gaan en stemde de boerin hier in toe. Wij duwden dus met vereende krachten de auto de zijweg in en plaatsten hem onder een afdakje. Hélène vulde enige koffertjes en mandjes met wat eten en… daar gingen wij met ons vieren de wijde wereld in! Het huilen stond ons later dan het lachen, bij iedere stap die wij van onze welvoorziene auto af gingen, niet wetende of wij hem (of is het haar?) ooit zouden terug zien! De weg was brandend heet, de koffers zwaar en ons gemoed vol! De boerehoeve lag op de gemeente (in Frankrijk zegt men petit pays) Capval Chanval[3] en men had ons gezegd, op 4½ km afstand lag een groter dorp, Londinières, waar wij misschien voorlopig een onderdak zouden vinden of aan het gemeentehuis nader inlichtingen. 4 ½  km is, als het zeer warm is en men is een beetje beladen, een flink wandelingetje, en toen wij dan ook in het dorp kwamen, waren wij nogal moe en dorstig. Nu vindt men in de meeste fransche dorpen aan de weg op ieder paar 100 meter afstand steeds doorlopende pompen, welke frischen “goedkoop” drinken leveren. Wij lesten onze dorst en zetten ons op een bank om wat te eten.

 

Na een tijdje de onafgebroken rij vluchtelingen te hebben gade geslagen, zei ik tegen Hélène: “Wat denk je er van, als we maar weer naar onze auto terug gingen, want zo verder te gaan is ons bijna onmogelijk?” “Om je de waarheid te zeggen, heeft Lidy mij dit ook reeds gevraagd,” antwoordde ‘ons moeder’, en zo besloten wij dan maar weer dezelfde weg terug te gaan. Hoewel de zon op de totaal onbeschutte weg brandde, waren wij toch maar blyde weer naar onze auto terug te gaan en kwamen een uurtje later weer op de boerenhofstede aan, waar de jonge boerin ons in haar huis binnen liet en ons zeide maar te gaan zitten. Van zenuwachtigheid begon Hélène een deuntje te “schriemen” en ook mijn gemoed schoot vol, maar wist ik als “man” mijn tranen te bedwingen. De boerin zeide dat we voor de komende nacht wel in de schuur waar onze auto stond op het stro mochten overnachten, ze had wel een slaapkamer maar kon deze ons niet geven, daar haar schoonbroeder met zijn vrouw, welke in Londinières woonde, iedere avond met zijn vrouw per auto naar hun kwam om te slapen, opdat ze rustig zouden slapen, gezien er in Londinières ook nogal veel vliegers kwamen om de steeds voorbijtrekkende Fransche en Engelsche troepen te beschieten! Op mijn verzoek verkocht de boerin ons wat eieren en melk, zodat wij ons een beetje konden versterken. Terwijl wij iets zaten te eten, kwam de schoonbroer zeggen dat ze dien nacht niet kwamen, daar in het dorp was aangezegd dat alle verlaten huizen door de troepen zouden bezet worden. Nu konden wij de kamer huren, of wij ook blyde waren! De kamer was gemeubeld met een tweepersoonsbed, een stoel en een klein keukentafeltje, dit was alles. Wij haalden onze matras van de auto en sleepten deze naar onze kamer, om er de kinderen op te laten slapen en ware”n dus weer voorlopig onder dank. Daar, zoals ik reeds schreef, het meubilair der kamer nogal beperkt was, waren wij verplicht, zolang wij nog niet gingen slapen, beneden in de keuken, huiskamer bij de boerenfamilie te zitten en gingen uit bescheidenheid, terwijl ze aten, een beetje op het erf of in de enorme boomgaard en weide, waar vier koeien en evenveel paarden graasden, wat rondlopen. Gelukkig hield het weer zich goed, dus was dit niet erg. Zoals dat bij alle boeren gewoonte is, aten de twee knechten mede aan tafel. Het eten was er zeer goed en overvloedig, maar zouden wij er toch van gelust hebben, gezien het eigenaardig gezelschap aan tafel. Er lag steeds een heel brood op tafel, waar ieder op zijn beurt maar een homp van af sneed. Hoewel het goede menschen waren, waren ze uiterst gierig en zouden ons nog geen kop koffie voor niets hebben gegeven. Ze hadden twee kindertjes, van ongeveer 2 en 6 jaar, welke reeds met onze voorraad chocolade hadden kennis gemaakt. Toen de familie gegeten had, werd ons toegestaan wat eieren te koken en koffie te zetten, we hadden ook nog een brood bij ons, wat we in Londinières hadden gekocht en konden dus de inwendige mens versterken. Toen het donker begon te worden, ging de familie naar bed en wij zochten dus ook onze slaapkamer op en sliepen allen spoedig in.

 

De volgende morgen ging ik op zoek naar benzine, om verder te kunnen gaan, maar nergens iets te kopen. Alle pompen waren gesloten. De boerin zeide, we wel mochten blijven, tot we met onze auto verder konden trekken en hoewel het erg behelpen was, waren we toch zeer tevreden, dat wij niet werden weggestuurd. De moeder van de boerin had een huisje in Londinières aan de ingang van het dorp gelegen en, nadat wij er enige dagen waren en ze dus een beetje vertrouwen in ons kregen, zeide de oude dame dat ze ons wel voorlopig haar huisje wilde verhuren. Wij namen dit aanbod gretig aan, maar hoe er naar toe te komen met onze auto? Wij waren woensdag op de hoeve aangekomen en hadden de volgende maandag nog steeds geen gelegenheid gevonden om naar het huisje te gaan, hoewel wij intusschen reeds meerdere malen te voet naar het dorp waren gegaan om er brood te gaan kopen, waar men toen reeds lange tijd in de rij moest staan. Maandagmiddag kwam de schoonbroeder uit Londinières plotseling met zijn auto op de boerderij om te zeggen, dat het gevaarlijk was het huisje leeg te laten, daar de burgemeester van het dorp alle leegstaande huizen voor de vluchtelingen in beslag nam!  De oude boerin stelde ons dus voor direct naar haar huisje te gaan en werd onze auto aan die van de zwager gekoppeld en zo trokken wij naar Londinières. Het huisje lag heel aan het begin van het dorp aan de grote weg, het was nog bescheidener dan in Cailleux-sur-Mer, maar wij waren toch content het te kunnen huren en nu hadden wij weer een eigen “home”.

Daar er nog geen gas op het dorp was, moesten wij om koffie te zetten de kachel (stoof) aan maken, maar er waren geen kolen in het dorp meer te krijgen. Gelukkig was er, wat bij alle boeren en dorpelingen het geval is, een grote houtvoorraad en mochten wij hier een modeste gebruik van maken, had de schoonbroeder ons gezegd, natuurlijk mits betaling. Nu vertaalde Hélène het woord modeste in “à discrétion” en om een beetje eten te koken werd de houtvoorraad dan ook maar flink aangesproken. Om koffie of thee te zetten, hadden wij een klein teelichtje waarop met zeer veel geduld wel wat water aan de kook kwam. Enfin, we behielpen ons zo kwaad en zo goed als het ging.

 

De volgende dag had ik in het dorp reeds kennis gemaakt met de waarnemende burgemeester, daar de echte burgemeester reeds gevlucht was.  De waarnemende bergervader was een paardekoopman uit de omtrek die zich veel moeite gaf de vluchtelingen die het dorp met hun bezoek vereerden te helpen en ook wel bereid was Belgisch geld voor Fransch in te wisselen, maar zijn eigen belang bij deze ruil niet uit het oog verloor. ’s Avonds zetten wij ons op de drempel van ons huisje om de Engelsche te zien voorbijtrekken, die in onafgebroken colonnes met vrachtwagens kanonnen en tanks voorbijtrokken, dag en nacht door. Ze groetten ons steeds vriendelijk en hadden voor Hans en Lidy steeds een extra knipoogje over. Toen ik de 3de of 4de morgen het dorp inwandelde, hoorde ik plotseling dat de Belgische koning zich had over gegeven met het hele leger! De Franschen waren woedend op alle Belgen en beweerden dat de koning verraad had gepleegd aan zijn bondgenoten en er de oorzaak van was dat de Franschen nu achteruit moesten trekken voor de “Boches” Wat er wel of niet gegrond was in deze bewering, wisten wij natuurlijk niet, maar het was voor ons Belgen toch zeker niet aangenaam. Als ze echter “te veel van hun neus maakten”, zoals mijn vrouw dit noemt, dan vroeg ik maar eens waar hun generaal Gamelin was, en dan wisten ze niet meer goed wat te antwoorden! Intusschen had ik met veel moeite een 25 liter benzine gekregen en was dus, zo nodig, in staat verder te trekken. Dit kwam goed te pas want toen wij een tiental dagen in Londinières waren, vernam ik plotseling dat alle vreemdelingen verderop moesten trekken, gezien het dorp “zone militaire” was geworden. Na aan de schoonbroeder van onze huiseigenaarster de sleutel van het huisje te hebben gebracht en een week huur te hebben betaald, trokken wij op woensdagmiddag weer verder, het onbekende tegemoet.

 

Zonder te weten waarheen, trokken wij maar dieper Frankrijk in en kwamen dien avond tegen 7 uur in het plaatsje Pont St. Pierre aan, waar wij in een goed hotelletje overnachtten. Dit hotel werd uitgebaat door een moeder met twee dochters, welke laatste door enige in het hotel wonende Engelsche officieren, zeer vriendelijk werden behandeld. Na een rustige nachte in goede bedden te hebben doorgebracht trokken wij de volgende dag weer verder en na enige honderde kilometer te hebben afgelegd, kwamen wij die achtermiddag in Orléans aan, welke stad een 150 km boven Parijs ligt. Naar Parijs mochten wij niet gaan, daar de wegen natuurlijk alle voor de troepen werden gereserveerd en wij steeds van zijwegen moesten gebruik maken. Gelukkig zijn het in Frankrijk allemaal grintwegen, zodat dit nogal goed ging. Zoals overal, was er in Orléans geen kamer meer vrij en vonden wij eindelijk voor geld en goede woorden een kamer in een tamelijk goed hotel. Nadat ik de auto in een garage “op stal” had gebracht, gingen wij de stad eens in om te zien waar wij iets te eten konden vinden en kwamen in een restaurant van 2de rang te land, waar wij de inwendige mens redelijk goed konden versterken. De volgende morgen weer vroeg uit de veren en trokken wij maar weer verder. Waarheen? Dit wisten wij niet. In ieder dorp stopte ik, om aan het raadhuis en bij de menschen te informeren of er ergens enige kamers te huur waren, maar alles was reeds in gebruik genomen. Wij passeerden de stad Vierzon en kwamen tegen 12 uur in Mehun-sur-Yèvre. Dit is een klein stadje tusschen Vierzon en Bourges. Hier was een eerzame winkelier die zich opofferde voor de voorbijtrekkende vluchtelingen en toen ik kennis met hem had gemaakt, mij beloofde te zullen zorgen dat wij de volgende dag een klein huisje zouden krijgen om voorlopig in te wonen.

 

Ik ging met b.g.[4] winkeliertje, welke ik voor het gemak maar Jansen zal noemen, daar ik natuurlijk zijn naam al lang heb vergeten, naar de president van de vluchtelingenhulpcomité en zeide deze dat om in het stadje te mogen blijven, ik eerst naar de prefekt in Bourges moest gaan, om een “permission de séjour” te vragen. Daar het zaterdagmiddag was en ik voorzag dat ik in Bourges zeer zeker wel administratieve moeilijkheden zou hebben, stelde ik “Jansen” voor met mij in mijn auto mee te rijden naar B. om mij te helpen. Hij nam dit voorstel en bemerkte ik later dat ik hieraan zeer goed had gedaan, gezien hij onder de notabelen in Bourges veel vrienden had en ik dus na enige bezoeken met hem te hebben afgelegd, het door  de prefekt getekende document in handen kreeg. Hélène en Lidy had ik bij de vrouw van J. achtergelaten en Hans was “natuurlijk” mee gereden naar Bourges. In Mehun terugkerend, gingen wij een glas dringen in het voornaamste hotelletje van de plaats en zorgde J. dat wij er een kamer kregen, hetgeen zeer moeilijk ging, daar ook hier alles door de vreemdelingen was bezet en bovendien, zoals wij later zagen in het hotel Fransche vliegeniers logeerden. Ik bestelde voor ons vieren een diner voor ’s avonds en toen gingen de Gentenaars een wandeling maken om de stad te verkennen. Dit viel nogal mee. Mehun-sur-Yèvre is een stadje van 8 à 10000 inwoners zeer pitoresque gebouwd en tamelijk mooie wandelwegen. De hoofdstraat, waarin ook onze Jansen zijn winkel had, doorkruist het stadje van begin tot einde en is een 20 minuten lang. Deze straat en ook de hierop uitgevende zijstraatjes zijn alle zeer nauw en natuurlijk niet berekend op het enorme verkeer van vluchtelingen en soldaten, kanonnen enz. waaraan het nu dag en nacht blootstond. Tegen acht uur gingen wij naar ons hotel om te dineren en mochten toen een uurtje onze beurt afwachten. Dit wachten werd echter beloond door een uitstekend en overvloedig maal, zoals wij in lang niet genoten hadden. Wij kregen, dit was in de prijs inbegrepen, 2 flesschen wijn, waarvan ik zo dom was er een terug te geven om er een karaf water voor in de plaats te vragen. Ik had er gauw spijt van, daar de wijn zeer goed was en ik hem ook lustte. Ik moet nu en dan van Hélène nog het verwijt horen dat ik een flesch wijn had terug gegeven! Na het diner nog een avondwandelingetje en toen naar onze kamer waar wij spoedig een welverdiende rust genoten.

 

De volgende morgen was het zondag, maar werd hiermede in deze dagen geen rekening gehouden en ging het leven zijn gang als op een gewone werkdag. Tegen 10 uur zocht ik mijn “vriend” Jansen op en gingen wij naar de avenue de la gare 114, waar onze voorlopige verblijfplaats zou zijn. Dit was een zeer klein huisje, het slechtste wat wij in Frankrijk hebben gehad, maar er was absoluut niets meer te krijgen en durfden wij niet te weigeren en nogmaals de wijde wereld in te trekken. Het huisje bestond uit twee plaatsjes en verder niets. Als je de buitendeur open maakte, stond je in de huiskamer, die natuurlijk ook als keuken dienst deed en daarachter was en slaapkamer met twee, gelukkig zeer goede bedden. De vloeren van beide vertrekken waren uit roze stenen, zonder enige bedekking. Het meubilair was naar verhouding en toen ik mij de eerste keer aan de wankele tafel zette, bezweek de stoel onder mijn “gewichtig” persoontje en… ik spartelde op de grond, dit was de eerste keer sinds onze reis was begonnen dat ik “moeder” zag lachen! Gas, waterleiding of zelfs een kachel om te koken was er niet, zodat Hélène, om wat soep te koken, dit op een spirituslamp moest doen, die wij hadden gekocht. Tegenover ons huis stond de waterput, waar wij en alle buren over beschikten. Dit water was wel zeer goed, maar of het aan regelen der hygiëne voldeed betwijfel ik sterk, gezien de put van boven geheel open was en stof en andere ongerechtigheden de vryen toegang hadden. Enfin, die zo lastig is, houdt het nergens uit. Achter het huisje was een stukje land, om hier te komen, moesten wij een gangetje door, hetgeen ook aan het huisje van onze linkerburen behoorde, en werd de deur dezer gang door onze buur ’s nachts voor de veiligheid gesloten. Ik schrijf dit daar op dit stukje land of tuintje de toilette stond, zodat wij moesten zorgen hier ’s nachts geen gebruik van te moeten maken.

 

In het huisje aan onze rechterzijde woonde een vluchteling met vrouw en kind. Deze was een oorlogsinvalide uit het Noorden in de omtrek van Lille. Hij was invalide uit de vorige oorlog natuurlijk en waren ze ook met een auto, welke steeds door zijn vrouw gestuurd werd daar hij soms plotseling “zenuwaanvallen” kreeg en dis niet een auto mocht besturen. Zijn “dame” was een echte kenau Simons Hasselaar! Een goed wijf maar, als ze haar mondje open maakte om b.v. haar mening over de Duitsers te zeggen, nu, dan beschikte ze over een woordenschat waarvan nog veel was te leren. Overigens waren het geen kwade buren en wij waren nauwelijks aangekomen of mijn buur kwam reeds binnen gestapt om te vragen of hij mij soms van dienst kon zijn. Daar de kasten allen gesloten waren en wij dus niet wisten waar met alle kleren te blijven die we bij ons hadden, spande onze buur grote touwen tegen de zolder der slaapkamer om ons hebben en houwen over te hangen. Ik mag niet zeggen dat dit het aspekt der kamer verbeterde. Toen wij een beetje gegeten hadden, kwam onze buurman vragen of wij was “jus” wilden hebben. Ik keek een beetje vreemd op, daar ik natuurlijk dacht hij met “jus” het vocht bedoelde dat onze moeder zo overheerlijk wist te bereiden maar ik vergiste mij. “Jus” is de fransche soldatenuitdrukking voor wat wij in Holland geloof ik “zweet” en in onze gewone taal koffie noemen.

 

Wij hebben in dit huisje drie weken doorgebracht en moesten ons zeer behelpen. Vooral was het zeer moeilijk om een beetje warm eten te bereiden. Ik vertelde hierboven dat ik bij aankomst direkt door een der stoelen was gezakt, maar Hélène gebeurde iets ergers. Toen wij ongeveer een week er woonden, begaf een der stenen van de huiskamer en zakte Hélène met een been door de vloer, waardoor ze haar been erg bezeerde. Ze is hier een paar weken “mooi” mee geweest! De volgende dag, nadat ik mijn klacht had ingediend, werd de vloer gerepareerd, maar waarschuwde de metselaar die dit werkje kwam doen, ons toch vooral niet te wild te lopen om verdere accidenten te vermijden. Wij hebben hier 3 weken doorgebracht en doodde ik de tijd met wandelen en lezen? Ik had gezorgd dat Hans voorlopig naar de school kon gaan daar wij natuurlijk geen idee hadden hoe lang wij er zouden moeten blijven.

 

Wij waren ongeveer een week in Mehun toen er plotseling aanzegging kwam dat alle vluchtelingen hun auto’s moesten afgeven. Wij moesten ’s middags op het gemeentehuis komen en zouden dan horen wat er met de auto’s zou geschieden. Gelukkig was het niet zo erg als ik aanvankelijk had gedacht daar wij onze auto’s alleen maar in bewaring moesten afgeven en zelfs de sleutels mochten behouden. Dit was alleen maar een maatregel om te verhinderen er onnodig benzine werd gebruikt en misschien ook, konden ze de auto’s nog nodig hebben. Dit bleek enige weken later. Daar ik hele dagen niets te doen had en er geen enkele schaker in de plaats woonde, was ik nog gelukkig bij een der buren een flinke voorraad geïllustreerde bladen te vinden om de tijd te doden. Bij diezelfde buurman gingen wij iedere avond om 9 ½ de radio horen om op de hoogte te blijven. Nu veel goed nieuws hoorden wij in die dagen niet daar de Duitsers steeds dichter bij Parijs kwamen en bovendien steeds onafzienbare colonnes Fransche militairen ons huis passeerden, zo ook duizenden en duizenden vluchtelingen die verderop gingen zoeken. Onze buurman de invalide bleef steeds vol goeden moed en bij iedere terugtocht van het fransche leger wist hij mij uit te leggen dat dit een truc van ze was om het duitsche leger beter in hun macht te krijgen. Zelfs toen Parijs was gevallen, wilde hij nog aan het resultaat niet twijfelen, tot het bericht kwam dat het fransche gouvernement een wapenstilstand had gevraagd en zich overwonnen verklaarde.

 

Enige dagen voordat de Duitsers in Mehun binnen kwamen, kwam ’s morgens, juist toen ik zat te ontbijten, een gendarm bij ons met de mededeling ik direkt met de sleutel van mijn auto moest komen daar mijn auto in beslag werd genomen door de gendarmerie. Je begrijpt hoe ik schrok, maar zeide aan de gendarm dat ik over een half uurtje wel zou komen maar eerst wenschte te eten. Nu moet je weten dat de gendarmerie op enige huizen van ons af lag en ik daar reeds meerdere malen geweest was, o.a. om mijn verblijftoestemming te laten aftekenen. Ik had de dood in het hart daar ik wel wist dat, als ik mijn auto moest afgeven, wij met geen mogelijkheid terug zouden kunnen gaan in onafzienbaren tijd en ook niet verder konden vluchten. Na een beetje te hebben nagedacht, ging ik naar de gendarmerie toe en vroeg er de “chef” te spreken. Ik zeide hem dat ik natuurlijk alleen in het allernoodzakelijkste geval mijn auto zou afgeven en in geen geval zonder dat ze mij een schriftelijke opeisching voorlegden, getekend door de prefekt van Bourges, daar de burgemeester van deze opeisching niets wist. Ik zeide dit maar op goed geluk en het sloeg in. De brigadier zeide mij dat hij ieder ogenblik een opeisching formulier, getekend door de autoriteiten verwachtte en ik antwoordde hem dat ik dan natuurlijk voor het geweld zou zwichten. Intusschen had Hélène alles reeds weer ingepakt om zoo nodig direkt verder te kunnen gaan. Ik wist toen niet wat ik zou doen, verder vluchten met de auto, als ik kon of afwachten wat er verder zou gebeuren als de Duitsers binnen kwamen. Na veel wikken en wegen besloot ik maar op aanraden van mijn 90 % te blijven, daar ze er weinig voor voelde weer te gaan zwerven. Dit was ons geluk want hadden wij naar het Zuiden getrokken, dus het nu onbezette gedeelte, dan waren wij er misschien nog en zaten in een kamp, daar ons geld natuurlijk niet eeuwig kon duren. ’s Middags zeide mij de chef der gendarmen dat ik voorlopig mijn auto nog kon behouden, dus had mijn optreden het gewenschte gevolg gehad. Ik neem aan dat het opeisen van mijn wagen een verzinsel der gendarmen was om zelf met hun huishoudens te kunnen vluchten. Ik had hier meer geluk als wijsheid mede. Twee dagen later in den vroegen morgen trokken de eerste Duitse colonnes het stadje binnen. Aan het gemeentehuis stonden honderden vluchtelingen om permissie te krijgen naar hun huizen terug te gaan. Daar ik nogal goed was met de gemeentesecretaris, moest ik hierop niet wachten, maar rade B.g. “overheidspersoon” mij aan maar op goed geluk, zonder verlof af te wachten, weg te trekken.

 

Zaterdag 22 juni waren wij dan gereed om de terugreis te beginnen en om 2 uur trokken wij, na van alle buren afscheid te hebben genomen, de weg van Orléans op. Gezien natuurlijk ook nu weer de hoofdwegen voor het leger (maar nu het Duitse!) was gereserveerd, moesten wij altijd zijwegen rijden. De wegen waren weer vol auto’s, fietsers en voetgangers die ook weer huis toe gingen. Soms mochten wij een gedeelte hoofdweg nemen en zagen dan honderden personenauto’s, camions omgekeerd aan de rand der wegen liggen, die verlaten waren. Ook stonk het van de vele paardenkrengen en honderden pas begraven soldaten. Na meerdere uren rijden kwamen wij weer in Orléans aan, maar wat was dat veranderd! Het centrum was bijna geheel verwoest en ook de grote spoorbrug maar hadden de Duitsers reeds een noodbrug gelegd waarlangs het verkeer stapsgewijs  plaats vond. Wij hadden besloten, als het mogelijk was nog diezelfde avond tot Parijs te rijden en Nico en Elza te gaan opzoeken om eventueel daar een dagje te blijven, maar ongeveer 10 km van Parijs (het was inmiddels 10 uur ’s avonds geworden) mochten wij van de D. niet verder en moesten alle auto’s tot de volgende morgen bezijden de weg blijven wachten. Er was daar een groot gebouw wat daar door de D. reeds was bezet, een soort kazerne. Hélène, Lidy en Hans mochten daar tezamen overnachten. Daar vooral Hélène zeer moede was, nam ik die propositie der Duitsers graag aan en bleef ik in de auto zitten en zo’n beetje dutten.

 

Wij waren een 10 minuten rijden van Parijs aan de Porte d’ Orléans en had ik reeds gehoord dat de avenue Bosquet daar juist was. Om 5 uur reden wij af en hoopte ik dus spoedig mijn oudste broeder weer de hand te drukken, maar het mocht niet zijn. Aan de grens van de stad werden alle auto’s tegen gehouden en niemand en niemand die niet in Parijs woonde mocht van de Duitse overheid de stad in gaan en moesten wij om de stad heen naar de route naar België gaan. Dit was natuurlijk een erge teleurstelling maar er was niets aan te doen. Inmiddels hadden wij ons reeds erg bezorgd gemaakt dat onze benzine opraakte en alle pompen waren leeg. Nergens een druppel drinken voor de auto te krijgen. Met angst zag ik het ogenblik tegemoet dat de laatste druppel verbruikt zou zijn en plotseling op een brug was het zover. Daar stonden wij, zonder benzine en nergens iets te krijgen. Wij hebben van 7 uur tot 12 uur rondgelopen, overal vragende maar steeds zonder succes, zodat, ten einde raad, ik al voornemens was de auto ergens binnen te brengen en een kamer voor dien nacht te zoeken teneinde niet weer in de auto te moeten blijven zitten. Wij waren natuurlijk…

 

De laatste bladzijde van dit relaas is verloren gegaan maar ging uiteraard over de laatste etappe van dit avontuur. Voor zover ik me herinner van vele jaren terug is het gezin zonder al te grote problemen thuis (in Ledeberg) geraakt. Het Gentse gezin Cohen (dat een nieuw samengesteld gezin was met Hans, mijn vader, als jongste zoon) overleefde de oorlog, zij het met heel wat pesterijen vanwege de bezetter. De Nederlandse tak van de familie kreeg het erger te verduren. Ben had 3 kinderen uit een eerste huwelijk. Zijn oudste zoon (Jacob) en schoondochter werden afgevoerd naar de Duitse kampen om nooit meer terug te keren. Eenzelfde lot was Bens oudste broer Salomon met zijn gezin beschoren. De tweede broer Nico, die in Parijs woonde zoals uit de laatste paragraaf van het relaas blijkt, is met zijn gezin uiteindelijk naar de V.S. gevlucht, waar hij voordien al enkele jaren verbleven had. Omdat ook Amerika niet vrij was van antisemitische sentimenten veranderden ze hun naam. Hun nakomelingen wonen daar nog steeds.

Ik heb de originele tekst omwille van de leesbaarheid gedeeltelijk verbeterd. Dat gaat zowel om de archaïsche spelling, taal- en typfouten die ik er uit haalde, als hier en daar wat vreemde zinsconstructies die ik aanpaste. Toch heb ik veel van die zaken onaangeroerd gelaten, niet omdat het ons wat koddig over komt maar om iets van het oorspronkelijke karakter weer te geven.



[1] Veurne

[2] Bedoelt wellicht Cailleux-sur-Mer.

[3] Vermoedelijk gaat dit over Wanchy-Capval

[4] b.g.: bovengenoemd

donderdag 15 juli 2021

GeelZwarte Belasting

 

Vanochtend mijn belastingbrief in de bus en wat valt op? Je kan er niet naast: het is een Vlaamskleurige communicatie in NVa/Vlaams Belang-modus. Deze belasting is van ONS! In your face. Is dit neutrale communicatie van een overheidsdienst? Goed, de scheiding van kerk en staat komt niet in gevaar, geel is immers geen religieus symbool, hoewel... helemaal zeker ben ik daar tegenwoordig niet meer van. Het Vlaamse verhaal over identiteit is toch wel een kwestie van geloof en mythevorming. 

Oei, is dit nu heiligschennis? Misschien wordt ik geëxcommuniceerd. Verbannen uit Vlaanderen, terugsturen naar mijn eigen land. Waar? Dat moet dan wel Nergensland zijn. Zijn daar tickets voor?

Was bedoeld voor Facebook maar deze giftige omgeving toch maar gewisseld voor hier.

woensdag 13 januari 2021

Coronavaccins: volksgezondheid contra big profit?

 

Zoals bij velen is een portie ergernis bij het lezen van mijn krant en het volgen van nieuwsmedia ook mijn dagelijks deel. Ik hou me doorgaans in om daar lucht aan te geven omdat zuur doen over alle zurigheid, waarmee we overspoeld worden, niet meteen leidt tot meer begrip, redelijker gedrag of intelligentere klap. Wie zich grondig informeert alvorens meningen te ventileren zal dat wel blijven doen en wie enkel in staat is om vanuit de buik te "denken" en de luidste roepers van de dag na te praten zal dat ook blijven doen. Sociale media gaan daar niet veel aan veranderen, wel integendeel.

Vandaag is er toch een kleinigheid waar ik wil op wijzen. Het behelst de controverse over de farma-industrie. Meer bepaald de verontwaardiging over vertraging in de levering van vaccins die werd aangekondigd en de bewering als zou big pharma winst belangrijker vinden dan volksgezondheid.

 

Het eerste misverstand komt voort uit onbegrip over productieprocessen. Het woord zegt het zelf: "Big Pharma" is big production. Er wordt een zeer ingewikkelde productielijn in gereedheid gebracht voor een bepaalde capaciteit. Die omvang is op dat ogenblik (we zitten nog in testfase) wellicht ingegeven vanuit een evenwicht tussen investeringen versus kans op eindsucces bij testen van het vaccin en de daarop volgende goedkeuring door de Europese Geneesmiddelenautoriteit (EMA), het Britse MHRA, de Amerikaanse FDA, enz. Wanneer het vaccin uiteindelijk kan worden gedistribueerd en de vraag enorm groot blijkt te zijn, wordt er beslist om op te schalen naar (in het geval van Pfizer) zowat het dubbele aantal dosissen. Zoiets is geen kwestie van even aan de volumeknop draaien. Alle fases van de productie dienen opgeschaald te worden, alsook de toevoer van grondstoffen en dit alles opnieuw op mekaar afgesteld. Dat de productielijn daarvoor moet onderbroken worden lijkt me niet onbegrijpelijk. Natuurlijk heb ik geen inzage in de interne keuken van die bedrijven maar dat hebben al die roodaanlopende verontwaardigde schreeuwers ook niet.

Zorgelijker en perverser is het wanneer een farmabedrijf zou beslissen om een deel van de voorraad te herbestemmen naar een hogere bieder. Mocht dit het geval zijn, wat nu geïnsinueerd wordt maar lang niet hard gemaakt, dan heeft het weer te maken met...

 

Het tweede misverstand. Dit is nu een discussie die ik al 40 jaar voer, vooral binnen weldenkende progressieve en politiek correcte middens. Men lijkt er van uit te gaan dat het de taak van bedrijven is om te zorgen voor het welzijn van hun arbeiders en van burgers in 't algemeen, dat ze verantwoordelijk zijn voor het niet verstoren van ecologisch evenwicht, dat die verantwoordelijkheid ook reikt tot het niet bezoedelen van onze lucht en geen chemische troep in onze waterlopen te lozen, dat ze dus de gezondheid van onze planeet niet in gevaar brengen. Kortom men gaat er van uit dat bedrijven zich ethisch dienen te gedragen. De denkfout is: een bedrijf kent geen morele categorieën, heeft geen geweten net zoals uw broodrooster dat ook niet heeft. Een bedrijf heeft als doel winst op te leveren voor de eigenaar en productie is het middel daartoe. De ondernemer is natuurlijk wel moreel aanspreekbaar en kan dus ter verantwoording geroepen worden. "Irrelevante nuance," denkt u maar ik zet graag puntjes op de "i": het zijn de mensen achter de bedrijven die beslissingen nemen en dat is belangrijk om te begrijpen waar het probleem zit.

 

Een onderneming die geleid wordt door één persoon is een simpel gegeven: de eigenaar kan, sociaal bewogen en milieubewust, er alles aan doen om zijn medewerkers billijk te vergoeden en alles in het werk te stellen om een op alle gebied eerlijk en proper product af te leveren. Als we pech hebben neemt die ondernemer het niet zo nauw met morele normen. Ik ben in dit opzicht niet naïef. Er lopen nogal wat gewetenloze schurken rond die zich "entrepreneur" of “businessman” noemen maar ik ga ervan uit dat de overgrote meerderheid van mensen die een zaak opzetten dat doen vanuit zeer eerbare beweegredenen, zelfs vanuit een passie voor hun product. Die goede bedoelingen staan echter steeds onder druk: in een openmarktsysteem is concurrentie een onverbiddelijke regulator. Dat geldt natuurlijk op gebied van prijszetting maar daar hangt automatisch ook productiekost aan vast en dus kwaliteit, arbeidsomstandigheden, enz.

In het geval van verschillende eigenaars maakt bedrijfsethiek voorwerp uit van onderhandeling tussen die eigenaars wat niet altijd garant staat voor een ethisch gezonder beleid. Dit is niet enkel het gevolg van inhaligheid van die eigenaars. Een ondernemer of CEO van een bedrijf dat met veel arbeiders en bedienden werkt is ook verantwoordelijk voor het welzijn van zijn medewerkers en hun gezinnen; enerzijds ingegeven uit menselijke overwegingen, anderzijds omdat personeel dat niet verzorgd wordt wellicht geneigd is om weg te lopen. De strategische keuzes die op de markt en in het productieproces gemaakt worden hebben daar rechtstreeks impact op.

Nog een stapje ingewikkelder wordt het wanneer een bedrijf beursgenoteerd is en dus in handen van heel veel anonieme aandeelhouders, zonder echte band met het bedrijf, voor wie rendement het enige criterium is. Voor ethiek lijkt nog weinig ruimte.

Gelukkig heeft de markt ook een positief effect. Ethische bedrijfsvoering kan ook verkoopsargument zijn in een deel van de markt. De gevoeligheid bij de consument heeft hierdoor bijvoorbeeld aanleiding gegeven tot het ontstaan van fair trade producten. Daarnaast hebben veel bedrijfsleiders al in een vroege industrialiseringsfase beseft dat tevreden werknemers een groter engagement hebben tegenover hun bedrijf, wat zowel de kwaliteit als de continuïteit van de productie ten goede komt. Het is dus niet al kommer en kwel maar wel een zeer complex tableau waar we toch even mogen bij stil staan alvorens met simplistische conclusies naar de sociale media te trekken.

Terug naar de coronavaccins, of beter naar de farmaceutische industrie. Het bijzondere aan die industrietak is het groot maatschappelijk belang ervan en de verwevenheid met het publiek wetenschappelijk onderzoek. Dat laatste is problematisch op verschillende niveaus. Veel onderzoek gebeurt initieel in universiteiten. Bij ons betekent dit dus volledig publiek gefinancierd onderzoek en ontwikkeling. De ontwikkeling van een geneesmiddel is veelal ook het resultaat van een samenwerking tussen een universiteit en een privaat bedrijf. Daarnaast worden bepaalde onderzoeken in privébedrijven ook wel gesubsidieerd door overheden. Bepaalde geneesmiddelen kunnen ook schatplichtig zijn aan eerder onderzoek waarop nog intellectueel eigendomsrechten rusten. En het gebeurt ook dat een farmabedrijf een universitair onderzoekslabo helpt. Dit alles zorgt voor een erg complex en problematisch patentlandschap.

De intellectuele eigendomswetgeving, die nationale materie is maar waarover ook internationale akkoorden gelden, is er in de eerste plaats om de investeringen in onderzoek en ontwikkeling wettelijk te beschermen. Het verleent de patenthouder echter gedurende een bepaalde periode het alleenrecht op productie en verkoop van zijn (in dit geval) geneesmiddel, wat neerkomt op een monopolie-, dus machtspositie. Bij grote of dringende vraag naar dit middel kan dit leiden tot een zekere willekeur op het gebied van prijszetting en bevoorrading. Los van het gegeven of een firma inderdaad misbruik maakt van zijn positie ten koste van het algemeen belang of niet, is dit een ongezonde situatie die ook in het gunstige geval van integer gedrag toch altijd met argwaan zal bekeken worden. En in de praktijk hebben we al talloze keren gezien dat die argwaan ook gewettigd blijkt.

Hoe ontkomen we aan deze tina-patstelling, een gang van zaken die niet vermijdbaar is? There is no alternative is de roep van ons neoliberaal bestel maar gaat uit van een duidelijk ideologische stellingname: tegen regulering, voor volledige suprematie van de markt. Eens buiten dit kader zijn er natuurlijk tal van mogelijkheden om tegen de dwingelandij van de marktjungle en de moordende concurrentiestrijd op kosten van de gemeenschap in te gaan. In een notendop en heel ver vooruit kijkend: in het geval van bescherming van intellectuele eigendom is het bijvoorbeeld best denkbaar dat patenten niet in handen komen van private eigenaars maar van een internationaal patentagentschap. Dat agentschap kan dan licenties aan bedrijven verlenen. Licenties worden toegekend onder strikte voorwaarden en telkens voor een beperkte periode. Op die manier kan de opbrengst van de licenties op billijke wijze verdeeld worden tussen de ontwikkelaars van een product zodat de stimulus voor innoverend onderzoek blijft bestaan en zelfs extra gewicht kan krijgen. 

Uiteraard is een dergelijk omvattend systeem een hele klus om op te zetten. Dat moet eerst en vooral politiek gedragen worden. Het juridisch kader zal voldoende garanties voor de bedrijven moeten bieden, rekening houdend met hun aandeel in de ontwikkeling die uiteraard moet vergoed worden. Voor productie en commercialisering moet ook een duidelijke procedure gelden die licentieaanvragen reglementeert, een transparante en eerlijke beoordelingswijze vastlegt alsook de geldende termijn van de licentie. Welke geneesmiddelen geproduceerd worden moet niet bepaald worden op basis van hun commerciële "levensvatbaarheid" maar doordat ze het algemeen belang en de volksgezondheid dienen. Welke instanties daar uiteindelijk over beslissen (een orgaan onder de koepel van de Wereld Gezondheidsorganisatie?) moet ook bepaald worden. Het is dus duidelijk dat proberen nu even snel met een nieuwe mondiale patentregeling voor de pinnen komen om de huidige pandemie te lijf te gaan geen goed idee is en onmogelijk. Dit is werk van vele jaren. Maar de pandemie heeft misschien meer geesten klaar gemaakt om hierover na te denken. De urgentie hiervoor is in ieder geval duidelijk.

Ik ben een absolute leek wat deze materie betreft en dus is het makkelijk om dit idee als totaal onrealistische fantasie weg te zetten. Daartegenover staat dan dat het blind vasthouden aan het rampzalige marktgeloof, wanneer zoveel mensenlevens op het spel staan, van een even onrealistisch wereldbeeld getuigt. Er is een limiet aan wat mensen verdragen! 

Daarenboven geldt de hier voorgestelde wijze om patenten in het belang van de gemeenschap te beheren even goed voor de chemische en agro-industrie. Maar dat is een ander verhaal.

maandag 21 december 2020

 

Reflectie over media en democratie

 

Hoax, alternatieve waarheid, fake news,… We worden er de laatste jaren steeds vaker mee geconfronteerd. We lijken terechtgekomen in een wereld waarin het er maar op aan komt te kiezen tot welke identiteitsbepalende groep je behoort om de wereld rondom ons echt te begrijpen. Links, rechts of averechts, allen beschuldigen de tegenpartij van het verspreiden van valse informatie. In deze wereld van onoverzichtelijke hoeveelheid aan feiten, meningen, verklaringen die elkaar tegenspreken ontstaat bij velen de indruk dat er geen andere manier is om greep te krijgen op de werkelijkheid dan meegaan in de waarheid van een sociale, politieke of religieuze gemeenschap en daaraan vast te houden. 

Laten we meteen een misvatting uit de wereld helpen: dit is niet louter een probleem waar de sociale media ons mee opgezadeld hebben. Hoewel de internetwereld een enorme impact op onze beleving van de wereld heeft en ons leven totaal veranderd heeft, is zekerheid over de werkelijkheid een vraag van alle tijden. Ook de klassieke media hebben ons wereldbeeld meer dan eens grondig overhoop gehaald. Ze hebben de geschiedenis vooruit gestuwd maar zijn ook altijd een slagveld geweest waar vele waarheden en ideologieën elkaar bevochten. Een goed begrip van die geschiedenis kan ons helpen bij het omgaan met de uitdagingen waar de digitale media ons voor plaatsen. Een lang verhaal met heel veel lagen om je weg in te vinden, zo blijkt.

Dé waarheid bestaat niet!

Razend interessante filosofische stelling, samen met het verwante “Dé werkelijkheid bestaat niet”. Ook in de psychologie kennen we er zo één: “Vrije wil bestaat niet”. Als vertrekpunt voor een kritische reflectie over de kenbaarheid van de wereld, over criteria voor objectief wetenschappelijk onderzoek, onderzoek naar oorzaken van (im)moreel gedrag. In de handen van gewone stervelingen als u en ik kunnen deze drie stellingen ook wapens zijn om tegenstanders van hun stuk te brengen, ze om de tuin te leiden, om het eigen gedrag te justifiëren, om misstappen te verdrinken in redeloze constructies. In mijn persoonlijke ervaring heb ik de bewering dat de waarheid niet bestaat in ieder geval enkel op die wijze weten gebruiken. Redelijke, op feiten gebaseerde argumenten worden plots onbruikbaar en elk gesprek zinloos.

In de politieke praktijk lijkt het relativeren van de concepten “waarheid” en “werkelijkheid” soms tot de dagelijkse gangbare praktijk te behoren. Wat we de laatste 4 jaar hebben zien gebeuren in de VS is daar de totaal doorgeslagen consequentie van. Maar in essentie is het enige nieuwe natuurlijk de schaal waarop en de middelen waarmee het gebeurt. Politiek is het onderhandelen van conflicterende belangen tussen verschillende groepen of gemeenschappen; daarbij speelt het overtuigen van anderen om onze belangen te steunen een grote rol. Wanneer dat met redelijke, verifieerbare argumenten gebeurt en de partijen zich bereid tonen om elkaars argumenten ernstig te af te wegen, kan tot een vergelijk gekomen worden, waarin niemand zich gedupeerd hoeft te voelen. Overwegen en evalueren van elkaars argumenten kan erg ingewikkeld zijn en het onderhandelen lastig en tijdrovend maken, dat is nu eenmaal de prijs die je betaalt in een democratisch systeem. Tot zover een schets van de ideale wereld. In de praktijk weten we allemaal dat politiek niet enkel bedreven wordt met redelijke argumenten. Beïnvloeding is hier het kernwoord en daartoe hebben de politici een heel arsenaal aan instrumenten. Naast de rede kunnen argumenten ook gericht zijn op het gevoel, de emoties of, zoals reeds vermeld, het relativeren van de concepten die een redelijk oordeel mogelijk maken: werkelijkheid en waarheid. Een ander element is macht. Macht ontleend aan economische positie, grootte en/of financieel gewicht van de achterban. Helaas niet zo uitzonderlijk wordt macht ook ontleend aan gewelduitoefening. En dan is er nog een laag die over die andere middelen heen ligt: de media.

Media: ontvoogding én verknechting

De uitvinding van de Europese drukpers heeft gedurende 500 jaar gezorgd voor een ongekend snelle ontwikkeling op zowat alle domeinen van de beschaving: wetenschappen, politiek en algemeen intellectueel ontwikkelingsniveau van de bevolking. De 20ste eeuw heeft een nieuwe culturele revolutie zien vorm krijgen: de shift van woord- naar beeldtaal. De impact hiervan kan niet overschat worden. De snelheid waarmee informatie en denkbeelden kunnen worden doorgegeven en op grote schaal verspreid is exponentieel toegenomen. 1 beeld zegt meer dan 1000 woorden wil het cliché. Wat op het eerste gezicht een enorme efficiëntiewinst lijkt, blijkt toch wel een enorme prijs te hebben. Het gedrukte woord betekende niet enkel een culturele revolutie door de snelle, massale communiceerbaarheid, het geeft ook meer ruimte aan gelaagdheid en nuance. Ingewikkelde concepten kunnen gedetailleerd beschreven worden, gedachten diepgaand ontwikkeld; achteraf kan de lezer ze met de nodige aandacht tot zich nemen en daarover reflecteren, wat kritisch omgaan met informatie bevordert en het eigen, zelfstandige denken stimuleert. Dit alles wordt in de hapsnap snelle beeldcultuur in de kiem gesmoord.

Is het dan niet zo dat woord en beeld nog steeds naast elkaar functioneren in onze cultuur en elkaar zelfs aanvullen? Ja, zo zou het in de beste der werelden natuurlijk wel moeten; eigenlijk is dat heel lang zo geweest want vastleggen en communiceren van inhoud via beeld is zo oud als de mens. Op zich zou het absurd zijn om het woord als superieur aan de beeldtaal te benoemen. Beide talen hebben elk hun eigen belangrijke functie binnen onze cultuur. Problematisch wordt het wanneer het ene het andere verdringt, wanneer de illusie wordt gewekt dat beeld het woord zomaar kan vervangen en grotendeels overbodig maken.

Met de groeiende dominante positie van de drukpers als communicatie­medium, kreeg een steeds groter deel van de bevolking gedurende eeuwen toegang tot kennis die haar toeliet en aanzette om bijvoorbeeld eigen, geïnformeerde politieke keuzes te maken. Hierdoor werd de democratiseringsbeweging gaandeweg bevorderd en versterkt. De ontwikkeling van de veel snellere elektronische media, met name in een eerste beweging de radio, zorgde voor een totaal nieuwe boost in de wijze waarop ideeën een veel groter publiek bereikten. Dit biedt zeker kansen tot nog breder bereik van de bevolking met emancipatorische inhoud (kennis en cultuur, zeg maar).

Er is echter tezelfdertijd een negatief effect. De radio zorgt niet alleen voor makkelijker consumeerbare inhoud; door de doorlopende stroom ervan wordt reflectie bemoeilijkt, ontmoedigd eigenlijk. Het publiek krijgt de rol van passieve consument toebedeeld. Om de luisteraar in die rol vast te klikken wordt alles verpakt in een aantrekkelijk entertainment formaat, veelal toegespitst op een specifiek doelpubliek. Niet voor niets eindigen veel programma’s vandaag met een verwijzing naar een volgend programma en de boodschap “Blijf bij ons, blijf bij Radio 1.”

Politieke actoren begrijpen al gauw de mogelijkheden die het nieuwe medium biedt. De overheid ziet een middel om haar beslissingen breed kenbaar te maken, te verdedigen en de bevolking stilaan het onderliggende ideeëngoed met haar normen en waarden als “eigen” te laten ervaren. Op zich is dit een legitieme betrachting in het kader van het verbinden van de leden van de gemeenschap, een idee waarop volop werd ingezet bij het ontstaan van de natiestaten. Sommige overheden gaan er dan ook snel toe over om de zendmedia te nationaliseren en zo een monopolie op die informatiestroom te creëren, ook om een te grote aandacht voor concurrerende ideologieën tegen te gaan of totaal uit te sluiten. Duidelijk problematisch in democratisch opzicht maar in een goed functionerend democratisch politiek landschap controleerbaar.

In veel landen wordt het initiatief echter overgelaten aan privé-actoren, wat enerzijds een grotere diversiteit aan inhoud biedt, anderzijds ontstaat een grotere invloed van commerciële belangen die ook op die inhoud gaan wegen. Ook daar dreigt een negatieve impact op democratische processen: zenders komen in handen van kapitaalkrachtige bedrijven - al dan niet deel van een persgroep - die stilaan zelf een quasi monopoliepositie kunnen veroveren en zo ook vat krijgen op het denken van hun publiek. Het vermengen van politieke en privé-belangen is geen gelukkige piste. (Ah, nu komen we op akelig herkenbaar terrein.) Problematisch maar alweer: een goed functionerende democratie kan zich daar wel tegen wapenen en de evenwichten bewaken. Laat ik hier alvast meteen in herinnering brengen dat ook misbruik van woord en beeld voor beïnvloeding of misleiding niets nieuws is.

België koos na de tweede wereldoorlog definitief voor een monopolistische nationale omroep (vóór de oorlog had je nog enkele privézenders). Dit monopolie zou tot in de jaren ’80 stand houden, weliswaar op tijd en stond belaagd door tal van illegale initiatieven. En laat dit voor ons nu precies een belangrijk kantelmoment zijn, waarover straks meer. Komen we bij de machtsgreep van de beeldcultuur, wanneer de geluidsbeleving er met de televisie een dimensie bij krijgt.

Beeldverslaving

Bewegend beeld ondersteunt of versterkt niet enkel het woord zoals dat het geval is bij een boekillustratie, het eist ook de volledige aandacht van de kijker. Meer nog: blijkbaar zijn onze hersenen zo geprogrammeerd dat wij erg moeilijk kunnen weerstaan aan bewegende beelden en deze trekken ons helemaal in hun verhaal. Om het erg negatief te stellen: beeldmedia kapen onze aandacht en op de duur ons denken. Ik maak hier natuurlijk een grote sprong maar in de praktijk hebben we wel degelijk gezien dat de 20ste eeuw minstens 2 generaties aan tv-verslaafden heeft voortgebracht. Vanaf eind jaren 50 geraakten zij die zich aan die verslaving onttrokken in de minderheid. Tegenover dit negatieve beeld staat natuurlijk ook het maatschappelijk debat dat heel breed werd gevoerd dank zij de landelijk gedeelde ervaring. In rurale gebieden werd het leven nog tot na de 2de wereldoorlog gedomineerd door sociale controle en een gesloten wereldbeeld. Het meer open en individualistischer gedachtegoed dat kenmerkend is voor de stedelijke cultuur die nieuwe normen en waarden omarmt, kreeg uiteindelijk ook toegang tot de dorpen dankzij de televisie. Alweer een tweesnijdend mes: nuance blijft de leidraad in dit verhaal om de kern van het probleem te begrijpen. De razend snel evoluerende media, die instrumenteel zijn in het emanciperen van onze samenleving, een samenleving van zelfdenkende, verantwoordelijke burgers in een mondiale context, dreigen ons ook te beroven van ditzelfde ideaalbeeld. Het is maar de vraag in welke richting de slinger beweegt.

Werkelijkheid met amusementswaarde of fictie als realiteit

Eén van de issues die met de komst van televisie het helder denken bezoedelde en de werkelijkheidsbeleving op nooit geziene schaal verstoorde is: het door elkaar halen van feitelijke informatie en fictie of allerlei vormen van entertainment.[i] Daar hoeft geen manipulatieve agenda achter te zitten. Het is de taal van het medium zelf die voor verwarring zorgt. De continue stroom van beelden, die door een soort eenheidsfilter gestroomlijnd wordt, nivelleert in de perceptie de relevantie van de gebrachte informatie. De filter behelst onder meer de dwang om de kijker niet te vervelen en daarbij wordt rekening gehouden met de breedst mogelijke doelgroep.

Een echt geïnteresseerd publiek is bereid om desnoods een half uur lang aandachtig te luisteren naar de deskundige duiding bij een belangrijke maatschappelijk probleem of wetenschappelijk onderzoek. Maar veel mensen houden dit zelfs geen 5 minuten vol zonder de nodige visuele prikkels die de beleving opleuken. Wie nu en dan een presentatie geeft voor een zaalpubliek weet dit en speelt daar ook op in. Het verschil met televisie is dat beeldtaal echt de essentie uitmaakt van het huiskamerscherm en daar dus totaal afhankelijk van is om de aandacht gaande te houden. Zogenaamde “talking heads” zorgen voor een tegennatuurlijk statisch en dus vervelend beeld. Dus wordt elk verhaal gedynamiseerd met (liefst bewegende) beelden die het entertainmentgehalte verhogen.

Een tweede element in het vervagen van de grens tussen de echte wereld en de fictionele is het door elkaar haspelen van de onderscheiden “podia”. Panelprogramma’s verzamelen acteurs, politici, wetenschappers, zangers en sporthelden rond dezelfde tafel en laten die inhaken op elkaars verhaal. Het gaat grotendeels om hetzelfde selecte clubje dat steeds opnieuw opgevoerd wordt en dan ook nog eens opdraaft in allerlei spelletjesprogramma’s. Het probleem is niet dat de modale kijker het verschil niet zou kunnen maken tussen de bespreking van een politiek item en die van een fictiereeks. Verstandelijk weet hij dat onderscheid wel te maken maar de onbewuste, emotionele verwerking van de gebrachte informatie laat die scheiding lekken. Natuurlijk komen politici graag in beeld om hun verhaal te doen en het is voor de burger ook belangrijk om kennis te nemen van de verschillende standpunten. Maar politici hebben niets te zoeken in louter entertainmentprogramma’s. Om maar meteen een zeer zichtbaar effect te noemen: in 2010 won N-VA de verkiezingen voor­namelijk dank zij het optreden van Bart De Wever in het kwisprogramma De Slimste Mens. Onzindelijk heet zoiets. (Sorry Bart, niets persoonlijks maar ’t voorbeeld maakt mijn punt te schoon om te laten liggen) Het zijn echter effecten op langere termijn die we in de gaten moeten houden.

Door het mengen van de twee formats krijg je eigenlijk een devaluatie van de relevantie van feitelijke informatie, die burgers in staat stelt om maatschappelijke kwesties te begrijpen. In eenzelfde beweging worden triviale items opgewaardeerd tot belangrijke discussie­onder­werpen. Dit is dus die nivellering. We komen er straks op terug.

Privatisering

Om de gevolgen van de privatisering van de ether te duiden gaan we eerst even terug naar de radio . Het door de overheid gecontroleerde medialandschap van de jaren ’60 slaagde er niet in om de jongerencultuur van de babyboomers te vatten. De knullige wijze waarop daarover gerapporteerd werd, was soms aandoenlijk hilarisch. Vooral: nieuwe wereldbeelden met nieuwe behoeften en de erbij horende creatieve uitingen die toen vorm kregen in de jongerencultuur vonden soms wel hun weg naar enkele nicheprogramma’s maar werden niet gereflecteerd in de algemene programmatie. Dat was natuurlijk een gevolg van het feit dat de BRT een zender voor het breedst mogelijke publiek wou zijn en dus geen  doelgroepenpolitiek kon voeren. Commercieel privé-initiatief sprong in dit gat, althans in het verkoopbare deel: populaire muziek. Illegale radiostations vochten de monopoliepositie van de overheidszenders aan en opereerden gedurende jaren vooral van op schepen buiten de territoriale wateren om hun doelpubliek te bereiken. Een jarenlange juridische strijd resulteerde uiteindelijk in het opdoeken van de illegale zenders. Maar eind jaren ’70 zag een nieuwe golf van illegale zenders ontstaan. Deze keer waren ze veel groter in aantal maar veel kleiner in zendbereik. Daarenboven opereerden niet allen vanuit een commerciële motivatie. Velen waren hobbyisten die de nostalgische herinnering aan de boeiende sixties wilden herbeleven en zich vrije radio noemden. Daarnaast had je een hele reeks zogenaamd lokale radio’s die een stem wilden geven aan de jongerencultuur en de vele sociale bewegingen, die belangrijk waren in het leven van een stad maar te weinig gehoord werden op de officiële zenders of in het politieke debat. Zij zagen hun rol als aanvullend op het aanbod van de toenmalige BRT en RTBF met een louter lokaal aanbod. Op die wijze fungeerden ze als een ontmoetingsplaats voor zowel de grotere buitenparlementaire bewegingen als 11.11.11 of Oxfam maar ook de lokaal georganiseerde grassrootsbewegingen: de vrouwenbeweging, de wetswinkels, het buurtopbouwwerk, enz. Zij groepeerden zich in een belangenorganisatie om in gesprek te gaan met de overheid: VEBE.

In de chaos die toen ontstond profileerden zich ook enkele echt commerciële initiatieven die duidelijk de bedoeling hadden om de officiële zenders te beconcurreren met een nationale programmatie. Deze zenders groepeerden zich in VEBORA om de geldende wetgeving in hun voordeel te wijzigen.

Aan de oppervlakte zag het publiek een juridisch gevecht met talloze inbeslagnames en vervolgingen van de illegale zenders en parlementaire initiatieven om de wetgeving aan te passen.

Daaronder speelde zich een politiek machtsspel af om de controle van het medialandschap. Grofweg ging het om de klassieke ideologische strijd: de totale liberalisering van dat landschap versus het behoud van de overheidsdominantie. Of nog: winstgestuurde publieke dienstverlening versus maatschappelijk belang als drijfveer. De lokale radio’s stelden zich eerder terughoudend op ten aanzien van het verkopen van reclametijd om inkomsten te genereren, dit om de maatschappelijke opdracht die ze zichzelf hadden gesteld niet te laten bezoedelen of afhankelijk te worden van sponsors wier belangen soms conflicteerden met onafhankelijke berichtgeving. Voor de VEBORA-zenders was het concept vrije radio gewoon het forceren van een nieuwe businessopportuniteit.

Misschien is het hier de plaats om een belangrijk principe over het verdienmodel van private media helder te stellen. Zoals Marshall McLuhan (The Media is the Message) en Neil Postman (Amusing Ourselves to Death) duidelijk maakten is er volgens het kapitalistisch model ook hier een markt waar verkoper en koper elkaar vinden. Intuïtief zou je kunnen denken dat het medium (het radio- of tv-station) de rol van markt speelt waar de verkoper (de waspoederproducent) tegen een vergoeding zijn product promoot bij de luisteraar die uiteraard de potentiële koper is. De ware constructie ziet er echter iets anders uit. De verkoper is het radio- of tv-station en de koper is de adverteerder. Het product is geen wasmiddel of elektrische auto maar de luisteraar (of zijn aandacht). Een zender zorgt voor de opbouw van een publiek in functie van de verkoopbaarheid aan zijn klanten. Dit betekent dat de zender zal moeten nadenken over de inhoud van zijn programma’s, niet alleen om een zo groot mogelijk publiek aan zich te binden (advertentieprijzen worden uiteraard berekend volgens het aantal bereikte luisteraars) maar ook om de juiste doelgroep (interessantst voor de adverteerder) te bereiken. Einde illusies over onafhankelijkheid. Heel dit principe herkennen we uiteraard nog duidelijker wanneer we aan de huidige sociale media denken. Het wordt dus begrijpelijk waarom de VEBE-zenders zich hardnekkig probeerden te verzetten tegen het afhankelijk worden van reclame-inkomsten. Dit betekende bijgevolg ook dat er geen geld was om personeel te betalen, dat de stations volledig op vrijwilligers­werk draaide.

Uiteindelijk werd de ether opengesteld voor zowel lokale als commerciële zenders. Hoe de verdeling van de bandbreedte uiteindelijk is gebeurd, heb ik niet meer van nabij gevolgd. Kleine zenders werden soms wel verplicht om een frequentie te delen met collega’s. Maar de kern van de zaak was dat de 40 jaar durende monopoliepositie van de Belgische openbare omroepen werd doorbroken en dat reclame officieel haar intrede deed in de Belgische ether. Eens dit principe aanvaard, was het maar een kwestie van enkele jaren tot ook de commerciële televisie de markt kon openbreken. En eens het verdienmodel van de commerciëlen genormaliseerd, konden ook de overheidszenders niet achterblijven: de VRT-zenders werden geacht een stuk financieel te verzelfstandigen in plaats van volledig afhankelijk te blijven van het overheids­infuus. VRT-reclame was een feit. De afhankelijkheid van publiciteitsinkomsten en de impact hiervan op de programmatie waarnaar we eerder verwezen is niet gering. Dat die impact, gezien de overheidsdotatie, minder groot is voor de openbare omroep dan voor de commerciële zenders is logisch maar daartegenover staat dan weer dat de politieke druk op de eerste groter is. In hun strijd om een groter marktaandeel zijn de privé-zenders meer geneigd een duidelijker doelpubliek af te bakenen dat qua profiel gemakkelijker kan gepresenteerd worden aan adverteerders. Aangezien ze die afbakening zo breed mogelijk zullen willen definiëren en hun inhoud zullen afstemmen op een zo groot mogelijk bereik op elk moment, zal dit de programmatie bepalen. Muzikaal hanteert men hiertoe “makkelijke” playlists (alles wat niet populair of onbekend dus onbemind is te mijden). Hier krijgen we dus te maken met culturele nivellering. Door de voornoemde strijd om marktaandeel zullen ook de officiële zenders zich verplicht zien om een stuk mee te gaan in die trend. Ook in de productie van soaps laten zowel commerciëlen als openbare zenders zich niet onbetuigd. Waar het verschil wel duidelijk wordt is in het inspelen op sensatiebeluste en voyeuristische sentimenten, zie zogenaamde realityshows als de Osbornes, de Pfaffs, Temptation Island of Naked Attraction, vooral formats van commerciële televisie.

Vooraleer de indruk zou ontstaan dat het probleem zou gaan over de tegenstelling totale vrijheid van aanbod en dus ook keuzevrijheid van de consument versus een staatsgestuurde programmatie, nog even verduidelijken. Een overheid moet zich niet bezig houden met concrete inhoud. Subsidiëring kan daar nooit een excuus voor zijn. Integendeel, de overheid moet enerzijds de onafhankelijkheid van de openbare omroep garanderen en anderzijds algemene opdrachten bepalen die de omroep moet opnemen. Particuliere belangen (commercieel of politiek) mogen op geen enkele wijze vat krijgen op de inhoud van de programmatie. Mediapubliciteit (die men nu eenmaal heeft ingevoerd) moet binnen duidelijk afgelijnde blokken met “waterdichte” wanden worden gebracht zodat op geen enkel moment contaminatie kan plaatsvinden. Maar ook de politieke onafhankelijkheid dient uiteraard gegarandeerd te worden, iets wat niet alle politici menen te begrijpen.

Rolmodel

Wat wel aan de orde is: de nivellering waarop we al wezen. Onderwerpen die aan bod komen in de media krijgen in de publieke perceptie een belang, los van het belang dat ze in de fysieke wereld zouden hebben. Mensen die in de media opgevoerd worden krijgen een legitimering die veelal niet in verhouding staat tot de rol die ze daarbuiten spelen, hun deskundigheid over behandelde onderwerpen of hun relevantie in het echte leven. Dit is de discrepantie tussen de werkelijke relevantie van thema’s of opgevoerde personages en de gepercipieerde. Het is die laatste die veelal bepaalt waarover mensen het in hun dagelijkse gesprekken hebben. Daarnaast bevatten programma’s, of het nu om fictie of duiding gaat, altijd een niet uitgesproken boodschap. Mediagezichten zijn rolmodellen, hebben dus publieke invloed. De levensstijl van publieke mediafiguren hebben een normerende lading. Woningen, interieurs die getoond worden in tv-series of films zijn veelal die van een gegoede middenklasse. Individueel vervoer, liefst met een zekere status, wordt als norm gepresenteerd. Hetzelfde gebeurt met de wijze waarop modellen voor onze vrijetijdsbesteding worden voorgehouden, inclusief om maar iets te noemen zon- en skivakanties, citytrips en intercontinentale vliegreizen. Op lange termijn drukt dit alles een stempel op de wijze waarop veel mensen naar de wereld kijken en op hun verwachtingen.

Tot zover de traditionele media, van drukpers tot en met televisie, die als gemeenschappelijk kenmerk eenrichtingsverkeer hebben, het gaat steeds van één zender naar vele ontvangers. Samenvattend: elke introductie van een nieuw medium maakte het mogelijk om ideeën en kennis breder, verder en sneller te verspreiden. Dit betekende telkens een belangrijke emancipatorische stap naar een meer democratische samenleving maar droeg ook de mogelijkheid in zich tot gebruik dat net die ontvoogding hypothekeerde. In de twintigste eeuw is het medialandschap zo divers en ingewikkeld geworden, de belangen die spelen steeds minder transparant, de gelaagdheid van inhouden zo complex dat de werkelijke invloed op het denken van mensen moeilijk in te schatten is. Het is altijd een dubbel verhaal dat in de balans op lange termijn tot nog toe (gelukkig) positief is uitgevallen maar steeds meer aan onze controle dreigt te ontsnappen.

Begin jaren ’80 vond ik al: als de burgers er niet in slagen de media te beheersen zullen de media ons beheersen. Pogingen om de media niet over te leveren aan de platte logica van de markt, omdat we dan het tegenovergestelde krijgen van de vrije keuze van de burger, zijn ten dele mislukt. De markt gaat voor de laagste gemene deler, voor de gemakkelijke inhoud, het gemakkelijke verhaal, de gemakkelijke uitleg en veelal ook met nadruk op het sensationele omdat dat het best verkoopt. Gelukkig is de openbare omroep overeind gebleven, zij het mits heel wat concessies onder druk van concurrentie en politiek. De VRT biedt nog steeds een brede kijk op de wereld die er voor de burgers toe doet. De geopolitiek, de allesoverheersende wereldhandel met een universeel consumptiemodel, onze mobiliteit en de mediarevolutie zou van de wereld een dorp gemaakt hebben. Dit idee verbergt wel de complexiteit van die wereld. De wereld begrijpen vooronderstelt toegang tot een diversiteit aan bronnen: van actuele informatie tot cultuurhistorische context; zowel feitelijke kennis als fictionele voorstellingen in verschillende kunstuitingen bieden ons die context. Een steeds belangrijker deel van die kennisbronnen halen we uit het immens uitgestrekt medialandschap dat een oneindige veelheid aan materiaal bevat. Het herkennen van betrouwbare bronnen, het selecteren van relevante informatie en het verwerken ervan zijn vaardigheden die ervaring en kennis vergen. Kennis van hoe media functioneren, zoals we in dit verhaal poogden te schetsen, is daarin essentieel. Kinderen worden reeds vanaf de jongste, meest beïnvloedbare leeftijd overspoeld met mediainhoud. De kennis en vaardigheden om daarmee om te gaan zouden dus in die jonge jaren moeten meegegeven worden opdat ze kritisch en weerbaar met de media zouden kunnen omgaan. Dit was al het geval in een tijd van de traditionele media. Ons onderwijs heeft die rol in het verleden helaas niet of onvoldoende opgenomen.

Met de introductie van de personal computer werd eerder genoemd devies: als wij de computer niet beheersen zal de computer ons beheersen. Ondertussen weten we dat computer hierbij staat voor e-commerce, sociale media, big tech, enz. Alles wat we aanbrachten over de traditionele media zien we vandaag uitvergroot in het hedendaagse medialandschap dat steeds interactiever wordt en een ongekende greep gekregen heeft op ons denken en doen. Meer dan ooit is het zaak ons (en onze kinderen) weerbaar te maken in de digitale jungle. Wat potentieel verbindende technologie zou kunnen zijn is verworden tot een explosief paard van Troje dat wij allen in huis hebben gehaald. Met de technologie op zich is niets mis. De vraag is wie er zich meester van heeft gemaakt. Indien wij vrije mensen willen blijven (of het weer worden) zullen we terug meester moeten worden over onze “essentials”, de zaken die nooit aan de markt hadden mogen overgelaten worden. Net zoals water, lucht, kennis, grond, openbaar vervoer, onderwijs, communicatie, energie of gezondheid behoren daar ook toe: de media. Dit betekent absoluut niet dat er geen plaats is voor privé-initiatief, maar de spelregels moeten ten allen tijde gedicteerd worden door het algemeen belang en voor iedereen gelijk zijn, dat wil zeggen niet op maat van de sterkste.



[i] Enkele decennia later zou het ook nog een bijzonder format opleveren onder het label infotainment.

donderdag 8 oktober 2020

Hoe we killervirussen zelf hebben uitgenodigd

 In De Morgen van 7 oktober legt Barbara Debusschere het nog eens overzichtelijk uit. Neen, dit is geen nieuwe informatie... weten we al vele jaren maar op één of andere manier sluiten we nog altijd onze geesten voor deze unconvenient truth. 

Voor alle duidelijkheid ik heb geen rechten op dit artikel, die liggen uitsluitend bij De Morgen en dus geldt hier ook geen Creative Commons licentie. Abonnees van De Morgen kunnen op onderstaande titel klikken om rechtstreeks op hun site te lezen maar zij die liever en andere gazet lezen mogen hier toch niet van verstoken blijven... Voor één keer, 't is voor de goede zaak.

Minder natuur, meer gevaar: hoe we zelf de rode loper uitrollen voor dodelijke virussen

Op een markt in Sulawesi, Indonesië worden geroosterde vliegende vossen, een soort reuzenvleermuis, verkocht. De mix van uitwerpselen, bloed en urine op de markten voor wilde dieren biedt virussen een uitgelezen kans om van de ene soort op de andere te springen.Beeld Photo News

De coronapandemie overkomt ons niet zomaar. Door in sneltempo ongerepte natuur te vernielen, spreiden we de rode loper voor killervirussen die de sprong van dier naar mens maken.

Een virus dat van bij een exotische diersoort ‘overloopt’ naar de mens en vervolgens in acht maanden tijd één miljoen mensen doodt, het is voor velen een spectaculair geheugensteuntje. “SARS-CoV-2 herinnert ons eraan dat de natuur uiteindelijk de baas is”, klinkt het dan.

Er valt weinig op af te dingen. Ondanks de spectaculaire technologische en wetenschappelijke vooruitgang moeten we af en toe buigen voor dit soort onheil uit de natuur.

Hoewel het voor virussen en bacteriën meestal erg moeilijk is om over te lopen, zijn er sinds ons bestaan geregeld voorbeelden opgedoken, zoals hondsdolheid of de mazelen, die een duizendtal jaar geleden van bij runderen kwamen. De veertiende-eeuwse pest kregen we via ratten. Recentelijker doken vogelgriep, ebola, MERS, SARS, zika en westnijlvirus op. Hiv, dat via chimpansees tot bij de mens kwam, doodde al 33 miljoen mensen.

Luchtbeeld van een illegale mijn in het Braziliaanse regenwoud. De vernieling van de natuur blijkt de grondoorzaak van almaar meer ziekten die van dier op mens springen. Beeld AFP

Maar het was pas toen er begin dit jaar berichten uit China kwamen over een gevaarlijk virus dat wellicht van bij vleermuizen op de mens overging, dat de wereld collectief grote ogen trok over zoveel darwinistisch spektakel.

Eén soort mensen was niet verbaasd. Virologen gespecialiseerd in zoönoses, ziektes die van bij gewervelde dieren overgaan op de mens, schreven jaren geleden al dat exact dit zou gaan gebeuren.

De eerste SARS-epidemie, die tussen 2002 en 2003 bijna 800 mensen doodde, en ebola waren ook al virussen die van bij wilde dieren in tropengebied bij de mens kwamen. Maar SARS-CoV-2 heeft ons pas echt wakker geschud over het gevaar van zoönoses.

Gedroomde gastheren

Zo verbazend is de komst van dit virus eigenlijk niet. De natuur barst van de ‘beestjes’ en van de ziektekiemen. Volgens een schatting van het Global Virome Project circuleren er 1,67 miljoen nog niet ontdekte virussen in zoogdieren en vogels, waarvan tot de helft gevaarlijk kan zijn voor de mens.

En vleermuizen zijn de gedroomde gastheren. Ze maken liefst een vijfde uit van alle bekende soorten zoogdieren. Via vleermuizen is grote verspreiding dus gegarandeerd. Bovendien zit hun immuunsysteem zo in elkaar dat ze veel virussen kunnen meedragen zonder zelf ziek te worden. Wat ziektekiemen de grootste overlevingskansen geeft.

Toen de Chinese virologe Shi Zhengli, die al zestien jaar coronavirussen bij vleermuizen analyseert, eind vorig jaar vaststelde dat twee mensen in Wuhan besmet waren met een virus dat leek op het SARS-virus, waarschuwde haar team dan ook direct dat dit een groot probleem kon worden.

Want ook deze experts weten dat besmettelijke zoönoses steeds vlotter oprukken. Werden er in de jaren 50 zo’n dertig nieuwe geteld, dan waren het er in de jaren 80 honderd. “En dat is maar voor een klein beetje omdat we die virussen beter in kaart brengen”, zegt zoöloog Herwig Leirs (UAntwerpen), gespecialiseerd in zoönoses die kleine zoogdieren verspreiden. Vandaag is ruim twee derde van de nieuwe infectieziektes ontstaan bij wilde dieren.

Dat we met bijna 8 miljard zijn, helpt niet. Nooit waren er zoveel potentiële prooien voor dit soort performante virussen. “Bovendien is 60 procent van de zoogdieren nu vee en is 36 procent mens”, zegt Myriam Dumortier, verbonden aan het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek en docent bos- en natuurbeleid aan de Universiteit Gent. “Slechts 4 procent zijn wilde zoogdieren. Maar de kans dat zij in contact komen met mensen is veel groter geworden.”

Omdat die massa mensen ook de hele tijd van hot naar her reist, krijgen zoönoses nog veel meer kansen. Raakt pakweg een Afrikaanse landbouwer in een afgelegen dorp besmet met een virus van wilde dieren, dan kan dat binnen 24 uur in miljoenensteden zitten. Zo ging het met met ebola, SARS en SARS-CoV-2.

Politiek gevoeliger factoren zijn de wildlife markets, waar wilde dieren worden verkocht, en lokale inwoners die wilde dieren eten. Dat laatste is soms traditie maar ook vaak puur overleven. Bushmeat is dan de enige eiwitbron voor armen mensen. Dat kan heel erg mislopen. Zo bereikte hiv de mens wellicht doordat mensen die dicht bij het woud leven vlees van besmette chimpansees aten.

Armen verbieden voedzaam te eten ligt uiteraard te moeilijk, maar China heeft wel de markten waar levende wilde dieren worden verkocht gesloten, zij het tijdelijk. Daar zitten wilde en andere dieren dicht opeengepakt en worden sommige geslacht.

Alle experts zijn het erover eens dat de mix van uitwerpselen, bloed en urine op die markten virussen een uitgelezen kans geeft om van de ene soort op de andere te ‘springen’. Maar ze zijn het er niet over eens dat die markten sluiten een oplossing is, omdat de kans reëel is dat dan ondergrondse circuits ontstaan.

Dat geldt eveneens voor nog een snelweg die zoönoses en andere infectieziektes nemen: de handel in wilde dieren, al dan niet in de vorm van bushmeat of als huisdier. Alleen al in China is die jaarlijks goed voor 20 miljard dollar. 

Zorgwekkend is ook de internationale handel in exotische huisdieren zoals reptielen, papegaaien, knaagdieren en vissen omdat die zelden gecontroleerd worden op ziektekiemen die mensen ziek zouden kunnen maken.

Als een bijenkorf

De verkoop van bushmeat en de handel in wilde dieren beter controleren of verbieden zou het risico op zoönoses verminderen, maar erg realistisch is dat laatste niet. Het zou ook niet volstaan. “Het is vooral de grootschalige vernieling van de natuur die deze zoönoses vrij spel geeft”, zegt Leirs.

Amy Vittor, assistent-professor infectieziekten aan de Universiteit van Florida (Emerging Pathogens Institute), vat het samen in één beeld. “De natuur is als een bijenkorf. Ze zit, vooral in tropische gebieden, vol ziektekiemen die ons zouden kunnen schaden. Doorgaans blijven ze in hun korf. Maar wanneer de mens passeert en er flink tegen duwt, zal daar van alles uitkomen.”

En dat is exact wat de laatste decennia steeds driester gebeurt.

Zo kan een op drie van de nieuwe infectieziektes, die dus grotendeels van bij dieren komen, in verband gebracht worden met de aantasting van tropisch bos voor mijnbouw, landbouw en verstedelijking. Dat blijkt uit onderzoek van de EcoHealth Alliance, een Amerikaanse ngo die nieuwe virussen in wilde dieren traceert. Andere studies wijzen uit dat ontbossing de kans op lokale ebola-uitbraken aanzienlijk vergroot.

Je zou nochtans denken dat minder wilde natuur net minder gevaarlijke ziektekiemen uit de wildernis meebrengen. Maar het omgekeerde is aan de hand. Net de vernieling van de natuur blijkt de grondoorzaak van almaar meer ziektes die van dier op mens overgaan, zo stelt ook de VN.

Dat gebeurt in vier fases.

Door ontbossing voor wegen, mijnbouw en landbouw of verstedelijking dringen ten eerste meer mensen dan ooit diep binnen in gebieden waar zij vroeger nauwelijks kwamen.

Vaak zijn het arbeiders die van ver komen. In tegenstelling tot de lokale bevolking die al jaren of eeuwen met bepaalde wilde soorten ‘samenleeft’, hebben zij geen immuniteit opgebouwd tegen virussen en trekken ze na hun werk terug naar steden waar ze die makkelijk verspreiden.

Ten tweede jaagt ontbossing wilde dieren allemaal samen in veel kleinere lapjes natuur die nog overblijven. Daardoor wisselen ze meer dan gewoonlijk onderling ziektekiemen uit, wat de kans op nieuwe en mogelijk sterkere varianten vergroot.

Ten derde moeten ze op zoek naar nieuwe voedselbronnen en huisvesting. Vaak drijft hen dat veel dichter richting de mens. Zo doodde het nipahvirus in Maleisië in 1998 honderden mensen na het verdwijnen van regenwoud voor palmolieplantages en veeteelt. Fruitetende vleermuizen belandden op varkensboerderijen waar mangobomen staan en besmetten met hun uitwerpselen en de varkens, die op hun beurt de medewerkers besmetten.

Ten vierde ontstaat in aangetaste ecosystemen op langere termijn een scheve verhouding die zoönoses nog meer kansen geeft.

Knaagdieren en vleermuizen

“In een gezond ecosysteem heb je van vele soorten enkele exemplaren”, zegt Leirs. “In een aangetast gebied zijn het op den duur veel exemplaren van nog maar weinig soorten. Het zijn doorgaans kleinere, niet-gespecialiseerde soorten die zich zeer snel voortplanten en zich erg goed kunnen aanpassen aan verstoorde ecosystemen en de nabijheid van de mens.”

En dat zijn net de soorten die de meeste ziektekiemen dragen. “Wellicht omdat ze zich veelvuldig en snel voortplanten maar slechts kort leven”, zegt Leirs. “Daardoor investeren ze weinig in een robuust immuunsysteem en laten ze makkelijker ziektekiemen toe. Maar ze zijn dus met heel veel en virussen krijgen de kans snel te muteren omdat ze zich zo snel voortplanten. Knaagdieren en vleermuizen zijn de belangrijkste voorbeelden.”

Recent onderzoek in Nature, dat bijna zevenduizend soorten op zes continenten bestudeerde, bevestigt dat. Knaagdieren en vleermuizen dragen de meeste ziektekiemen en komen 18 tot liefst 70 procent keer meer voor in beschadigde dan in intacte natuur omdat ze de plaats innemen van de gespecialiseerde soorten die de verstoring van hun ecosysteem niet verteerd krijgen. Hun aantallen zijn op die plekken 21 tot 144 procent keer hoger dan in ongerepte habitats.

“Deze studie corrigeert het idee dat de wilde natuur de grootste bron van zoönoses is”, schrijven biologen Rick Ostfeld (Cary Institute of Ecosystem Studies) en Felicia Keesing (Bard College) in een commentaar. “Nee, de grootste bedreiging ontstaat wanneer natuurlijk gebied terrein moet ruimen voor landbouwgrond of stedelijke gebied. De patronen zijn frappant.”

Een huisdierenmarkt in Calcutta, India. De internationale handel in exotische huisdieren zoals reptielen, papegaaien, knaagdieren en vissen baart virologen grote zorgen.Beeld EPA

De onderzoekers adviseren om meer surveillance en sterkere gezondheidszorg te organiseren waar en wanneer rijke natuur tegen de vlakte gaat. Ook brengen wetenschappers van het Global Virome Project preventief hotspots in kaart.

Nature publiceerde dat soort kaarten. Waar rijke biodiversiteit samengaat met grote bevolkingsdichtheid, intensieve landbouw en vernieling van de natuur staan alle lichten op rood. Het gaat om streken in onder andere India, China, Brazilië maar ook in Europa.

Intensieve veeteelt speelt een belangrijke rol. Ze veroorzaakt niet alleen ontbossing, onder andere door sojaproductie voor veevoeder, ook de megastallen zijn een probleem. “Er gelden strenge bioveiligheidsnormen, maar als daar toch een ziektekiem binnenraakt, belandt het bij veel dieren die dicht opeen leven en genetisch zeer identiek zijn met vaak een zwak immuunsysteem”, zegt Dumortier. “Dan kunnen zeer snel mutaties richting schadelijker ziektekiemen ontstaan. Bij vogelgriep gaat het vaak zo.”

Varkenspest is nog een voorbeeld. Er leeft ook bezorgdheid over nieuwe griepvirussen die kunnen ontstaan door vermenging van bestaande virussen bij varkens en bijvoorbeeld eenden.

Honger naar vlees en palmolie

Naast het aan banden leggen van de handel in wilde dieren kunnen ook meer alertheid op plekken waar ontbost wordt en een robuust internationaal detectiesysteem voor pandemieën de opmars van zoönoses afremmen.

Maar we moeten vooral de grootschalige vernieling van ecosystemen afblokken, zo schreven ’s werelds meest vooraanstaande virologen en economen in juli in vakblad Science. Want “zieke ecosystemen maken zieke dieren en uiteindelijk ook zieke mensen”.

Vooral de almaar grotere honger naar vooral vlees en palmolie, twee grote oorzaken van de grootschalige ontbossing, en ook de verkoop van elektronica, waarvoor intensieve mijnbouw nodig is, zouden we moeten drukken, zo klinkt het. “Hoe wij hier consumeren, heeft een directe impact op wat in die tropische gebieden gebeurt. Wij hebben een connectie met die ecosystemen”, zegt Dumortier.

 “‘Wij’ slaat wel vooral op de rijksten”, zegt Nick Meynen, geograaf en beleidsmedewerker bij het European Environmental Bureau. In zijn nieuwe boek De val van Icarus. Het virus als kantelpunt verwijst hij naar de Nature-studie waarin wetenschappers concluderen: ‘De rijke burgers zijn verantwoordelijk voor de grootste impact op het milieu. De toename van hun negatieve impact is veel groter dan ecologische winsten door betere technologie. Zij staan centraal in elk mogelijk scenario richting veilige ecologische omstandigheden.’

De onderzoekers hopen alvast dat er door de Covid-19-pandemie meer stilgestaan wordt bij de gigantische ellende en enorme kosten waarmee natuurdestructie ons kan opzadelen.

Voorlopig lijkt dat niet te lukken. Net omdat alle aandacht en middelen nu gaan naar de pandemie, slinken de aandacht en middelen voor natuurbehoud. Volgens sommige berichten neemt de ongecontroleerde ontbossing in het Zuiden de laatste maanden net toe. Dat maakt het voor het volgende killervirus alleen maar makkelijker om onze soort te bereiken.

teaserBeeld DM